Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AD4834

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2001
Datum publicatie
09-07-2002
Zaaknummer
WOB 00/616 SIMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigeringsgrond art. 10.2.d Wob niet van toepassing op interne inspectie, controle en toezicht binnen een bestuursorgaan of ander lichaam waartoe zowel het inspecterende, controlerende dan wel toezichthoudende (bestuurs)orgaan als de betrokken ambtsdragers en ambtenaren behoren.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 10
Wet openbaarheid van bestuur 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: WOB 00/616-SIMO

Uitspraak

in het geding tussen

A en B, eisers,

gemachtigde mr. K.Th.M. Stöpetie, advocaat te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluiten van 28 oktober 1999 (kenmerk JZ.99.1177/Vi/NdH, onderscheidenlijk JZ.99.1238/Vi/NdH) heeft verweerder de verzoeken van eisers van 4 oktober 1999, onderscheidenlijk 6 oktober 1999, om informatie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB) gedeeltelijk afgewezen.

Bij brief van 24 november 1999 heeft de gemachtigde van eisers bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 februari 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van eisers bij brief van 23 maart 2000, aangevuld bij brief van 20 april 2000, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 8 mei 2000, aangevuld bij brief van 22 mei 2000, een verweerschrift ingediend.

Bij de brief van 8 mei 2000 heeft verweerder een gedeelte van de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2000. Aanwezig waren eiser A en de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M.E. Kleiweg-de Zwaan, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

Bij beslissing van 6 maart 2001 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen alsnog de overige op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden.

Bij de inzending van de desbetreffende stukken heeft verweerder verzocht toepassing te geven aan artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) (beperking van de kennisneming). De rechtbank heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, waarna eisers toestemming hebben verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft zij het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

Artikel 10, tweede lid, van de WOB luidt, voorzover hier van belang:

„Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…);

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…);

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.“.

Eisers zijn beiden werkzaam als journalist bij het Algemeen Dagblad.

Bij brief van 4 oktober 1999 hebben eisers verweerder verzocht om „inzage in alle afschriften en andere relevante documenten die betrekking hebben op het gebruik van de creditcards die door de gemeente Rotterdam beschikbaar zijn gesteld aan voormalig burgemeester X, zijn echtgenote Y, zijn wethouders, de gemeentesecretaris en het college van B&W in het geheel. Het verzoek betreft de ambtsperiode van de heer X (1982-1998).“.

Bij brief van 6 oktober 1999 hebben eisers verweerder verzocht om „inzage in alle rapporten en bijbehorende stukken van de gemeentelijke accountantsdienst en de Accountantsdienst Rotterdam betreffende onderzoeken naar jaarrekeningen en of declaraties en of reiskosten van ambtenaren en bestuurders van de gemeente Rotterdam. Het betreft hier de periode vanaf 1986.“.

Bij de besluiten van 28 oktober 1999 heeft verweerder het volgende beslist:

„Aan u wordt een pakket informatie over deze aangelegenheid verstrekt, onder meer bestaande uit de toepasselijke regelingen, vastgestelde jaarrekeningen, managementletters van de Accountantsdienst Rotterdam, alsmede jaarverslagen. Een inhoudelijke beslissing op uw verzoek wordt aangehouden tot de publicatie van het rapport van de COR en een eventuele reactie van ons college daarop. Vervolgens zullen wij – voor zover de verzoeken zijn te beschouwen als verzoeken als bedoeld in art. 3 Wob – met inachtneming van het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling op de verzoeken om informatie (…) beslissen. Voor zover uw verzoek er toe strekt de informatie op een eerder tijdstip te krijgen wijzen wij dat verzoek af. Wij zijn van mening dat de belangen van de inspectie en controle, van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van het voorkomen van onevenredige benadeling zwaarder wegen dan het publieke belang bij informatieverstrekking vóór de publicatie van het rapport van de COR en een eventuele reactie van ons College daarop. De artikelen 10, tweede lid, aanhef en onder d, e en g Wob bieden hiertoe de grondslag.“.

Verweerder heeft bij brief van 7 december 1999 aan eisers naar aanleiding van het verzoek van 6 oktober 1999 en met verwijzing naar het besluit van 28 oktober 1999 (kenmerk JZ.99.1238/Vi/NdH) als volgt nader bericht:

„Wellicht is het echter bij nader inzien toch mogelijk om aan uw verzoek te voldoen.

Het resultaat van de accountantscontrole op de gemeente rekening en de jaarrekeningen van de gemeentelijke diensten en bedrijven is openbaar, alsook de gemeenterekening en de jaarrekeningen. Deze stukken kunnen derhalve zonder toetsing aan de Wet openbaarheid van bestuur beschikbaar worden gesteld.

Als u deze stukken wilt raadplegen gelieve u contact op te nemen met (…).“.

