Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AD3561

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-05-2001
Datum publicatie
18-09-2001
Zaaknummer
VTELEC 01/589-SIMO, VTELEC 01/590-SIMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Algemene wet bestuursrecht 6:3
Frequentiebesluit
Frequentiebesluit 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

President

Reg.nrs.: VTELEC 01/589-SIMO

VTELEC 01/590-SIMO

Uitspraak

naar aanleiding van de verzoeken om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedures tussen

1. Vereniging van Niet-Landelijke Commerciële Radio-Omroepen, gevestigd te Amsterdam, verzoekster 1;

2. Sun FM B.V., gevestigd te Rotterdam, verzoekster 2,

gemachtigde mr. Th.A.M. Richard, advocaat te Amsterdam,

en

de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde mr. A.J. Boorsma, advocaat te Den Haag.

1. Ontstaan en loop van de procedures

Bij brief van 14 maart 2001 is namens - onder anderen - verzoeksters bezwaar gemaakt tegen het "impliciet negatieve besluit" van verweerder op de brief namens verzoekster 1 van 13 november 2000.

Bij brieven van 14 maart 2001 respectievelijk 15 maart 2001 heeft de gemachtigde van verzoeksters de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 17 mei 2001 heeft de gemachtigde van verzoeksters de verzoeken aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2001. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van een bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

Verweerder en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: OC&W) zijn reeds gedurende enige tijd bezig voorbereidingen te treffen voor de integrale herverdeling van het frequentiespectrum voor de publieke en de commerciële radio-omroep, ook wel aangeduid als zero base. In dat kader heeft verweerder bij brief van 19 mei 2000 aan de Tweede Kamer de resultaten van het technisch onderzoek naar - kort gezegd - de voor verdeling beschikbare frequenties toegezonden en hebben de staatssecretaris van OC&W en verweerder bij brief van eveneens 19 mei 2000 de Tweede Kamer op de hoogte gesteld van het kabinetsstandpunt inzake zero base. Vervolgens is de verdere, praktische uitwerking van het kabinetsstandpunt ter hand genomen.

Bij brief van 13 november 2000 is namens verzoekster 1 aan verweerder verzocht "zonder enig dralen, (i) de opdracht te verstrekken tot het op de kortst mogelijke termijn (doen) verrichten van het bedoelde en door U toegezegde modificatie-onderzoek, (ii) de resultaten daarvan onverkort te (doen) integreren in het reeds lopende internationale coördinatieproces voor de 0-base vergunningverlening en (iii) zorg te dragen dat een evenwichtige dekking in Nederland voor de niet landelijke commerciële radio-omroep gewaarborgd blijft, ook na implementatie van de 0-base vergunningverlening, door het meenemen van de verwachte nieuwe frequenties uit het modificatie-onderzoek in de voorgenomen hangende verdeling per september 2001" en is kenbaar gemaakt dat verzoekster 1 "ten spoedigste de onvoorwaardelijke bevestiging hiertoe van Uw besluiten" wenst te ontvangen.

Bij brief van 2 februari 2001 heeft verweerder de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot zero base.

Verweerder heeft niet schriftelijk gereageerd op de brief van 13 november 2000. Wel heeft tijdens het zogeheten OPT-overleg van 19 februari 2001 een vertegenwoordiger van verweerder mondeling kenbaar gemaakt dat verweerder niet zal voldoen aan het in die brief vervatte verzoek om een - schriftelijke - bevestiging.

Vervolgens is op 14 maart 2001 bezwaar gemaakt tegen het "impliciet negatieve besluit" van verweerder op de brief van 13 november 2000 en zijn op 14 maart 2001 respectievelijk 15 maart 2001 de verzoeken om voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek van verzoekster 1 strekt er - zakelijk weergegeven - toe verweerder te gebieden alle ongebruikte FM-frequenties die zijn voortgekomen uit het bij brief van 19 mei 2000 aan de Tweede Kamer aangeboden technisch onderzoek en het aansluitend daarop gedane modificatie-onderzoek uitsluitend ten behoeve van de niet-landelijke commerciële radio-omroepen te gebruiken, althans verweerder te gebieden zorg te dragen voor een evenwichtige dekking in Nederland voor de niet-landelijke commerciële radio-omroepen ook na de implementatie van zero base. Het verzoek van verzoekster 2 is specifiek gericht op (frequenties in) het verzorgingsgebied Rotterdam, waarin zij als niet-landelijke commerciële radio-omroep actief is.

Bij brief van 23 maart 2001 hebben verweerder en de staatssecretaris van OC&W aan de Tweede Kamer het rapport van de Commissie Commerciële Radiofrequenties (commissie-Bouw) aangeboden, vergezeld van een - voorlopig - kabinetsstandpunt.

