Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AD4035

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-07-2001
Datum publicatie
08-10-2001
Zaaknummer
AKW 00/414-ZWI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing Koranbesluit in casu in strijd met art. 7 AKW

Eisers zoon (geboren december 1987) volgt vanaf 1 september 1998 onderwijs aan een internaat in Marokko. In verband hiermee heeft eiser tweevoudige kinderbijslag aangevraagd. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen.

De rechtbank acht onvoldoende grond aanwezig voor verweerder om, onder verwijzing naar het Koranbesluit, af te wijken van art. 7, derde lid, onder a, aanhef en ten io, AKW. Het betreft hier immers een kind dat op de peildatum 10 jaar oud was. Bij kinderen van deze leeftijd die in Nederland onderwijs volgen is nimmer sprake van onderwijs dat voorbereidt op enig examen ter verkrijging van een diploma of getuigschrift. Hetgeen verweerder bij brief van 21 augustus 2000 heeft aangegeven als redenen om ook op kinderen die de lagere schoolleeftijd hebben de voorwaarden van het Koranbesluit toe te passen heeft de rechtbank niet kunnen overtuigen van de juistheid hiervan. Integendeel, de door verweerder aangegeven redenen om ook bij kinderen die de lagere schoolleeftijd hebben, de voorwaarde te stellen dat het koranonderwijs voorbereidt op enig examen acht de rechtbank juist in strijd met het rechtsgelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel.

Naar het oordeel van de rechtbank is de toepassing van het Koranbesluit in dit geval dan ook in strijd met art. 7 van de AKW en heeft verweerder het bezwaar tegen de toekenning van enkelvoudige kinderbijslag met ingang van 1 oktober 1998 ten onrechte ongegrond verklaard.

De Sociale Verzekeringsbank, verweerder.

mr. P. van Zwieten

AKW 7.1.b, 7.3.a.i

Besluit koranonderwijs AKW/ANw (besluit van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank van 26 september 1997, Stcrt. 1997, 187, Koranbesluit) 1

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet 7
Algemene Kinderbijslagwet 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: AKW 00/414-ZWI

Uitspraak

in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. H. Vijftigschild, medewerker van het Buro voor Rechtshulp te Rotterdam,

en

de Sociale Verzekeringsbank te Rotterdam, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 7 september 1998 heeft eiser aan verweerder gemeld dat zijn zoon X, geboren […] december 1987, met ingang van 1 september 1998 vanwege studieredenen uitwonend is geworden.

Bij besluit van 1 juli 1999 heeft verweerder eiser medegedeeld dat aan hem met ingang van 1 oktober 1998 enkelvoudige kinderbijslag in het kader van de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: AKW) wordt toegekend voor X.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 juli 1999 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 januari 2000 (kenmerk 462.091.392) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 23 februari 2000 (ingekomen bij de rechtbank op 24 februari 2000) beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 25 april 2000 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2000. Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder is met kennisgeving niet verschenen.

Het onderzoek in deze zaak is op 4 augustus 2000 heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen zijn besluit nader toe te lichten.

Verweerder heeft bij brief van 21 augustus 2000 een reactie gegeven.

Partijen hebben desgevraagd toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting.

2. Overwegingen

In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij het bezwaar tegen de toekenning van enkelvoudige kinderbijslag met ingang van 1 oktober 1998 ten behoeve van het kind X ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder b, van de AKW heeft de verzekerde overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor een eigen kind, een aangehuwd kind en een pleegkind dat jonger is dan 18 jaar en door hem in belangrijke mate wordt onderhouden.

Ingevolge artikel 7, derde lid, onder a, aanhef en ten i°, van de AKW wordt een kind, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, voor het vaststellen van het aantal kinderen voor wie recht op kinderbijslag bestaat voor twee kinderen geteld, indien het door de verzekerde grotendeels wordt onderhouden en jonger is dan 16 jaar en door of in verband met het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding niet tot het huishouden van de verzekerde noch als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind, tot het huishouden van een ander behoort.

Ingevolge artikel 7, tiende lid, van de AKW kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van de voorgaande leden.

Ingevolge artikel 1 van het Besluit koranonderwijs AKW/Anw (besluit van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank van 26 september 1997, Stcrt. 1997, 187, hierna: Koranbesluit) zal de beoordeling of een kind dat onderwijs volgt aan een école of mosquée coranique in Marokko kan worden aangemerkt als onderwijs volgend in de zin van artikel 7, derde lid onder a, aanhef en ten io van de AKW plaatsvinden op een wijze zoals is beschreven in de bijlage welke bij dit besluit is gevoegd.

