Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AB1823

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
10/020018-00 en 10/022053-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummers van de berechte zaken: 10/020018-00 en 10/022053-01

Datum uitspraak: 29 mei 2001

Tegenspraak

VONNIS (persexemplaar)

van de ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen:

Naam Verdachte

geboren te (Geboorteplaats) op (geboortedatum) in 1969,

wonende te (Woonplaats, Adres)

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting gedetineerd in de penitentiaire inrichting “De Dordtse Poorten” te Dordrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 april 2001 en van 15 mei 2001.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen onder parketnummer 10/020018-00 en onder parketnummer 10/022053-01, zoals deze ter terechtzitting van 5 april 2001 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Van deze dagvaardingen en vordering zijn kopieën in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd 1A tot en met 1G en 2A tot en met 2E).

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Edelhauser heeft gerekwireerd, zakelijk weergegeven, de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 primair en 4 (parketnummer 10/020018-00) en van het onder 1 primair en 2 (parketnummer 10/022053-01) ten laste gelegde en de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren, alsmede terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN DE VERVOLGING

Ontvankelijkheid officier van justitie t.a.v. parketnr. 10/20018-00

Door de verdediging is de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit in de vervolging van de feiten van 22 juni 2000. Daartoe is gesteld hetgeen in de pleitnotitie, als gehecht aan het proces-verbaal van de ziting, is opgenomen. Zakelijk weergegeven stelt de verdediging schending van de goede procesorde vanwege de volgende punten:

1. Het weren van de raadsman bij de politieverhoren in het weekeinde van 9 en 10 september 2000 (in de pleitnota staat door een kennelijke verschrijving 9 en 10 april 2000).

2. De weglating van essentiële informatie door het Openbaar Ministerie in het (voorgeleidings-) proces-verbaal. Hierdoor zou de verdediging, en mogelijk ook de rechter-commissaris en de rechtbank, selectief zijn geïnformeerd. Door de verklaringen van de getuigen Veldboer en Van den Hoven eerst op 18 januari 2001 aan de verdediging te verstrekken is volgens de verdediging een grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging met betrekking tot het beginsel van interne openbaarheid gepleegd.

3. Misleiding van de Rechtbank, de verdediging en het publiek tijdens de zitting van 7 december 2000 door de officier van justitie, vanwege de verklaring van de officier van justitie inhoudende: ‘Ten aanzien van het signalement heeft (naam slachtoffer 2) zijn verklaring bijgesteld. (Naam slachtoffer 2) is ernstig getraumatiseerd’. Deze weergave zou opzettelijk onjuist zijn, gezien hetgeen dr. Bullens omtrent de toestand van (Naam slachtoffer 2) heeft waargenomen en waaromtrent volgens vermoeden van de verdediging mededeling zal zijn gedaan aan de officier van justitie. Ook vermeldt het onderzoek van Dr. J.C. Hees-Stauthamer: ‘(Voornaam slachtoffer 2) manifesteert op de video-banden geen verschijnselen van een acute angststoornis of van een post-traumatische stresstoornis in termen van DSM-IV. Wel zijn er aanwijzingen voor in ontwikkeling zijnde posttraumatische stress-reacties (…)’. Door de gestelde misleiding acht de verdediging zich op achterstand gezet. Hierdoor was lange tijd onzeker of (Naam slachtoffer 2) nog nader zou worden gehoord. Tevens stelt de raadsman client een verzoek om confrontatie af te hebben geraden, vanwege de psychische gesteldheid van (naam slachtoffer 2).

4. Het ontbreken van objectiviteit bij het Openbaar Ministerie ten aanzien van het bewijs blijkend uit terzijde schuiven van ontlastend materiaal en het niet nemen van afstand tot vermeend belastend materiaal. Hierdoor is de beoordeling suggestief gegaan in de richting van deze verdachte. Bovendien zijn feiten ontijdig en selectief geverbaliseerd. Ontijdig geverbaliseerd zou zijn het verhoor in de nacht van 9 op 10 september 2000 dat pas op 18 september 2000 in een proces-verbaal wordt neergelegd. Dat verbaal zou onvolledig zijn, omdat niet vermeld is dat verdachte met een terminal heeft gegooid. Voorts is op andere plaatsen ten onrechte herhaald gesteld dat verdachte weer is gaan ontkennen na contact met zijn raadsman.

5. Op de verdachte is, volgens de verdediging, ongeoorloofde druk uitgeoefend tijdens het verhoor, onder meer door tijdens de verhoren te zoek naar zwakke plekken in de psyche van verdachte.

Het ontvankelijkheidsverweer wordt in subsidiaire zin gevoerd als een verweer gericht op uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het gevoerde verweer als volgt:

1. Feitelijk is niet aannemelijk geworden, dat de raadsman in het weekeinde van 9 september en 10 september contact heeft gezocht met zijn client. Zulks is evenmin gesteld door de raadsman. Uit hetgeen de raadsman heeft gesteld blijkt ook niet dat hij de officier van justitie rechtstreeks heeft verzocht toegelaten te worden tot de politie-verhoren van 9 en 10 september 2000. Ten overvloede kan voorts worden gesteld, dat een weigering de raadsman toe te laten tot de politieverhoren in de fase voor de voorgeleiding voor de rechter-commissaris niet op zichzelf reeds in strijd is met de goede proces-orde. Het verweer moet op dit punt worden verworpen.

2. De verklaringen van Van den Hoven en Veldboer (ambulance-personeel) zijn in een laat stadium (omstreeks 18 januari 2001) aan verdediging en rechtbank verstrekt, maar ruim voor de zitting van 5 april 2001, waar met de inhoudelijke behandeling van de zaak een aanvang is genomen. In ieder geval heeft de raadsman over deze verklaringen beschikt toen hij op 25 januari 2001 in beroep tegen de voortduring van de voorlopige hechtenis bij gerechtshof te Den Haag voor verdachte optrad. Voorts is de verdediging in de gelegenheid geweest de beide getuigen te horen bij de rechter-commissaris. De verklaringen van Veldboer en Van den Hoven bevatten naar het oordeel van de rechtbank geen voor de verdachte ontlastende gegevens, die gedurende het vooronderzoek met het doel van misleiding aan de verdediging, de rechter-commissaris en de rechtbank zijn onthouden. De rechtbank acht de belangen van de verdediging niet geschaad door het tijdstip waarop de verdediging en de rechtbank eerst over de verklaringen van Veldboer en Van den Hoven heeft beschikt.

