Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AD5807

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-10-2001
Datum publicatie
20-11-2001
Zaaknummer
VWRO19 01/2204-SIMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb treedt in de plaats van de gewone voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 4.1.2 Awb.

Bouwvergunning verleend voor vergroten van woning aan de [...] 55. Verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken. Zou hij dat wel hebben gedaan, dan had verweerder overeenkomstig art. 3:43 Awb aan hem mededeling moeten doen van het bestreden besluit en was verzoeker in de gelegenheid geweest daartegen - tijdig - bezwaar te maken. Volgens vaste jurisprudentie komt het echter voor risico van een belanghebbende als hij heeft nagelaten ervoor te zorgen dat een kennisgeving als bedoeld in art. 3:12 Awb aan hem bekend wordt. Een andere benadering zou het goed functioneren van het stelsel van de in Afdeling 3.4 Awb geregelde openbare voorbereidingsprocedure ernstig frustreren. Hetgeen verzoeker op dit punt heeft aangevoerd, treft dan ook geen doel. Dat verzoeker bij een eerdere bouwaanvraag in 1984 (wel) door de gemeente is geïnformeerd, leidt niet tot een ander oordeel.

President: Het beroep op art. 4:8 Awb slaagt evenmin. Zoals ook blijkt uit de memorie van toelichting bij art. 4:10 Awb (vgl. PG Awb I, blz. 256), treedt - indien de openbare voorbereidingsprocedure wordt toegepast - deze in de plaats van de in afdeling 4.1.2 van de Awb geregelde "gewone" voorbereidingsprocedure, met inbegrip van art. 4:8 Awb. De openbare voorbereidingsprocedure voorziet, anders dan de "gewone" voorbereidingsprocedure, in een stelsel van algemene kennisgeving. Weliswaar is in art. 4:10 Awb bepaald dat indien ter uitvoering van de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb toepassing wordt gegeven aan afdeling 3.4 of afdeling 3.5 van de Awb, het bestuursorgaan de aanvrager en degene tot wie de beschikking zal zijn gericht (in de terminologie van de memorie van toelichting: "de rechtstreeks belanghebbende") daarvan op de hoogte stelt, maar deze bepaling ziet nu juist niet op derden-belanghebbenden, zoals in het onderhavige geval verzoeker.

Van verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. Het bezwaar zal daarom niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Verzoek afgewezen.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelharnis, verweerder.

mr. drs. Th.G.M. Simons (president)

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4, geldigheid: 2001-10-18
Algemene wet bestuursrecht 4:8, geldigheid: 2001-10-18
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19, geldigheid: 2001-10-18
Woningwet 44, geldigheid: 2001-10-18
Woningwet 51, geldigheid: 2001-10-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/333 met annotatie van R.J.G.H. S

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

President

Reg.nr.: VWRO19 01/2204-SIMO

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen

A, wonende te B, verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelharnis, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 3 april 2001 - verzonden op 6 april 2001 - heeft verweerder, met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 51, derde lid, van de Woningwet, aan X (bouw)vergunning verleend voor het vergroten van diens woning aan de […] nr.55.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeker, woonachtig aan de […] nr. 59, bij brief van 2 oktober 2001 bezwaar gemaakt.

Voorts heeft verzoeker bij brief van eveneens 2 oktober 2001 de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2001. Verzoeker was, vergezeld van zijn echtgenote A-B, aanwezig. Verweerder heeft zich, met kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of admi-nistratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de daartoe uit te voeren meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

Verweerder heeft van de op 29 september 2000 ontvangen bouwaanvraag overeenkomstig artikel 41 van de Woningwet op 5 en 6 oktober 2000 kennisgegeven in Ons Eiland en Eilanden-Nieuws.

Op 8 en 9 februari 2001 heeft verweerder overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb (in verbinding met de artikelen 19, derde lid, en 19a, vierde lid, van de WRO) in de beide kranten kennisgegeven van de bouwaanvraag. Daarbij is vermeld dat de stukken gedurende vier weken ter inzage zullen liggen en dat gedurende die termijn eenieder schriftelijk zijn ziens-wijze kenbaar kan maken.

Vaststaat dat verzoeker van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.

Op 12 en 13 april 2001 heeft verweerder de verlening van de vergunning gepubliceerd in de beide kranten. Daarbij is ver-meld dat het bestreden besluit op 6 april 2001 is bekendgemaakt en dat belanghebbenden binnen zes weken een bezwaar-schrift kunnen indienen.

Op 1 oktober 2001 heeft verzoeker kennis gekregen van het feit dat met de bouw een aanvang werd gemaakt.

