Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AB3314

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-06-2001
Datum publicatie
27-08-2001
Zaaknummer
VWW44 00/2660 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Tegen voorbereidingsbesluit staat ook in het geval dat art. 19, vierde lid WRO van toepassing is bezwaar en beroep open.

Besluit als bedoeld in art. 21 WRO dat een herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied, tweede herziening” wordt voorbereid. Aanleiding voor het nemen van het voorbereidingsbesluit is de aanvraag voor het oprichten van een bakkerij op het bedrijfsterrein.

Sedert 3 april 2000 staat art. 21 WRO niet langer op de negatieve lijst en is het derhalve mogelijk tegen een voorbereidingsbesluit bezwaar te maken en beroep in te stellen.

Door het vierde lid van art. 19 WRO is het voorbereidingsbesluit als procedureel vereiste voor het verlenen van vrijstelling ingevolge het eerste lid teruggekeerd, zij het beperkt tot gevallen dat het bestemmingsplan ouder is dan 10 jaar en gedeputeerde staten geen vrijstelling ingevolge art. 33, tweede lid WRO hebben verleend. Het is dan ook de vraag of het voorbereidingsbesluit in dat verband wel een zelfstandig karakter heeft en een aparte regeling van de rechtsbescherming derhalve in de rede ligt. De wetgever heeft aan het aanvaarden van het amendement Van Dok c.s., waarmee het vierde lid van art. 19 WRO in de wet is opgenomen, echter geen gevolgen verbonden, zodat een belanghebbende ook in het geval als het onderhavige tegen een voorbereidingsbesluit bezwaar kan maken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:5
Wet op de Ruimtelijke Ordening 21
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

President

Reg.nr.: VWW44 00/2660 ZWI

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen

A B.V., gevestigd te B, verzoekster,

gemachtigde H. de Hoog

en

de raad der gemeente Bleiswijk, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 19 oktober 2000 heeft verweerder verklaard dat een herziening van het bestemmingsplan 'Buitengebied, tweede herziening" wordt voorbereid en bepaald dat het besluit in werking treedt met ingang van 9 november 2000 alsmede verklaard er mee in te stemmen dat burgemeester en wethouders procedures voeren die uiteindelijk kunnen leiden tot het verlenen van de gevraagde bouwvergunningen.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoekster bij brief van 30 november 2000 bezwaar gemaakt.

Voorts heeft verzoekster bij brief van eveneens 30 november 2000 de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2001. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting niet laten vertegenwoordigen.

Op 20 maart 2001 heeft de president het onderzoek in deze zaak heropend. Met toestemming van partijen heeft de president bepaald dat het (nadere) onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist

Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak

Aanleiding voor het nemen van het bestreden besluit is de aanvraag van Bakkerij Ammerlaan B.V. voor het oprichten van een bakkerij op het bedrijfsterrein "De Hoefslag", welke is ingediend op 27 juli 2000. Deze bouwaanvraag is in strijd met het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied, tweede herziening" waarin het betreffende perceel een agrarische bestemming heeft. Bij voorstel van 20 september 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders verweerder voorgesteld ter zake een voorbereidingsbesluit te nemen zodat vooruitlopend op het nieuwe bestemmingsplan de oprichting van de bakkerij kan worden gerealiseerd. Verweerder heeft vervolgens het thans bestreden besluit genomen.

Wettelijk kader

Artikel 19 van de WRO, luidt sedert 3 april 2000 - voor zover thans relevant - als volgt:

"1. De gemeenteraad kan, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders..

4. Vrijstelling krachtens het eerste lid wordt niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor.

a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of

b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 21 van de WRO kan de gemeenteraad verklaren, dat een bestemmingsplan wordt voorbereid (voorbereidingsbesluit).

Beoordeling van het geschil

De president overweegt ten eerste dat in artikel 8:5 van de Awb is bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze wet behoort (negatieve lijst). Sedert 3 april 2000 staat artikel 21 van de WRO niet langer op de negatieve lijst en is het derhalve mogelijk tegen een voorbereidingsbesluit bezwaar te maken en vervolgens beroep in te stellen.