3. De stelling van de officier van justitie op 7 december 2000 dat (Naam overlevend slachtoffer=slachtoffer 2) “ernstig is getraumatiseerd”, is door de officier van justitie mr. Den Hartigh naar voren gebracht in het kader van overwegingen aangaande de waarde die gehecht zou moeten worden aan een signalement van 26 juni 2000 dat in een vroeg stadium na de gebeurtenissen is opgesteld door de politie, op basis van onderdelen van verhoren van (Naam slachtoffer 2) (van kennelijk 23 juni en 25 juni 2000). Dat zijn verhoren die aan de video-verhoren vooraf zijn gegaan. Wat was en is er bekend over de staat waarin (Naam slachtoffer 2) zich bevond? In de eerste Medische verklaring inzake (Naam slachtoffer 2), dd 28-06-2000, staat: Blijvende beperking van geestelijke functie verwacht? Antwoord: ja. Geschatte duur genezing geestelijk nog niet te bepalen. Ondertekend door dr Van Leeuwen (als bron info genoemd Sophia kinderziekenhuis en chirurg De Wilt uit AZR Dijkzigt). In de (latere) video-verhoren maakt (Naam slachtoffer 2) niet een sterk geëmotioneerde indruk. Dr. Hees-Stauthamer geeft later in haar analyse van 12 maart 2001 van die verhoren, aan dat die houding onderdeel uitmaakt van een overlevingsstrategie (horizontale dissociatie). (Naam slachtoffer 2) manifesteert op de videobanden geen verschijnselen van een acute angststoornis of van een post-traumatische stress-stoornis in termen van DSM-IV. Wel zijn er aanwijzingen voor in ontwikkeling zijnde post-traumatische stress-reacties, aldus dr. Hees-Stauthamer. In de analyse van dr. Hees-Stauthamer over de verhoren van (Naam slachtoffer 2) schrijft zij: “(…) het is reëel om te beseffen dat een verklaring van traumatische gebeurtenissen in detail altijd wel ongerijmdheden en onjuistheden kan bevatten”. De stelling van de officier van justitie aangaande (Naam slachtoffer 2), geponeerd in het kader van beoordeling van onderdelen uit de verklaringen van (Naam slachtoffer 2), zoals in het proces-verbaal van de zitting van 7 december 2000 is weergegeven, past redelijk bij deze toen nog niet gemaakte analyse. Dat de officier van justitie een stelliger term gebruikt dan de psychologen over de toestand waarin (Naam slachtoffer 2) zich tijdens de (latere) verhoren bevond, rechtvaardigt geenszins de stelling van de raadsman dat de officier van justitie bewust misleidend zou hebben gesproken. Behalve ter relativering van details uit de verklaring van (Naam slachtoffer 2) heeft de officier van justitie op een ander moment de psychische toestand van (Naam slachtoffer 2) ook genoemd in relatie tot mogelijk schadelijke effecten van een confrontatie van (Naam slachtoffer 2) met verdachte. Dat de verdediging door het achterwege laten van een confrontatie in de belangen zou zijn geschaad is echter reeds onbegrijpelijk in het licht van hetgeen de verdediging daar zelf over heeft gesteld. In een brief van 18 september 2000 gericht aan de officier van justitie acht de verdediging herkenning van verdachte door (Naam slachtoffer 2) “zeer waarschijnlijk”. De raadsman vraagt dan ook niet om een confrontatie, maar wil daaromtrent wel een gedachtenwisseling met de officier van justitie. De raadsman vraagt niet op dat moment en later evenmin om een confrontatie, bijvoorbeeld teneinde na te gaan of (Naam slachtoffer 2) verdachte wellicht herkent als de man die 112 belde en die na de fatale gebeurtenissen in de bosjes op 22 juni 2001 op de brug aanwezig was. De stelling van de raadsman is voorts in dit verband, dat de verdediging geschaad is door langdurige onzekerheid over het al dan niet nader kunnen horen van (Naam slachtoffer 2). In het door de raadsman aangehaalde verhoor van Dr. Bullens van 9 maart 2001 staat aangaande een mogelijk verhoor: “Teneinde te bevorderen dat een nieuw verhoor van (Naam slachtoffer 2) enerzijds hem zo weinig mogelijk verdere psychische schade zou kunnen toebrengen en anderzijds de betrouwbaarheid van zijn nog af te leggen verklaringen zo groot mogelijk zal zijn (…) zou (ik) willen afraden de raadsman en de officier van justitie daarbij aanwezig te laten zijn.” Het nadere verhoor is op de door dr. Bullens aanbevolen wijze door de rechter-commissaris afgenomen. De rechtbank acht de verdediging door deze gang van zaken niet in enig belang geschaad.

4. De stelling van de raadsman, dat het Openbaar Ministerie ontlastend materiaal terzijde zou hebben geschoven, wordt niet gestaafd door feiten. Evenmin onderbouwt de raadsman de stelling dat het Openbaar Ministerie eenzijdig selectief geweest zou zijn. Een dergelijke eenzijdige selectiviteit zou onder omstandigheden bijvoorbeeld kunnen blijken wanneer door het vroegtijdig naar buiten brengen van informatie uit het dossier een onderzoek naar een mogelijke andere verdachte daardoor reeds bemoeilijkt zou zijn geworden. Daarvan kan het Openbaar Ministerie echter niet worden beticht. Juist is wel de bewering dat het verhoor afgenomen in de avond/nacht van 9 september op 10 september 2000 eerst op 18 september 2000 is geverbaliseerd. Ook naar het oordeel van de rechtbank had dat verbaal eerder opgemaakt kunnen en moeten worden. Bovendien stelt de raadsman terecht, dat een incident als het omgooien van een terminal door verdachte in het verbaal van een dergelijk verhoor moet worden vermeld. Het is relevant voor verdediging en rechtbank te vernemen als de emoties tijdens verhoren hoog oplaaien. Naar het oordeel van de rechtbank is in casu door de wijze van verantwoording die heeft plaatsgevonden -waarbij de rechtbank wijst op de verhoren van de verbalisanten Mettrop en Van de Werken bij de rechter-commissaris- geen sprake van een grove onzorgvuldigheid die de goede procesorde heeft geschaad.