Vervolgens heeft de gemachtigde van verzoeksters op 17 mei 2001 de verzoeken om voorlopige voorziening aangevuld, in die zin dat - zakelijk weergegeven - tevens wordt gevorderd verweerder te verbieden FM-frequenties die blijkens de brieven aan de Tweede Kamer van 19 mei 2000 en 2 februari 2001 waren bestemd voor niet-landelijke commerciële radio-omroepen, te bestemmen voor publieke radio-omroepen dan wel landelijke commerciële radio-omroepen.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeksters nog naar voren gebracht dat het bezwaar moet worden geacht mede te zijn gericht tegen de brief aan de Tweede Kamer van 23 maart 2001 en dat de verzoeken om voorlopige voorziening derhalve ook mede daarop betrekking hebben.

De president ziet zich, nu niet in geschil is dat in elk geval geen sprake is van een schriftelijke weigering een besluit te nemen (artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb), bij de beoordeling van de verzoeken om voorlopige voorziening allereerst gesteld voor de vraag of het bezwaar van verzoeksters al dan niet is gericht tegen een besluit (artikel 1:3, eerste lid, Awb) dan wel tegen het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb).

De president beantwoordt, met verweerder, die vraag ontkennend.

Hetgeen in de brief van 13 november 2000 aan verweerder is verzocht strekt niet tot het nemen van enig, in de Telecommunicatiewet of het Frequentiebesluit zijn grondslag vindend, besluit. Het verstrekken van een onderzoeksopdracht is geen publiekrechtelijke rechtshandeling. Hetgeen in de brief van 13 november 2000 overigens is verzocht heeft betrekking op een besluit dat eerst kan worden genomen in het kader van de procedure van artikel 3 van het Frequentiebesluit, welke procedure gelet op artikel 3, eerste lid, eerste volzin, van het Frequentiebesluit nog niet is aangevangen. Onderdeel van die procedure is ingevolge artikel 3, derde lid, van het Frequentiebesluit immers "een beschrijving (…) van de frequentieruimte waarop de te verlenen vergunning betrekking heeft", waaronder - zoals van de zijde van verweerder ter zitting is bevestigd - in elk geval zijn begrepen de vaststelling van het aantal te verlenen vergunningen, de omvang van de frequentieruimte per te verlenen vergunning en ook de bestemming van de frequentieruimte per te verlenen vergunning. Op dit moment is derhalve het verrichten van enige publiekrechtelijke rechtshandeling terzake - nog - niet aan de orde. Of het hiervoor bedoelde besluit op grond van artikel 3, derde lid, van het Frequentiebesluit al dan niet vatbaar is voor bezwaar en beroep, is voor de beoordeling in de onderhavige zaken niet van belang.

Voorzover verzoeksters hebben willen betogen dat de beslissingen waarom is verzocht desondanks op grond van artikel 6:3 van de Awb vatbaar zijn voor bezwaar en beroep omdat zij strekken ter voorbereiding van de - uiteindelijke - besluiten op grond van artikel 3.3 van de Telecommunicatiewet tot verlening van de vergunningen, kan de president hen hierin niet volgen. Artikel 6:3 van de Awb strekt immers - anders dan verzoeksters lijken te veronderstellen - niet tot het vatbaar maken voor bezwaar en beroep van bepaalde beslissingen van bestuursorganen die geen besluiten zijn, maar - integendeel - tot het uitsluiten van bezwaar en beroep tegen bepaalde beslissingen die wèl besluiten zijn. Deze bepaling is hier derhalve niet aan de orde.

Nu hetgeen waarom in de brief van 13 november 2000 is verzocht geen besluiten zijn, kan van het niet tijdig nemen van enig besluit geen sprake zijn.

De stellingname dat het bezwaar geacht moet worden mede te zijn gericht tegen de brief aan de Tweede Kamer van 23 maart 2001 kan niet worden aanvaard. Er is geen enkel stuk van de zijde van verzoeksters op grond waarvan zulks zou kunnen worden aangenomen. Overigens kan - ook die brief niet worden aangemerkt als een besluit.

Voorzover verzoeksters hebben beoogd te stellen dat artikel 6:20, derde en vierde lid, van de Awb ten aanzien van de brief van 23 maart 2001 van toepassing is, stuit dit betoog af op het hiervoor overwogene.

Het bezwaar van verzoeksters zal derhalve niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Daaruit volgt dat de verzoeken om voorlopige voorziening dienen te worden afgewezen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de president geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De president,

recht doende:

wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. Th.G.M. Simons als president.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. A. Gerbrandy als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2001.

De griffier: De president:

Afschrift verzonden op: