Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AD3470

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-06-2001
Datum publicatie
10-09-2001
Zaaknummer
RVVNL 00/2267-VRH
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1.Awb: Aanhoudingsbeslissing op verzoek tot verlening van het Nederlanderschap is een besluit in de zin van de Awb.

2. Aanhoudingsbeslissing op verzoek tot verlening Nederlanderschap niet onredelijk. Niet voldaan aan inburgeringsvereiste.

Aanhouding beslissing op verzoek eiseres om naturalisatie tot Nederlander omdat eiseres nog niet voldoet aan het taalvereiste. Aan de uitspraken van de ABRS van resp. 06-11-1995 (zaaknr. R02.93.6805, LJN AD3487) en 28-09-1999 (zaaknr. H01.99.0401, LJN AD3470) in vergelijkbare zaken ontleent de Rb. het oordeel dat, hoewel in de rechtsoverwegingen van deze uitspraken hieromtrent niets is vermeld, een beslissing tot aanhouding van een verzoek tot verlening van het Nederlanderschap dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb.

2. Het door verweerder gehanteerde beleid terzake is in overeenstemming met doel en strekking van de Rijkswet en overigens niet onredelijk. Verweerder heeft in dit geval tot het oordeel kunnen komen dat eiseres over onvoldoende kennis van de Nederlandse taal beschikt, zodat daarom nog geen sprake is van inburgering in de Nederlandse samenleving. Eiseres heeft evenmin aangetoond dat zij zich gedurende de ruim vijf jaar van haar verblijf in Nederland in die mate heeft ingespannen om kennis van het Nederlands te verkrijgen, dat redelijkerwijs gewaarborgd is dat die kennis in de toekomst verder zal uitgroeien. Geen bijzondere omstandigheden ex art. 10 Rijkswet. Verweerder heeft in redelijkheid het verzoek van eiseres voor zes maanden aangehouden ten einde haar in de gelegenheid te stellen zich het Nederlands beter eigen te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudge kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: RVVNL 00/2267-VRH

Uitspraak

in het geding tussen

A, wonende te B, eiseres, gemachtigde mr. M.J. Blorn, advocaat te Spijkenisse,

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 4 februari 2000 heeft eiseres een verzoek om naturalisatie tot Nederlander ingediend.

Bij besluit van 31 maart 2000 heeft verweerder de beslissing op het verzoek van eiseres voor een periode van zes maanden aangehouden.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 8 april 2000 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 25 oktober 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 30 oktober 2000 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 12 december 2000 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2001. Eiseres en haar gemachtigde waren niet aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw drs. Y. P. M. Daverveldt.

Bij beslissing van 2 april 2001 heeft de rechtbank het onderzoek heropend.

Verweerder heeft bij brief van 17 april 2001 desgevraagd nadere inlichtingen verstrekt.

Gelet op de ingevolge artikel 8: 57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) door eiseres en verweerder verleende toestemming, bepaalt de rechtbank dat een nieuw onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Overwegingen

In dit geding dient de rechtbank te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

Eiseres, geboren op […] 1955 in Bosnië-Herzegovina, verblijft sinds 4 maart 1995 in Nederland en heeft zich blijkens de bevolkingsadministratie van de gemeente B sedert 5 maart 1996 in die gemeente gevestigd.

Naar aanleiding van het verzoek van eiseres tot naturalisatie heeft een gesprek plaatsgevonden met eiseres en de Dienst burgerzaken van de gemeente B (hierna: Burgerzaken). Vervolgens heeft Burgerzaken op 15 februari 2000 verweerder geadviseerd het verzoek van eiseres aan te houden, omdat eiseres nog niet voldoet aan het taalvereiste en daartoe een cursus gaat volgen. Naar aanleiding van het advies van Burgerzaken heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat hij niet heeft kunnen vaststellen dat eiseres voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie, gesteld in artikel 8, eerste lid, onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Rijkswet). Het betreft met name de voorwaarde, dat eiseres dient te beschikken over een redelijke kennis van de Nederlandse taal en is ingeburgerd in de Nederlandse samenleving. Op grond hiervan wordt de beslissing op het verzoek tot naturalisatie aangehouden voor een periode van zes maanden om eiseres in de gelegenheid te stellen de Nederlandse taal te leren.

Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen de beslissing tot aanhouden van haar verzoek tot naturalisatie heeft op 26 september 2000 een hoorzitting plaatsgevonden. Eiseres is daar verschenen met een vriendin. Aan eiseres zijn -enige vragen gesteld met betrekking tot het dagelijkse leven in Nederland.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Verweerder heeft daartoe overwogen dat tijdens de hoorzitting is gebleken dat eiseres nog moeite heeft met het verstaan en spreken van de Nederlandse taal. Gelet hierop kan naar de mening van verweerder niet gesproken worden van inburgering in de Nederlandse samenleving. Niet is gebleken dat eiseres zich gedurende haar verblijf hier te lande gedurende feitelijk bijna zes jaar voldoende moeite heeft getroost om de Nederlandse taal te leren spreken en te verstaan. Zij heeft een taalcursus van slechts vier maanden gevolgd. Onzeker is of zij deze cursus nog zal voortzetten. Voorts heeft eiseres niet met schriftelijke bewijzen aangetoond dat zij in 1996/1997 reeds een cursus Nederlands heeft gevolgd. Evenmin heeft eiseres medische verklaringen overgelegd, waaruit kan blijken dat zij (blijvend) niet in staat moet worden geacht de Nederlandse taal te leren.

In beroep heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat eiseres zich geen moeite heeft getroost de Nederlandse taal te leren spreken en te verstaan. Eiseres heeft een verklaring van een taalinstituut overgelegd, waaruit kan blijken dat zij sinds 5 februari 2000 een individuele cursus Nederlandse taalvaardigheid volgt. Vanwege financiële omstandigheden, welke niets te maken hebben met eiseres zelf, heeft zij deze cursus nog maar vier maanden gevolgd. Waarschijnlijk, indien de subsidiëring gegarandeerd wordt, zal zij de cursus na oktober 2000 weer voortzetten. Voorts stelt eiseres regelmatig moeilijkheden te hebben met het aanleren van de Nederlandse taal in verband met duizelingen en rugpijn als gevolg van een verkeerde behandeling met hormonen in Kroatië.

De rechtbank overweegt als volgt.

Allereerst heeft de rechtbank -ambtshalve toetsend- bezien of verweerder het bezwaar van eiseres terecht ontvankelijk heeft verklaard. In dit kader acht de rechtbank met name van belang of de beslissing van verweerder om het verzoek van eiseres tot verlening van het Nederlanderschap aan te houden kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. Uit artikel 7:1 in samenhang met artikel 8:1 van de Awb volgt immers dat bezwaar slechts openstaat tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb dan wel tegen een op grond van artikel 6:2 van de Awb met een besluit gelijk te stellen (fictieve) weigering een besluit te nemen.

Aan de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van respectievelijk 6 november 1995 (zaaknr. R02.93.6805) en 28 september 1999 (zaaknr. H01.99.0401) in vergelijkbare zaken ontleent de rechtbank het oordeel dat, hoewel in de rechtsoverwegingen van deze uitspraken hieromtrent niets uitdrukkelijk is vermeld, een beslissing tot aanhouding van een verzoek tot verlening van het Nederlanderschap dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. Nu ookoverigens niet is gebleken dat niet is voldaan aan de vereisten voor het in behandeling nemen van het bezwaar, heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet ten onrechte ontvankelijk verklaard.

Ten aanzien van het materiële besluit overweegt de rechtbank het volgende.

Artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet luidt als volgt:

"Met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk verlenen Wij op voordracht van onze Minister het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken."

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet -voor zover hier van belang- komen voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking verzoekers, die in de Nederlandse samenleving als ingeburgerd kunnen worden beschouwd op grond van het feit dat zij beschikken over een redelijke kennis van de Nederlandse taal en zij zich ook overigens in de Nederlandse samenleving hebben doen opnemen.

Op grond van artikel 9, derde lid, van de Rijkswet kan -voor zover hier van belang- de beslissing op het verzoek tot verkrijging van het Nederlanderschap ten hoogste twee maal zes maanden worden aangehouden.

In artikel 10 van de Rijkswet is, samengevat, bepaald dat in bijzondere gevallen het Nederlanderschap kan worden verleend in afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d.

Verweerder heeft zijn beleid met betrekking tot -onder meer- de invulling en toepassing van de in de Rijkswet gehanteerde criteria neergelegd in de Circulaire van de Minister van justitie, kenmerk 763352/99/IND, Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Handleiding RN). Blijkens de Handleiding RN dient het begrip "inburgering" zoals genoemd in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet om een ontwikkelingsproces aan te duiden, dat leidt tot een daadwerkelijke participatie in de samenleving die men heeft aanvaard en waarin men zijn weg kan vinden. Een verzoeker moet in staat zijn ook met anderen te communiceren. Aangezien de taal het belangrijkste communicatiemiddel is, is voldoende beheersing van het Nederlands een kenmerk van inburgering. Van een "redelijke kennis van de Nederlandse taal" kan worden gesproken als een verzoeker de Nederlandse taal kan spreken en verstaan, minimaal een eenvoudig gesprek in het Nederlands over alledaagse dingen kan voeren. Is een verzoeker nog niet in staat tot een eenvoudig gesprek in het Nederlands, maar kan hij aantonen dat hij zich wel heeft ingespannen, bijvoorbeeld omdat hij een cursus Nederlands heeft gevolgd en er een verklaring wordt overgelegd waaruit blijkt dat de lessen frequent zijn bezocht, dan kan dit tot toewijzing van zijn verzoek leiden ook al is de cursus niet met succes afgerond. Wat betreft de kennis van de Nederlandse taal is het beleid dat, indien onderzoek uitwijst dat die kennis nog onvoldoende is, het niet direct tot een afwijzing hoeft te leiden. In die gevallen wordt het verzoek aangehouden ten einde betrokkene in de gelegenheid te stellen zich het Nederlands beter eigen te maken.