De reden om artikel 21 van de WRO bij inwerkingtreding van de Awb op de negatieve lijst te plaatsen, was gelegen in het feit dat een voorbereidingsbesluit vrijwel altijd genomen werd met het oog op een vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19 van de WRO oud, en veelal in samenhang met de anticiperende vergunningprocedure van artikel 50 van de Woningwet of artikel 46 van de WRO. Degene die door het nemen van of het weigeren van een voorbereidingsbesluit in zijn belangen getroffen was, kon deze vervolgens bij de bestuursrechter aanvechten in samenhang met het besluit inzake vrijstelling c.q. bouw- of aanlegvergunning. Op deze wijze werd cumulatie van rechtsbescherming voorkomen, zonder dat een burger onredelijk in zijn rechten werd gekort.

Blijkens de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de WRO is de reden om artikel 21 van de WRO van de negatieve lijst te schrappen, gelegen in het feit dat met de verzelfstandiging van de procedure van artikel 19 van de WRO sedert 3 april 2001, in samenhang met artikel 50 van de Woningwet en artikel 46 van de WRO, bij het verlenen van vrijstelling het procedurele vereiste van het nemen van een voorbereidingsbesluit is komen te vervallen. Daarmee herkrijgt het voorbereidingsbesluit weer volledig zijn oorspronkelijke materiële functie als beschermingsinstrument door aanhouding van bouw- en aanlegvergunningen. Artikel 21 zal voortaan niet meer in overwegende mate gepaard gaan met toepassing van artikel 19 van de WRO. De rechtsbescherming tegen artikel 19 van de WRO zal dan ook niet meer mede aanleiding kunnen geven om bij bezwaar en beroep in dat kader tevens het voorbereidingsbesluit als grondslag voor de toepassing van artikel 19 te betrekken. Het voorbereidingsbesluit krijgt hierdoor zonder meer een zelfstandig karakter en een aparte regeling van de rechtsbescherming Egt dan ook in de rede.

Door het aanvaarden van het amendement van Van Dok c.s. is het vierde Ed van artikel 19 in de WRO gekomen. Naar het oordeel van de president is door het vierde lid van artikel 19 van de WRO het voorbereidingsbesluit als procedureel vereiste voor het verlenen van vrijstelling ingevolge het eerste lid van artikel 19 teruggekeerd, zij het beperkt tot die gevallen dat het betreffende bestemmingsplan ouder is dan tien jaar en Gedeputeerde staten geen vrijstelling ingevolge artikel 33, tweede lid, van de WRO heeft verleend. Gelet op het voorgaande is het naar het oordeel van de president dan ook de vraag of het voorbereidingsbesluit in dat verband wel een zelfstandig karakter heeft en een aparte regeling van de rechtsbescherming derhalve in de rede ligt. De wetgever heeft aan het aanvaarden van het amendement Dok c.s. echter geen gevolgen verbonden, zodat een belanghebbende ook in het geval als het onderhavige tegen een voorbereidingsbesluit bezwaar kan maken.

Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 1:2 van de Awb verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De president is van oordeel dat gezien de jurisprudentie ter zake van het begrip belanghebbende in het ruimtelijk bestuursrecht, verzoekster geen belanghebbende is bij het bestreden besluit. Niet gebleken is dat verzoeksters bedrijf in de onmiddellijke nabijheid van de betreffende locatie is gevestigd, noch dat er sprake is van zicht op deze locatie dan wel dat er sprake zou zijn van een objectief bepaalbaar effect op de (werk-)omgeving van verzoekster. Voorts is verzoekster een pallethandel en als zodanig geen concurrent van bakkerij Ammerlaan op grond waarvan zij mogelijkerwijze wel als belanghebbende bij het bestreden besluit had dienen te worden aangemerkt.

Uit het voorgaande volgt dat verzoekster naar verwachting in haar bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Verzoekster heeft in haar brief waarbij ze toestemming heeft verleend om uitspraak te doen zonder nadere zitting aangegeven dat inmiddels de bouwactiviteiten ten behoeve van bakkerij Ammerlaan op de bewuste locatie zijn gestart en dat haar niet bekend is dat daar al vergunning voor is verleend. De president merkt op dat dit buiten het bestek van het onderhavige verzoek valt, zodat het niet bij de beoordeling van het verzoek kan worden betrokken.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de president geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De president,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr P. van Zwieten als president.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. M. Traousis - van Wingaarden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2001

De griffier: De president:

Afschrift verzonden op: 25 JUNI 2001