Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AD4839

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-07-2001
Datum publicatie
29-10-2001
Zaaknummer
01/1026 WOB GSS
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 10
Wet openbaarheid van bestuur 10
Wet openbaarheid van bestuur 10
Wet openbaarheid van bestuur 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 01/1026 WOB GSS

Uitspraak

in het geding tussen

Scholtze & Co B.V. , gevestigd te Amsterdam, eiseres,

gemachtigden mrs. H.C. de Bie en P. Bakker, advocaten te Amsterdam

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 2 februari 2001 heeft eiseres verweerder verzocht haar het onderdeel „Beoordeling van het verzoek“ van document […...] te verstrekken. Bij dit onderdeel is de opmerking „niet openbaar“ geplaatst.

Bij besluit van 19 februari 2001 heeft verweerder eiseres een deel van de gevraagde informatie doen toekomen en geweigerd het andere deel te verstrekken.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 12 maart 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 april 2001 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) bij brief van 4 april 2001 beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank Amsterdam. Eiseres heeft voorts verzocht het beroep, gelet op de samenhang met het reeds bij de arrondissementsrechtbank Rotterdam aanhangige beroep van Koninklijke Nedlloyd N.V. (procedurenummer WOB 01/473 GSS), voor behandeling door te zenden naar deze laatste rechtbank.

Bij brief van 9 mei 2001 heeft de griffier van de arrondissementsrechtbank Amsterdam het beroep doorgezonden naar de arrondissementsrechtbank Rotterdam.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2001. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden, bijgestaan door G.Th.M. van Haren. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.H.J. Hesselink.

2. Overwegingen

In dit geding staat ter beoordeling de vraag of verweerder terecht en op juiste gronden het verzoek van eiseres tot het verstrekken van informatie heeft afgewezen.

Aanleiding tot het geschil

Scholtze heeft op verzoek van Damco Maritime B.V. - een onderdeel van het Nedlloyd concern - een aantal aangiften ten invoer gedaan. Naar aanleiding van die aangiften zijn invoerrechten nagevorderd door de belastingdienst/douane ter zake van de invoer van kleurentelevisies uit Turkije.

Op grond van artikel 239 van de Vo (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (CDW) heeft de heer van Haren bij brief van 15 juli 1996 een aantal verzoeken om terugbetaling (kwijtschelding) van betaalde invoerrechten ingediend. Naar aanleiding van deze verzoeken heeft de belastingdienst/douane op 3 december 1996 een advies aan de Europese Commissie gestuurd (hierna: werkdocument). Bij brief van 2 februari 2001 heeft eiseres verzocht van dit werkdocument ook de tekst onder de kop „Beoordeling van het verzoek“ te verkrijgen.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het verzoek afgewezen met een beroep op artikel 10, tweede lid, onder a en e, alsmede artikel 11 van de WOB.

Verweerder heeft het betreffende werkdocument met een beroep op artikel 8:29 van de Awb overgelegd aan de rechtbank. Ter zitting van 28 mei 2001 heeft eiseres de rechtbank haar toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de WOB blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WOB wordt, in geval van een verzoek om informatie uit documenten opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.

Beoordeling van het geschil

Artikel 10, tweede lid onder a, van de WOB

In het bestreden besluit heeft verweerder aangevoerd dat openbaarmaking van de gevraagde informatie een inbreuk zou betekenen op de reglementen van de Europese Commissie en het Comité douanewetboek. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde voorts betoogd dat enkele passages uit het onderhavige werkdocument opmerkingen bevatten over de Europese Commissie en lid-Staten en dat openbaarmaking van die passages de betrekkingen van Nederland met internationale organisaties en lid-Staten in gevaar brengt. Daar komt nog bij dat de Europese Commissie eigen bepalingen kent voor openbaarmaking en de behandeling van het werkdocument in het Comité Douanewetboek onder de vertrouwelijkheidsparagraaf in haar reglement van orde valt.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat verweerder met name een beroep doet op de eigen bepalingen voor openbaarmaking die de Europese Commissie kent. Uit de mededeling van de Commissie inzake de verbeterde toegang tot documenten (94/C 67/03) blijkt dat een verzoek om toegang tot een document alleen betrekking kan hebben op een document dat door de Commissie is opgesteld. Indien een verzoek betrekking heeft op een document dat niet zijn oorsprong heeft binnen de Commissie zal een doorverwijzing plaatsvinden naar de auteur van het betreffende document.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat het onderhavige werkdocument zijn oorsprong niet heeft binnen de Commissie, zodat de regeling van de Europese Commissie ter zake niet van toepassing is. Het feit dat een stuk bij de Europese Commissie vertrouwelijk wordt behandeld op verzoek van de auteur van dat betreffende stuk, kan geen rol spelen in het kader van de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, onder a, van de WOB. Verweerder heeft immers zelf om deze geheimhouding verzocht en kan zich er in deze procedure dan ook niet op beroepen dat dit verzoek is gehonoreerd. Toetsing dient plaats te vinden binnen het hiervoor geschetste kader.

De rechtbank vindt in het reglement van orde van het Comité douanewetboek onvoldoende steun voor de stelling van verweerders gemachtigde dat de behandeling van het werkdocument onder de vertrouwelijkheidsparagraaf valt, nu in artikel 11 van het reglement slechts is gesteld dat de werkzaamheden van het Comité een vertrouwelijk karakter hebben.

De stelling van verweerder dat de betrekking tussen Nederland en een andere Staat gevaar loopt bij openbaarmaking van het onderhavige werkdocument is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank kan voor deze stelling voorts onvoldoende steun vinden in het onderhavige document waarvan de rechtbank met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis heeft genomen.

Artikel 10, tweede lid onder e, van de WOB

Verweerder beroept zich op deze bepaling omdat een passage in het onderhavige werkdocument de naam bevat van een medewerker van de Europese Commissie. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier om een beroepsmatig functioneren waardoor de mogelijkheid om informatie die daarop betrekking heeft wegens eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet te verschaffen, wordt beperkt. Er zal in een dergelijk geval niet vlug moeten worden aangenomen dat het noemen van namen leidt tot aantasting van de persoonlijke levenssfeer. De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om van voornoemd beginsel af te wijken. Te meer niet nu anonimisering zonder meer mogelijk is.

Artikel 11 van de WOB

Ingevolge de jurisprudentie is de Europese Gemeenschap te beschouwen als een Staat als bedoeld in artikel 10, tweede lid onder a, van de WOB. Hieraan dient naar het oordeel van de rechtbank de conclusie te worden verbonden dat het zenden van het stuk aan (een instelling van) de Europese Gemeenschap niet het karakter van intern beraad in de zin van de wet heeft. Door het brengen van het stuk buiten de eigen kring/sfeer verliest dat stuk het karakter van intern beraad. Bovendien heeft het stuk/de passage door ondertekening namens de Belastingdienst/directie douane de status van beraad verloren en is het een officieel standpunt van de Belastingdienst/directie douane.

Het beroep van verweerder op artikel 11 van de WOB faalt derhalve.

Uit al het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep dient dan ook wegens strijd met het motiveringsbeginsel en strijd met de wet gegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op f. 1420,--, aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder binnen 6 weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak,

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van f. 450,--, vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van f. 1420,--, en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C.P. Goossens als voorzitter en mr. E.I. van den Bos-Boomsma en mr. R. Kruisdijk als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. M. Traousis – van Wingaarden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2001.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiseres wordt begrepen -en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.