Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AD4388

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-05-2001
Datum publicatie
29-11-2001
Zaaknummer
BOUW 00/1768-KRD
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Bouwbesluit 232
Bouwbesluit 234
Bouwbesluit 234
Bouwbesluit 234
Bouwbesluit 234
Bouwbesluit 234
Bouwbesluit 234
Bouwbesluit 234
Bouwbesluit 234
Bouwbesluit 235
Bouwbesluit 235
Bouwbesluit 235
Woningwet 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2001/52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: BOUW 00/1768-KRD

Uitspraak

in het geding tussen

Hoog-Teilingen B.V./ Kok Bouwgroep B.V., gevestigd te Bergen op Zoom, eiseres,

gemachtigde ir. H.H. van Zeeland,

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hoogvliet, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Eiseres heeft verweerder bij brief van 10 december 1999 verzocht een bouwvergunning te verlenen voor een gewijzigd bouwplan.

Bij besluit van 23 maart 2000 heeft verweerder de gevraagde vergunning geweigerd.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 28 april 2000 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 juli 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) is namens eiseres bij brief van 21 augustus 2000 beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een verweerschrift in te dienen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2001. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.I. Siem en R.C.L. Reget.

2. Overwegingen

In dit geding dient de rechtbank te beoordelen of het bestreden besluit, waarbij eiseresses bezwaren tegen de weigering een vergunning voor het gewijzigde bouwplan te verstrekken ongegrond zijn verklaard, in rechte stand kan houden.

Op grond van de aanwezige stukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiseres heeft op 17 december 1998 een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning voor het oprichten van een rond kantoorgebouw aan de Hoogvlietsekerkweg te Hoogvliet (gemeente Rotterdam). Het betrof een gebouw waarvan de voorportalen van de trappen, gelegen op de eerste tot en met achtste verdieping en gesitueerd in het midden van het gebouw, onopgedeeld waren.

Op 5 juli 1998 heeft er een overleg plaatsgehad tussen de verweerders afdeling Bouw- en Woningtoezicht en eiseres. Naar aanleiding van dit overleg is eiseres (mede op instigatie van de Brand Preventie Commissie) in de gelegenheid gesteld de bij de aanvraag behorende bouwtekeningen aan te passen, in die zin dat de voorportalen op de eerste tot en met achtste verdieping dienden te worden voorzien van een brandwerende scheidingswand van 30 minuten en brandwerende deuren van 60 minuten. Op deze wijze ontstaan twee van elkaar geschieden voorportalen, hetgeen overeen zou komen met het gestelde in artikel 235 van het Bouwbesluit.

Teneinde de bouw van het kantoorgebouw niet verder te stagneren heeft eiseres de aanvraag conform de wensen van de Brand Preventie Commissie aangepast.

Op 31 augustus 1999 heeft verweerder, onder een reeks van voorwaarden, krachtens artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet, aan eiseres de gevraagde bouwvergunning verstrekt.

Tegen dit besluit heeft is namens eiseres bij brief van 21 september 1999 bezwaar gemaakt. Eiseres kan zich niet vinden in de door verweerder gestelde eis dat de voorportalen op de eerste tot en met achtste verdieping opgedeeld moeten worden.

Bij besluit van 6 december 1999 heeft verweerder eiseres in haar bezwaren niet ontvankelijk verklaard, onder de overweging dat eiseres geen belang heeft bij het indienen van een bezwaarschrift, nu de verstrekte bouwvergunning gebaseerd is op een door eiseres zelf ingediende aanvraag. Dat eiseres de wijziging van het oorspronkelijke bouwplan blijkbaar onder protest heeft uitgevoerd doet hier niet aan af.

Vervolgens heeft eiseres, op instigatie van de bezwaarcommissie, verweerder bij brief van 10 december 1999 verzocht een bouwvergunning te verlenen voor een gewijzigd bouwplan. In afwijking van het oorspronkelijke plan zijn in het gewijzigde plan op alle bouwlagen de bouwkundige scheidingen tussen de voorportalen van beide trappenhuizen weggelaten omdat deze scheidingen, volgens eiseres, niet kunnen worden geëist ingevolge het Bouwbesluit.

Bij het primaire besluit van 23 maart 2000 heeft verweerder de gevraagde vergunning geweigerd onder de overweging dat het bouwplan in de gewijzigde vorm niet voldoet aan de gestelde brandveiligheidsvoorschriften van artikel 234, tweede lid, en artikel 235, eerste en tweede lid, van het Bouwbesluit.

Bij het thans bestreden besluit van 20 juli 2000 heeft verweerder eiseresses bezwaren ongegrond verklaard en het primaire besluit onverkort gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat in casu partijen verschillen van mening omtrent de vraag wanneer er sprake is van onafhankelijke vluchtmogelijkheden. In eiseresses opvatting is daarvan - aldus verweerder - ook sprake indien het voorportaal (lifthal) van de trappen op de eerste tot en met achtste verdieping onopgedeeld is. Verweerder is echter van mening dat uit het Bouwbesluit (artikel 235) volgt dat naast de trappenhuizen ook het voorportaal behoort tot de vluchtmogelijkheden. Onder een vluchtmogelijkheid dient namelijk te worden verstaan: de gehele route tot aan het aansluitend terrein die gebruikers van een gebouw bij brand moeten afleggen. Deze route begint volgens verweerder bij de deur naar het voorportaal (lifthal).