Bij het besluit van 11 februari 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer het volgende overwogen:

„In onze vergadering van 8 februari 2000 hebben wij ons over het advies van de Algemene Beroepscommissie beraden en is besloten overeenkomstig haar advies de bezwaren tegen ons besluit van 28 oktober 1999 ongegrond te verklaren. Voor zover echter het advies inhoudt om de jaargangen van dossiers die voor het onderzoek van de COR niet langer beschikbaar behoeven te zijn, na toetsing aan de Wet openbaarheid van bestuur, openbaar te maken, hebben wij besloten dat onderdeel af te wijzen, omdat wij van mening zijn, dat de COR ongehinderd haar onderzoek moet kunnen voltooien. Om daartoe in staat te zijn heeft zij de beschikking nodig over alle dossiers.

(…)

Tenslotte verwijzen wij naar de gronden waarop ons besluit van 28 oktober 1999 is gebaseerd en die in dat besluit van een uitvoerige motivering zijn voorzien. Naast hetgeen hiervoor is opgemerkt, gelden deze nog in volle omvang. U gelieve deze dan ook als hier herhaald en ingelast te beschouwen.“.

Het rapport van de Commissie tot Onderzoek van de Rekening (hierna: COR), een commissie in de zin van artikel 82 van de Gemeentewet ingesteld bij de door de raad van de gemeente Rotterdam op 16 april 1998 vastgestelde Verordening commissie tot onderzoek van de rekening, is op 17 maart 2000 openbaar gemaakt.

Verweerder heeft na 7 december 1999 en ook na de openbaarmaking van het rapport van de COR geen verdere stukken aan eisers verstrekt.

Verweerder heeft in beroep zijn standpunt gehandhaafd. Daarbij is gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de WOB reeds toereikend is om het bestreden besluit te kunnen dragen, maar dat de overige weigeringsgronden onverkort worden gehandhaafd.

Eisers hebben het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden.

De rechtbank stelt allereerst het volgende vast. Eisers hebben niet gereageerd op de brief van verweerder van 7 december 1999. Voorts heeft verweerder in het verweerschrift uitdrukkelijk aangegeven van oordeel te zijn dat aan het verzoek van 6 oktober 1999 volledig is voldaan en daarbij eisers verzocht kenbaar te maken indien dit anders zou zijn. Eisers hebben zulks niet gedaan. Ook ter zitting hebben eisers niet betwist dat aan het verzoek van 6 oktober 1999 is voldaan. De rechtbank gaat daar dan ook van uit. Voorzover ook het verzoek van 4 oktober 1999 mede op de desbetreffende stukken zag, is dat verzoek in zoverre ook ingewilligd. Derhalve heeft het beroep (nog) slechts betrekking op dat gedeelte van het besluit van 11 februari 2000 waarbij de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek van 4 oktober 1999 is gehandhaafd (hierna: het bestreden besluit).

Met betrekking tot de vraag of verweerder bij het bestreden besluit de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek van 4 oktober 1999 terecht heeft gehandhaafd overweegt de rechtbank, na kennisneming van de betrokken stukken, het volgende.

Stukken van vóór 1989 berusten niet bij verweerder, zodat gelet op artikel 1, aanhef en onder a, van de WOB het verzoek van 4 oktober 1999 daarop niet van toepassing kan zijn.

De stukken waarop de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek van 4 oktober 1999 betrekking heeft, kunnen als volgt worden omschreven:

1. Ordners met rekeningoverzichten met bijlagen (waaronder facturen en andere bonnen) met betrekking tot door de toenmalige burgemeester X (hierna: de burgemeester) en de wethouders in de periode 1989 tot en met 1998 met gemeentelijke creditcards gedane uitgaven betreffende reisbiljetten, overige reiskosten, hotels, restaurants, telefoonkosten, geschenken, kleding en (andere) representatiekosten.

2. Ordners met stukken die enerzijds kopieën bevatten van bepaalde stukken onder 1 en anderzijds aanvullende facturen en andere bonnen. (In die ordners bevinden zich ook bescheiden ten aanzien van andere personen dan de personen op wie het verzoek van 4 oktober 1999 betrekking heeft, in het bijzonder ambtenaren. Die stukken zijn voor het onderhavige geding niet relevant.)

3. Dozen met stukken betreffende de bestuurlijke verantwoording van in het bijzonder de aanleiding voor reizen en andere uitgaven van substantiële omvang, alsmede in sommige gevallen de verantwoording achteraf van gemaakte reizen. (In die dozen bevinden zich ook bescheiden ten aanzien van andere personen dan de personen op wie het verzoek van 4 oktober 1999 betrekking heeft, in het bijzonder ambtenaren, alsmede bescheiden betreffende kosten van door de gemeente gekochte relatiegeschenken, kosten van ontvangsten en recepties e.d.. Ook die stukken zijn voor het onderhavige geding niet relevant.)4. Banden met verslagen van de vergaderingen van verweerder, met daarbij de onderliggende – ambtelijke – nota’s en notities met betrekking tot onder andere de bestuurlijke aanleiding en verantwoording voor in het bijzonder nog te maken of reeds gemaakte reizen. De met A, B en C gemerkte onderdelen van de verslagen zijn openbaar; de met D en D* gemerkte onderdelen zijn geheim respectievelijk zeer geheim. Een deel van deze stukken bevindt zich in kopie ook bij de stukken onder 3. (Uiteraard zijn slechts die verslagen, met bijlagen, relevant die betrekking hebben op uitgaven waarop het verzoek van 4 oktober 1999 betrekking heeft.)

De rechtbank is van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de WOB, anders dan verweerder heeft betoogd, niet ziet op werkzaamheden als die van de COR. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dienen de in de WOB opgenomen weigeringsgronden niet extensief te worden geïnterpreteerd. Blijkens de memorie van toelichting strekt de onderhavige weigeringsgrond ertoe methoden en technieken van onderzoek door bestuursorganen te beschermen met het oog op de daarin genoemde taken. Deze weigeringsgrond moet daarmee worden gezien als de pendant voor het bestuurlijk toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (vgl. artikel 5:11 van de Awb) van de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de WOB. Er is geen aanleiding de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de WOB ook van toepassing te achten op interne inspectie, controle en toezicht binnen een bestuursorgaan of binnen een rechtspersoon of ander lichaam waartoe zowel het inspecterende, controlerende dan wel toezichthoudende (bestuurs)orgaan als de betrokken ambtsdragers en ambtenaren behoren. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de WOB.

Met betrekking tot de overige door verweerder gehanteerde weigeringsgronden (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de WOB) verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2000 (AB 2000, nr. 210). Anders dan eisers hebben gesteld kan niet worden staande gehouden dat de door de onderhavige weigeringsgronden beschermde belangen zich hier in het geheel niet voordoen. Gelet op de aard van die belangen kan er niet aan worden ontkomen om per aangelegenheid en derhalve per document de vraag te beantwoorden of aan die belangen een zodanig gewicht toekomt dat openbaarmaking van de desbetreffende gegevens achterwege mag blijven. Verweerder heeft dat evenwel tot dusverre niet gedaan, maar heeft volstaan met een categorische verwijzing naar de onderhavige weigeringsgronden. Voorzover het bestreden besluit berust op de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de WOB is het daarom, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, eerste volzin, van de Awb, niet deugdelijk gemotiveerd.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Verweerder dient, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eisers. Daarbij wijst de rechtbank erop dat in het stelsel van de WOB openbaarheid regel is. Voorts is van belang dat de Afdeling in haar uitspraak van 25 april 2000 heeft overwogen dat het in ieder geval gerechtvaardigd moet worden geacht dat strikt persoonlijke gegevens als huisadres en privé-bankrekeningnummer worden doorgehaald, alsmede dat – onder omstandigheden – bepaalde gegevens inzake contacten met anderen op een bepaald moment bij gevoelige of actuele kwesties een bestuurder kan belemmeren in diens functioneren. De rechtbank heeft voorshands niet de indruk dat in de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de WOB anderszins significante belemmeringen voor openbaarmaking van de betrokken stukken zijn gelegen.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder voor het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar een termijn te stellen van acht weken. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het weliswaar om een aanzienlijk aantal stukken gaat, maar dat haar is gebleken dat ten aanzien van de stukken onder 1 en 2 de te maken belangenafweging niet gecompliceerd van aard is.

In verband met de nieuwe beslissing op bezwaar is van belang dat verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht dat het openbaar ministerie in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen de burgemeester op grond van artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: WvSv) heeft besloten van vervolging af te zien, maar dat daartegen op dit moment een klachtprocedure op grond van artikel 12 van het WvSv loopt, zodat – aldus verweerder – de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de WOB thans actueel is. De rechtbank wijst er voor de goede orde op dat deze weigeringsgrond – in het midden latend wat daarvan op zichzelf in het onderhavige geval zij – in elk geval niet van toepassing is ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op de andere personen op wie het verzoek van 4 oktober 1999 betrekking heeft.

De rechtbank geeft partijen overigens in overweging om in goed overleg tot een praktische afhandeling van een en ander te komen, waarbij zowel onnodige vervolgprocedures als onnodig werk voor verweerder worden vermeden.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs hebben moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op f 1420,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de dag van verzending van het afschrift van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van eisers tegen de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek van 4 oktober 1999,

bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan eisers het door hen gezamenlijk betaalde griffierecht van f 225,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van f 1420,-- en wijst de gemeente Rotterdam aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eisers moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. Th.G.M. Simons.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. P. de Grooth-Wierenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2001.

.De griffier: .De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende – waaronder in elk geval eisers worden begrepen – en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ‘s-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.