Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AB3088

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-06-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
VTELEC 01/1177-SIMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aan het connexiteitsvereiste dient ook in materiële zin te worden voldaan.

Bindende aanwijzing van verweerder inzake het tarief voor de doorgifte van programma's via het omroepnetwerk van Kabeltelevisie Amsterdam B.V. Daartegen is door verzoekster, Canal+ B.V., bezwaar gemaakt; tevens is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Verzoekster heeft het verzoek om voorlopige voorziening gedaan hangende haar bezwaar tegen het bestreden besluit. In formele zin is derhalve voldaan aan het in art. 8:81 Awb neergelegde connexiteitsvereiste. Uit de functie van het connexiteitsvereiste vloeit voort dat daaraan ook in materiële zin dient te worden voldaan, dat wil zeggen dat de gevorderde voorziening(en) betrekking moet(en) hebben op het connexe - bestreden - besluit. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Hetgeen verzoekster heeft gevorderd strekt er in wezen toe dat van de President wordt gevraagd te interveniëren in de procedure ter voorbereiding van de beslissing op bezwaar.

Het verzoek om voorlopige voorziening heeft derhalve geen betrekking op het door verweerder reeds genomen besluit.

Verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.

De Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit, verweerder.

mr. drs. Th.G.M. Simons (president)

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:83
Telecommunicatiewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

President

Reg.nr.: VTELEC 01/1177-SIMO

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen

Canal+ Nederland B.V., gevestigd te Hilversum, verzoekster,

gemachtigde mr. E.J. Dommering, advocaat te Amsterdam,

en

de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit, verweerder,

gemachtigde mr. G.H.L Weesing, advocaat te Amsterdam.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 31 juli 2000 heeft verweerder op verzoek van verzoekster aan Kabeltelevisie Amsterdam B.V., gevestigd te Amsterdam (hierna: KTA), op grond van artikel 8.7 van de Telecommunicatiewet een bindende aanwijzing gegeven met betrekking tot het tarief voor de doorgifte van de programma's van verzoekster via het omroepnetwerk van KTA in het verzorgingsgebied Amsterdam, Abcoude, Diemen, Landsmeer, Nigtevecht, Oostzaan en Weesp.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van verzoekster bij brief van 6 september 2000 bezwaar gemaakt

Voorts heeft de gemachtigde van verzoekster bij faxbericht van 6 juni 2001 de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2. Overwegingen

Verzoekster is van mening dat het bestreden besluit berust op onjuiste gegevens. Het verzoek om voorlopige voorziening bevat de volgende vordering

"a. het verzoek toe te wijzen en een Rechter-commissaris te benoemen die over de (…) navolgende feiten en feiten die daarmee verband houden:

A. dat UPC en/of haar rechtsvoorgangers onjuiste en/of onvolledige informatie heeft verschaft c.q. heeft doen verschaffen aan Reyn de Blaey Accountants en/of OPTA in het kader van het door OPTA gelaste boekenonderzoek;

B. Dat UPC en/of haar rechtsvoorgangers in haar boekhouding een onjuist kostentoerekeningsmodel hanteert voor de berekening van de direct aan het kabeltelevisienet toe te rekenen kosten waardoor veel te hoge prijzen in rekening worden gebracht;

C. Dat UPC discrimineert tussen haar eigen programmadiensten en die van derden en overigens niet-objectieve en intransparante voorwaarden hanteert;

D. Dat UPC de capaciteit op haar omroepnetwerk kunstmatig beperkt.

de navolgende getuigen (..) oproept en hoort:

(…).

b. Een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat OPTA en KTA worden gelast een door Canal+ aan te stellen acccountant in staat te stellen de rapportages van het kantoor Reyn de Blaey in opdracht van OPTA in het kader van deze procedure, integraal te beoordelen alsmede de daaraan ten grondslag liggende stukken;

c. OPTA wordt gelast de behandeling van het bezwaarschrift op te schorten totdat de getuigen als vorenbedoeld zijn gehoord eet de accountant als vorenbedoeld zijn werkzaamheden heeft kunnen verrichten;

d. Zodanige (verdere) voorlopige voorzieningen te treffen, die de President in dit kader nodig en wenselijk zal achten.".

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist In artikel 8:81, derde lid, van de Awb is onder meer bepaald dat indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, een verzoek om voorlopige voorziening kan worden gedaan door de indiener van het bezwaarschrift.

Verzoekster heeft het verzoek om voorlopige voorziening gedaan hangende haar bezwaar tegen het bestreden besluit. In formele zin is derhalve voldaan aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde zogenoemde connexiteitsvereiste.

Uit de functie van het connexiteitsvereiste vloeit voort dat daaraan ook in materiële zin dient te worden voldaan, dat wil zeggen dat de gevorderde voorlopige voorziening(en) betrekking moet(en) hebben op het connexe -bestreden - besluit.

Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Hetgeen verzoekster heeft gevorderd - daargelaten wat daarvan overigens zij - strekt er in wezen toe dat van de president wordt gevraagd te interveniëren in de procedure ter voorbereiding van de beslissing op het bezwaar van verzoekster. Verzoekster heeft dat ook onderkend, nu op blz. 7 van het verzoekschrift is vermeld. "Het onderhavige verzoekschrift heeft betrekking op de bezwaarschriftenprocedure over het besluit van 31 juli 2000". Het verzoek om voorlopige voorziening heeft derhalve geen betrekking op het door verweerder reeds genomen bestreden besluit, maar op (de procedure ter voorbereiding van) de nog door verweerder te nemen beslissing op het bezwaar.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, zodat de president op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder zitting.

Ter voorkoming van onnodige procedures merkt de president nog op dat indien verweerder in het kader van de bezwaarschriftprocedure zou besluiten een verzoek van verzoekster om getuigen te horen en/of een door verzoekster aan te stellen accountant een contra-expertise te doen verrichten af te wijzen, daartegen op grond van artikel 6:3 van de Awb niet afzonderlijk bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld.

Voor toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb en voor een veroordeling in de proceskosten ziet de president geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De president,

recht doende:

verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. Th.G.M. Simons als president.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. P. Hirschhorn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2001.

De griffier De president:

Afschrift verzonden op:15 juni 2001