Voorts merkt verweerder op dat aan het gestelde vereiste van onafhankelijkheid wordt voldaan indien men via twee routes die nergens door eenzelfde ruimte voeren het gebouw kan verlaten.

In de door eiseres voorgestane situatie van ongedeelde voorportalen dient bij een brand op één van de verdiepingen iedere gebruiker van het gebouw door hetzelfde voorportaal een van de twee naast elkaar gelegen trappenhuizen te bereiken. Van een onafhankelijke vluchtmogelijkheid is - aldus verweerder - in een dergelijke situatie geen sprake. Indien het enkele voorportaal door brand of rook onbruikbaar is geworden, kan immers geen van de twee naast elkaar gelegen trappenhuizen nog bereikt worden.

Verweerder wijst er tevens op dat ingevolge artikel 234, tweede lid, van het Bouwbesluit, tussen een rookcompartiment waarin een verblijfsgebied is gelegen (…) en een toegang tot een besloten verkeersruimte waarin een trap is gelegen waarover een vluchtmogelijkheid voert, een verkeersruimte met een lengte van tenminste twee meter moet zijn gelegen die, indien die ruimte besloten is, als rookcompartiment is ingericht. Verweerder is van mening dat uit dit artikel voortvloeit dat ieder trappenhuis voorzien dient te zijn van een eigen (afzonderlijke) toegangssluis (voorportaal).

Eiseres heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat het gewijzigde bouwplan wél voldoet aan de in het Bouwbesluit opgenomen brandveiligheidsvoorschriften. Daarbij heeft eiseres aangegeven het met verweerder eens te zijn dat een kantoorgebouw in beginsel voorzien dient te zijn van twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden die voldoen aan de status van vluchtweg. Volgens eiseres is thans in geding de vraag of de centrale verkeersruimte, op de bouwtekeningen genummerd als 1.03, 2.03, 3.10 en 8.03, moet worden voorzien van een extra opdeling. Volgens eiseres is dit - ingevolge artikel 234 en 235 van het Bouwbesluit - niet noodzakelijk.

Eiseres wijst er tevens op dat voor een vergelijkbaar bouwplan elders in Nederland wel een bouwvergunning is verkregen. Mede met het oog op de uniforme toepassing van de landelijk geldende technische bouwvoorschriften verzoekt eiseres de rechtbank om het bestreden besluit te vernietigen.

Ter zitting is namens verweerder betoogd dat het bestreden besluit eigenlijk niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, nu het bestreden besluit geen zelfstandig rechtsgevolg bevat, althans geen rechtsgevolg dat niet reeds tot stand was gekomen door de beslissing van 31 augustus 1999. In die beslissing is immers reeds neergelegd de opvatting van zowel aanvrager als verweerder dat de voorportalen opgedeeld behoren te worden teneinde daar over de wettelijk vereiste onafhankelijke vluchtmogelijkheden te kunnen beschikken.

Voor zover de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de wijzigingsaanvraag ontvankelijk acht, merkt verweerder op dat deze afwijzing conform de wettelijke bepalingen, waaronder artikel 234 en 235 van het Bouwbesluit, tot stand is gekomen.

Namens eiseres is ter zitting opgemerkt dat er in het onderhavige kantoorgebouw inmiddels flexibele scheidingswanden in de voorportalen zijn aangebracht, teneinde de beoogde bouwvergunning tijdig te verkrijgen. Vervolgens is een gewijzigde bouwaanvraag is ingediend omdat eiseres van mening is dat de brandwerende scheiding tussen de voorportalen gezien de wettelijke bepalingen niet noodzakelijk is. Eiseres wil middels de huidige beroepsprocedure te weten komen of zij terecht f 400.000,- tot f 600.000,- heeft geïnvesteerd is in de flexibele scheidingswanden.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep overweegt de rechtbank dat in casu sprake is van een verzoek tot wijziging van een bouwvergunning. Gelet op de ingrijpende wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijke bouwaanvraag (zoals nadien gewijzigd) kan niet meer van hetzelfde bouwplan en dus ook niet van een herhaalde bouwaanvraag gesproken worden. Eiseres is derhalve terecht door verweerder ontvangen in haar beroep. De rechtbank ziet dan ook geen reden het beroep van eiseres wegens een niet-ontvankelijk bezwaar gegrond te verklaren.

Inhoudelijk overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Woningwet worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen van woningen, woonketen, woonwagens en andere gebouwen.

De in vorengenoemd artikellid bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Bouwbesluit.

Hoofdstuk VII, titel I, afdeling 1 van het Bouwbesluit bevat nadere bepalingen inzake de brandveiligheid in kantoorgebouwen.