Op 2 oktober 2001 is bezwaar gemaakt en is het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Verzoeker heeft erkend dat sprake is van termijnoverschrijding. Hij heeft echter gesteld dat die termijnoverschrijding ver-schoonbaar is. Ten eerste omdat niet kan worden gevergd dat nauwgezet de lokale publicaties worden gevolgd om te bezien of wellicht sprake is van een (voorgenomen) besluit waarvan een belanghebbende nadeel ondervindt of zou kunnen onder-vinden. Ten tweede omdat in 1984 bij een eerdere bouwaanvraag verzoeker daarover door de gemeente schriftelijk is geïn-formeerd, zodat hij ervan mocht uitgaan dat zulks in voorkomende gevallen opnieuw zou gebeuren Ten derde omdat ver-weerder, aldus verzoeker, heeft gehandeld in strijd met artikel 4:8 van de Awb. Indien verweerder ten aanzien van verzoe-ker wel toepassing zou hebben gegeven aan artikel 4:8 van de Awb, dan had verweerder - zo begrijpt de president het betoog van verzoeker - vervolgens artikel 3:43 van de Awb moeten toepassen en zou verzoeker tijdig op de hoogte zijn geweest van het bestreden besluit.

Met betrekking tot de inhoud van het bestreden besluit heeft verzoeker - kort weergegeven - aangevoerd dat verweerder een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt en dat voor verzoeker minder belastende en toch adequate oplossingen denk-baar zijn.

Verder heeft verzoeker nog naar voren gebracht dat uitvoering van het bouwplan gedeeltelijk boven het perceel van ver-zoeker zal moeten plaatsvinden, waarvoor door hem geen toestemming zal worden verleend.

De president overweegt als volgt.

Allereerst dient, ambtshalve, te worden beoordeeld of ten aanzien van het door verzoeker na afloop van de bezwaar-termijn ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege dient te blijven vanwege verschoonbare termijnoverschrijding.

Verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken. Zou hij dat wel hebben gedaan, dan had verweerder overeenkomstig artikel 3:43 van de Awb aan hem mededeling moeten doen van het be-streden besluit en was verzoeker in de gelegenheid geweest daartegen - tijdig - bezwaar te maken. Volgens vaste jurisprudentie komt het echter voor risico van een belanghebbende als hij heeft nagelaten ervoor te zorgen dat een kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12 van de Awb aan hem bekend wordt. Een andere benadering zou het goed functioneren van het stelsel van de in afdeling 3.4 van de Awb geregelde openbare voorbereidingsprocedure ernstig frustreren. Hetgeen verzoeker op dit punt heeft aangevoerd, treft dan ook geen doel. Dat verzoeker bij een eerdere bouwaanvraag in 1984 (wel) door de gemeente is geïnformeerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Het beroep op artikel 4:8 van de Awb slaagt evenmin. Zoals ook blijkt uit de memorie van toelichting bij artikel 4:10 van de Awb (vgl. PG Awb I, blz. 256), treedt - indien de openbare voorbereidingsprocedure wordt toegepast - deze in de plaats van de in afdeling 4.1.2 van de Awb geregelde "gewone" voorbereidingsprocedure, met inbegrip van artikel 4:8 van de Awb. De openbare voorbereidingsprocedure voorziet, anders dan de "gewone" voorbereidingsprocedure, in een stelsel van algemene kennisgeving. Weliswaar is in artikel 4:10 van de Awb bepaald dat indien ter uitvoering van de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb toepassing wordt gegeven aan afdeling 3.4 of afdeling 3.5 van de Awb, het be-stuursorgaan de aanvrager en degene tot wie de beschikking zal zijn gericht (in de terminologie van de memorie van toelichting: "de rechtstreeks belanghebbende") daarvan op de hoogte stelt, maar deze bepaling ziet nu juist niet op derden-belanghebbenden, zoals in het onderhavige geval verzoeker.

Uit het voorgaande vloeit voort dat van verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is. Het bezwaar zal daarom niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorzie-ning.

De inhoudelijke bezwaren van verzoeker moeten buiten bespreking blijven.

Voor een veroordeling van verweerder tot vergoeding van het griffierecht en voor een veroordeling in de proceskosten bestaat evenmin aanleiding.

Ter voorlichting van verzoeker merkt de president nog op dat voorzover verzoeker van oordeel is dat bij uitvoering van het bouwplan overeenkomstig de verleende vergunning zijn eigendomsrechten (zullen) worden geschonden, hij zulks - uitsluitend - in een procedure bij de burgerlijke rechter aan de orde kan stellen.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De president,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. Th.G.M. Simons als president.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. M. Traousis-van Wingaarden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2001.

De griffier: De president:

Afschrift verzonden op: