Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AB2666

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-05-2001
Datum publicatie
16-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/2071 ZWI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever heeft in casu geen rechtstreeks betrokken belang bij in bezwaarprocedure op grond van zorgvuldigheidsoverwegingen alsnog toegekende WAO-uitkering.

Bij beslissing op bezwaar is aan X alsnog WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. De toekenning vond plaats in het kader van het project Wegwerken achterstanden medische bezwaren (het project WAMB). Eiseres (de werkgever van X) stelt beroep in.

Rechtbank: Vast staat dat - middels de door verweerder in het verweerschrift gedane toezegging - in het onderhavige geval de Wet Pemba (uiteindelijk) geen financiële gevolgen zal hebben voor eiseres. Aan de Wet Pemba kan in dit geval dan ook geen rechtstreeks betrokken belang worden ontleend. De verplichting voor eiseres om een suppletie toe te kennen bij toekenning van een WAO-uitkering aan X vloeit voort uit hetgeen eiseres en X hieromtrent als werkgever en werknemer zijn overeengekomen.

Het belang van eiseres bij het al dan niet toekennen van een WAO-uitkering aan X is in dit geval dan ook afgeleid uit de arbeidsrechtelijke verhouding.

Beroep niet-ontvankelijk.

Het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

mr. P. van Zwieten

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: AWB 00/2071 ZWI

Uitspraak

in het geding tussen

de Hervormde Stichting voor Beschermd Wonen, Begeleid Wonen en Psychiatrische Thuiszorg, gevestigd te Rotterdam, eiseres, gemachtigde mr. W.J.A Vis,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 3 maart 1999 heeft mevrouw X (hierna: X) per 26 juli 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) aangevraagd.

Bij besluit van 28 juli 1999 heeft verweerder aan X een uitkering ingevolge de WAO geweigerd.

Tegen dit besluit heeft X bij brief van 12 augustus 1999 (aangevuld bij twee op 22 december 1999 gedateerde brieven) bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 29 augustus 2000 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en aan eiseres per 26 juli 1999 een WAO-uitkering toegekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 3 oktober 2000 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 20 oktober 2000 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) X in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Het beroepschrift is haar in afschrift toegezonden. X heeft desgevraagd medegedeeld niet toe te stemmen in de verstrekking van stukken met haar medische gegevens aan eiseres en heeft voorts medegedeeld aan het geding deel te willen nemen.

Het geding is voor behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 29 maart 2001, waar geen van de partijen is verschenen.

2. Overwegingen

In dit geding is aan de orde de vraag of het bestreden besluit, waarbij de bezwaren tegen het primaire besluit gegrond zijn verklaard, in rechte stand kan houden.

Aan de gedingstukken ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

X was werkzaam bij eiseres in de functie van begeleidster toen zij zich op 27 juli 1998 ziek meldde.

In zijn besluit van 28 juli 1999 heeft verweerder de door X aangevraagde uitkering geweigerd, omdat X per 26 juli 1999 geschikt werd geacht voor gangbaar werk.

In het bestreden besluit, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 1999 gegrond is verklaard, heeft verweerder - voorzover van belang - het volgende overwogen.

Alle geduide functies overschrijden de belastbaarheid van X en kunnen hierdoor niet gehandhaafd blijven. Als gevolg hiervan resteren er geen geduide functies. Hierdoor is - met inachtneming van het feit dat de zaak van. X is behandeld in het kader van het project Wegwerken achterstanden medische bezwaren (hierna: het project WAMB) - besloten dat X met ingang van 26 juli 1999 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.

In haar beroepschrift heeft eiseres - samengevat - het volgende aangevoerd.

Het bestreden besluit heeft voor eiseres rechtsgevolgen, zodat zij als derde-belanghebbende bij dit besluit is aan te merken. De rechtsgevolgen bestaan in het bijzonder uit de premieverhoging ingevolge de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheid (hierna: de Wet Pemba) over twee jaar.