In de bijlage bij dit besluit (hierna: Bijlage) is vermeld dat het volgen van onderwijs in Marokko aan een école of mosquée coranique, dat niet voorbereidend is op enig examen, resulterend in een diploma of getuigschrift, verder te noemen koranonderwijs, met ingang van 1 oktober 1997 niet wordt aangemerkt als het volgen van onderwijs in de zin van de AKW.

Aan de gedingstukken ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

De zoon van eiser, X, volgt vanaf 1 september 1998 onderwijs aan een internaat, de 'Y' te Z in Marokko. In verband hiermee heeft eiser tweevoudige kinderbijslag aangevraagd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het onderwijs dat X volgt geen onderwijs in de zin van de AKW is, omdat uit een door de sociaal attaché van de Nederlandse ambassade ingesteld onderzoek blijkt dat het gevolgde onderwijs niet wezenlijk afwijkt van het koranonderwijs zoals beschreven in het Koranbesluit. Dit betekent dat er geen recht bestaat op tweevoudige kinderbijslag.

Eiser is van mening dat aan de voorwaarden voor tweevoudige kinderbijslag is voldaan. Volgens eiser is het onderwijs dat aan de desbetreffende instelling wordt gegeven wel degelijk gericht op het behalen van rapportcijfers en een diploma. Eiser heeft in dit verband naar verklaringen van de school verwezen.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een toelichting te geven op de eis dat het onderwijs volgens het Koranbesluit voorbereidend dient te zijn op enig examen, resulterend in een diploma of getuigschrift, wil er sprake zijn van onderwijs in de zin van de AKW, in verband met de leeftijd van X.

Bij brief van 21 augustus 2000 heeft verweerder de rechtbank bericht dat het hanteren van soepeler voorwaarden voor kinderen jonger dan 16 jaar zou betekenen dat het recht op tweevoudige kinderbijslag bij het bereiken van de 16-jarige leeftijd abrupt wordt beëindigd, omdat bijvoorbeeld niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat het onderwijs voorbereidend moet zijn op enig examen ter verkrijging van een diploma of getuigschrift. In situaties waarin het kind van een verzekerde koranonderwijs volgt, vindt geen verdere beoordeling plaats dan deze beoordeling. De reden dat aan deze vorm van onderwijs een apart besluit is gewijd, is dan ook niet gelegen in afwijkende voorwaarden die verweerder stelt teneinde dit onderwijs aan te merken als onderwijs in de zin van de AKW, maar heeft volgens verweerder daarentegen alles te maken met de eisen die voortvloeien uit het rechtsgelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank acht onvoldoende grond aanwezig voor verweerder om, onder verwijzing naar het Koranbesluit, af te wijken van artikel 7, derde lid, onder a, aanhef en ten io, van de AKW. Het betreft hier immers een kind dat op de peildatum 10 jaar oud was. Bij kinderen van deze leeftijd die in Nederland onderwijs volgen is nimmer sprake van onderwijs dat voorbereidt op enig examen ter verkrijging van een diploma of getuigschrift. Hetgeen verweerder bij brief van 21 augustus 2000 heeft aangegeven als redenen om ook op kinderen die de lagere schoolleeftijd hebben de voorwaarden van het Koranbesluit toe te passen heeft de rechtbank niet kunnen overtuigen van de juistheid hiervan. Integendeel, de door verweerder aangegeven redenen om ook bij kinderen die de lagere schoolleeftijd hebben, de voorwaarde te stellen dat het koranonderwijs voorbereidt op enig examen acht de rechtbank juist in strijd met het rechtsgelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel.

Naar het oordeel van de rechtbank is de toepassing van het Koranbesluit in dit geval dan ook in strijd met artikel 7 van de AKW en heeft verweerder het bezwaar tegen de toekenning van enkelvoudige kinderbijslag met ingang van 1 oktober 1998 ten onrechte ongegrond verklaard.

De door eiser aangevoerde gronden behoeven derhalve geen bespreking meer.

Het beroep dient gegrond verklaard te worden. Het bestreden besluit dient wegens strijd met de wet vernietigd te worden.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op f 1420,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van f 60,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van f 1420,--; bepaalt dat, nu aan eiser een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (Rabobankrekening 19 23 25 892) worden betaald.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van Zwieten.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. H.T. van de Erve als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2001.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.