Dit beleid van verweerder acht de rechtbank in overeenstemming met het doel en de strekking van de Rijkswet en overigens ook niet onredelijk.

Gelet op het voorgaande mag van eiseres worden verwacht dat zij voldoende kennis bezit van de Nederlandse taal om minimaal een eenvoudig gesprek in het Nederlands over dagelijkse dingen te voeren dan wel dat zij aantoont dat zij zich heeft ingespannen om die kennis te verkrijgen dan wel anderszins sprake is van een zodanige mate van kennis van de Nederlandse taal dat redelijkerwijs gewaarborgd is dat die kennis in de toekomst verder zal uitgroeien.

In het advies van Burgerzaken van 15 februari 2000 is aangegeven dat eiseres niet voldoet aan het taalvereiste en dat zij een cursus gaat volgen. Ook uit het verslag van de in het kader van de bezwaarprocedure gehouden hoorzitting blijkt dat eiseres (nog) moeite heeft eenvoudige, in het Nederlands aan haar gestelde vragen zonder tolk te begrijpen en deze vragen in het Nederlands te beantwoorden. Niet kan worden gezegd dat verweerder op grond van deze informatie niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat eiseres over onvoldoende kennis van de Nederlandse taal beschikt, zodat daarom nog geen sprake is van inburgering in de Nederlandse samenleving.

Evenmin heeft eiseres met bewijsstukken aangetoond dat zij zich gedurende de ruim vijf jaar van haar verblijf in Nederland in die mate heeft ingespannen om kennis van het Nederlands te verkrijgen, dat redelijkerwijs gewaarborgd is dat die kennis in de toekomst verder zal uitgroeien. Weliswaar heeft eiseres een verklaring van een taalinstituut van 6 april 2000 overgelegd, maar daaruit blijkt slechts dat zij sinds 5 februari 2000, derhalve gedurende twee maanden, gedurende drie dagdelen per week deelneemt aan een individuele cursus Nederlandse taalvaardigheid. Deze cursus heeft eiseres, naar eigen zeggen, overigens maar vier maanden gevolgd. Tevens is, eveneens naar eigen zeggen van eiseres, onzeker of zij deze cursus zal voortzetten.

Gelet op voorgaande moet worden geconcludeerd dat eiseres (nog) niet voldoet aan het gestelde in artikel 8, eerste lid, onder d, van de Rijkswet, zodat zij (nog) niet in aanmerking komt voor verlening van het Nederlanderschap.

Voorts merkt de rechtbank op dat eiseres haar stelling dat zij op grond van medische klachten beperkingen ondervindt bij het aanleren van de Nederlandse taal niet, bijvoorbeeld middels een medische verklaring, nader heeft onderbouwd. Van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 10 van de Rijkswet is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake, zodat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om in afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d., van voornoemde wet aan eiseres het Nederlanderschap te verlenen.

Onder deze omstandigheden is het beleid van verweerder erop gericht het verzoek tot naturalisatie niet direct af te wijzen, maar gebruik te maken van de mogelijkheid die de Rijkswet in artikel 9, derde lid, biedt om het verzoek voor zes maanden aan te houden. Nu verweerder geheel in lijn met hetgeen daaromtrent in de Handleiding RN is vermeld heeft besloten het verzoek van eiseres voor zes maanden aan te houden ten einde haar in de gelegenheid te stellen zich het Nederlands beter eigen te maken, kan niet worden gezegd dat verweerder in redelijkheid niet tot een dergelijk besluit heeft kunnen komen.

Ook overigens - en binnen de grenzen van artikel 8:69, eerste en tweede lid, van de Awb- is de rechtbank niet gebleken van strijd met enige geschreven dan wel ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep van eiseres ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.G. Verhoeff. De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. P. de Grooth-Wierenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2001

De rechter

Afschrift verzonden op: 29 juni 2001

Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiseres wordt begrepen en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.