Eiseres betwijfelt dat de medische beperkingen van eiseres per 26 juli 1999 zodanig ernstig waren dat er geen theoretische schatting van de arbeidsongeschiktheid van eiseres mogelijk was. Daarnaast is het bezwaar van X behandeld in het kader van het project WAMB. Bij de beoordeling van achterstandszaken wordt een speciaal en soepeler beleid gevoerd. Dit beleid strekt ten voordele van de werknemer die bezwaar maakt, maar in dit geval wordt de werkgever in zijn belangen geschaad.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift het volgende aangegeven.

De werkgroep die het bestreden besluit afgehandeld heeft hanteert een procedure die afwijkt van de normale werkwijze. Als gevolg daarvan is de bestreden beslissing eerder uit zorgvuldigheidsredenen tot stand gekomen dan op basis van een inhoudelijke heroverweging. Eiseres mag hiervan niet de dupe worden. Daarom wordt toegezegd dat de bestreden beslissing geen financiële consequenties voor eiseres zal hebben. Als in de toekomst een WAO-last van X bij de berekening van het gedifferentieerde premiepercentage WAO is betrokken, dan kan eiseres hiertegen bezwaar maken. Dat bezwaar zal op dat punt worden gehonoreerd.

In reactie op het verweerschrift heeft eiseres zich in haar brief van 28 december 2000 op het standpunt gesteld dat met de toezegging van verweerder niet volledig aan haar belangen is tegemoet gekomen en dat er dus nog steeds sprake is van een geschil. Voor eiseres is namelijk als gevolg van de aan X toegekende WAO-uitkering de verplichting ontstaan om die uitkering gedurende één jaar aan te vullen tot het volledige loon. Op het verzoek aan verweerder om ook deze kosten te vergoeden is nog niet gereageerd.

Naar aanleiding van het verzoek van eiseres aan verweerder om vergoeding van de te betalen suppletie op Xs WAO-uitkering, heeft verweerder bij apart besluit van 14 maart 2001 aan eiseres medegedeeld dat dit verzoek wordt afgewezen. Verweerder heeft hierbij het volgende overwogen.

De schade in de vorm van een suppletie houdt geen afdoende verband met het bestreden besluit of de totstandkoming daarvan. Het bestreden besluit heeft uitsluitend betrekking op de aanspraak op een WAO-uitkering. Daarom valt niet in te zien dat aan de bestreden beslissing relevante betekenis toekomt voor het verstrekken van een suppletie op de WAO-uitkering. Die verplichting vloeit immers voort uit de in het kader van de arbeidsrechtelijke relatie genomen beslissingen.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 8:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de rechtbank.

Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder een belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Alvorens over te kunnen gaan tot een inhoudelijke beoordeling van het geding dient de rechtbank derhalve de vraag te beantwoorden of eiseres belanghebbende is bij het bestreden besluit en derhalve in haar beroep kan worden ontvangen.

Vaststaat dat - middels de door verweerder in het verweerschrift gedane toezegging - in het onderhavige geval de Wet Pemba (uiteindelijk) geen financiële gevolgen zal hebben voor eiseres. Aan de Wet Pemba kan in dit geval dan ook geen rechtstreeks betrokken belang worden ontleend.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of in dit geval een rechtstreeks belang kan worden ontleend aan de verplichting tot het verstrekken van een suppletie op de uitkering van X.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De verplichting voor eiseres om een suppletie te verstrekken bij toekenning van een WAO-uitkering aan X vloeit voort uit hetgeen eiseres en X hieromtrent als werkgever en werknemer zijn overeengekomen. Het belang van eiseres bij het al dan niet toekennen van een WAO-uitkering aan X is in dit geval dan ook afgeleid uit de arbeidsrechtelijke verhouding tussen eiseres en X. Van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang is echter geen sprake.

Aangezien uit het voorgaande volgt dat eiseres geen rechtstreeks betrokken belang heeft bij het bestreden besluit, kan zij niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Gelet op het bepaalde in artikel 8:1, eerste lid, van de Awb dient het beroep dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van Zwieten.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. J.F. Frankruijter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2001.

De griffier De rechter

Afschrift verzonden op: 29 mei 2001

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.