In artikel 232, eerste lid, van het Bouwbesluit is bepaald dat een kantoorgebouw, alsmede een in tabel VI aangegeven gedeelte van een kantoorgebouw is aan te merken als een brandcompartiment.

Ingevolge tabel VI dient te worden verstaan onder een brandcompartiment: één of meer met elkaar in verbinding staande afzonderlijke besloten ruimten waardoor geen vluchtweg voert, met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1000 m².

In artikel 234, eerste lid, van het Bouwbesluit is bepaald dat een brandcompartiment als bedoeld in artikel 232, eerste lid, moet zijn ingedeeld in één of meer rookcompartimenten.

In het tweede lid van artikel 234 is bepaald dat tussen een rookcompartiment waarin een verblijfsgebied is gelegen dat deel uitmaakt van een kantoorgebouw, waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 13 meter boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het kantoorgebouw, en een toegang tot een besloten verkeersruimte waarin een trap is gelegen waarover een vluchtmogelijkheid voert, opdat bij brand vanuit het kantoorgebouw op veilige wijze het aansluitende terrein kan worden bereikt, een verkeersruimte met een lengte van ten minste 2 meter moet zijn gelegen die, indien die ruimte besloten is, als rookcompartiment is ingericht.

In het derde lid van artikel 234 is bepaald dat het tweede lid van overeenkomstige toepassing is ten aanzien van een rookcompartiment waarin een verblijfsgebied is gelegen dat is aangewezen op slechts één verkeersruimte waarin een trap is gelegen waarover een vluchtmogelijkheid voert.

Ingevolge het vierde artikellid mag de afstand tussen een toegang van een rookcompartiment en een punt in een in dat compartiment gelegen verblijfsgebied, gemeten langs de kortste route, niet groter zijn dan 20 meter, met dien verstande dat, indien het rookcompartiment slechts één toegang heeft, de gebruiksoppervlakte van dat compartiment niet groter mag zijn dan 250 m². Bij de bepaling van die route blijft een in een verblijfsgebied gelegen constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, buiten beschouwing.

Het vijfde artikellid bepaalt dat de afstand tussen een toegang van een rookcompartiment en een punt in een in dat compartiment gelegen verblijfsruimte, gemeten langs de kortste route, niet groter mag zijn dan 30 meter.

Ingevolgde het zesde artikellid mag, indien een rookcompartiment slechts één toegang heeft, gemeten langs de kortste route, de afstand tussen die toegang en een toegang van een in dat compartiment gelegen verblijfsruimte niet groter zijn dan 15 meter.

In het zevende artikellid is bepaald dat tussen de vloer ter plaatse van een toegang van een rookcompartiment en een vloer van een in dat compartiment gelegen verblijfsgebied geen groter hoogteverschil aanwezig mag zijn dan 4 meter.

Ingevolge artikel 235, eerste lid van het Bouwbesluit moet een toegang van een rookcompartiment als bedoeld in artikel 234, vierde tot en met zevende lid, zijn gelegen aan het aansluitende terrein of aan een ruimte waardoor twee onafhankelijke vluchtmogelijkheden voeren.

In het tweede lid van artikel 235 is bepaald dat de toegang, in afwijking van het eerste lid, mag zijn gelegen aan een ruimte waardoor één vluchtmogelijkheid voert, indien:

a. de totale gebruiksoppervlakte van de rookcompartimenten die op die ruimte zijn aangewezen, ten hoogste 250 m² is;

b. het rookcompartiment twee toegangen heeft die elk afzonderlijk leiden naar ten minste één onafhankelijke vluchtmogelijkheid, of

c. de vluchtmogelijkheid een vluchtweg is die uitsluitend voert door een verkeersruimte waarin een trap is gelegen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de toelichting op het tweede lid van artikel 234 van het Bouwbesluit blijkt dat in een kantoorgebouw als hier aan de orde, trappenhuizen alleen via zogenoemde toegangssluizen bereikbaar mogen zijn. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de rook die bij een brand is ontstaan, slechts bij uitzondering kan binnendringen in een trappenhuis van een dergelijk gebouw. Ingevolge de bepaling van het tweede lid moet die toegangssluis zijn ingericht als een rookcompartiment met een lengte van ten minste 2 meter. Dat betekent dat tussen het voorportaal of de hal enerzijds en de trappenhuizen anderzijds toegangssluizen gelegen moeten zijn. In de bouwaanvraag van eiseres fungeert het voorportaal/de hal - zijnde een rookcompartiment waarin een verblijfsgebied is gelegen - tevens als toegangssluis, waardoor ook niet voldaan is aan de voorwaarde van onafhankelijkheid van artikel 235, eerste lid, van het Bouwbesluit. Immers, gebruikers moeten via een en hetzelfde voorportaal de trappenhuizen bereiken. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht beslist dat niet voldaan is aan de voorwaarden van het Bouwbesluit en heeft hij terecht geweigerd de gewijzigde bouwaanvraag te honoreren.

Het beroep van eiseres zal om die reden ongegrond worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaard het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Kruisdijk.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. W.G.G. Jepma als griffier, uitgesproken in het openbaar op

1 mei 2001.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.