5. Uitgangspunt tijdens verhoren dient te zijn, dat verdachte niet wordt gebracht tot uitspraken die niet in vrijheid van verklaren zijn afgelegd. Aannemelijk is geworden dat verdachte in het weekend van 9 en 10 september 2000 langdurig is ondervraagd. Toen verdachte te kennen had gegeven te willen stoppen is mogelijk nog een uur of zelfs twee uur voortgegaan met het verhoor. Dat enkele feit, alsmede de stelling dat tijdens de verhoren gezocht zou zijn naar zwakke plekken in de psyche van verdachte maakt niet aannemelijk dat de verklaringen die verdachte heeft afgelegd niet in vrijheid zijn afgelegd. Daarbij betrekt de rechtbank nadrukkelijk de antwoorden van verdachte op gerichte vragen van de rechter-commissaris omtrent de omstandigheden van deze verhoren, antwoorden die verdachte heeft bevestigd tijdens de zitting van 5 april 2001 (zie proces-verbaal van de zitting). Uit die antwoorden van verdachte over de omstandigheden van en de wijze van verhoren blijkt zeker niet van een grove schending van belangen van verdachte.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van feiten genoemd op de tenlastelegging met parketnummer 10/20018-00.

Ontvankelijkheid officier van justitie t.a.v. parketnr. 10/022053-01 feit 2.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de officier van justitie ten aanzien van dit feit niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu het hier een klachtdelict betreft en de klacht door de wettelijk vertegenwoordiger niet is ingediend binnen de in artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalde termijn van drie maanden.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Onder parketnummer 10.022053-01, feit 2 is verdachte

tenlastegelegd dat hij op 30 mei 1999 de toen 12-jarige (Naam betrokkene) heeft geprobeerd te verleiden. Het betreft hier een delict ten aanzien waarvan vervolging slechts plaats heeft op klacht. Gelet op het bepaalde in de artikelen 64 t/m 66 van het Wetboek van Strafrecht, is de wettelijk vertegenwoordiger van (naam betrokkene) gerechtigd tot het indienen van een klacht gedurende drie maanden na de dag waarop hij kennis heeft genomen van het gepleegde feit. Uit artikel 245, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht volgt voorts dat ook (Naam betrokkene) zelf klachtgerechtigd is gedurende de gehele verjaringstermijn van het delict.

In het onderhavige geval is de klacht ingediend op 22 september 2000 door de vader van (naam betrokkene) als diens wettelijk vertegenwoordiger, die daarbij aangeeft dat hij op 30 mei 1999 van het feit heeft vernomen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het standpunt van de raadsman dat de klacht niet tijdig is ingediend, in beginsel juist. De rechtbank overweegt echter dat uit de verklaring van de vader van (naam betrokkene) bij de rechter-commissaris volgt dat deze op het moment dat hij van zijn zoon vernam wat er gebeurd was, wel degelijk vervolging van de toen nog onbekende verdachte wenste. Hij verklaart immers dat hij erg boos was dat de toen gewaarschuwde politie niet kwam opdagen. Later, op 12 juli 2000, werd verdachte door (naam betrokkene) aangewezen als de dader van het feit en heeft de vader van (naam betrokkene) een kort onderhoud met verdachte gehad. Toen werd hem ook meer duidelijk over de relevante omstandigheden van het feit en de persoon van de dader. Hij heeft toen direct contact opgenomen met de politie en heeft binnen drie maanden na laatstgenoemde datum klacht gedaan. Voorts overweegt de rechtbank dat uit de verklaringen die (naam betrokkene) zelf tegenover de politie en bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, niet kan worden afgeleid dat hij zelf geen vervolging van verdachte wenst. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is om de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren. Ook ten aanzien van parketnummer 10.022053-01. feit 2, is de officier van justitie derhalve ontvankelijk in haar vervolging.

NIET BEWEZEN

Het onder 1 primair, 2 primair, 3 (parketnummer 10/020018-00) en het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair (parketnummer 10/022053-01) ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWEZEN

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4 (parketnummer 10/020018-00) en het onder 1 meest subsidiair en 2 (parketnummer 10/022053-01) ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als vermeld in de hierna ingevoegde bijlage

(… ), die van dit vonnis deel uitmaakt. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Ingevoegde bijlage bewezenverklaring

Parketnr: 10/020018-00

1 Subsidiair,

hij op 22 juni 2000 te Schiedam opzettelijk een meisje genaamd (Naam slachtoffer 1) (geboortedatum in 1990) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die (Naam slachtoffer) gestranguleerd door een veter (van een schoen) om de nek en/of de hals van die (Naam slachtoffer 1) te brengen en aan te trekken en deze veter te voorzien van een knoop en/of strik,

tengevolge waarvan voornoemde (Naam slachtoffer 1) is overleden, en welke vorenomschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten verkrachting van die (Naam slachtoffer 1) en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren;

2. Subsidiair,

hij op 22 juni 2000 te Schiedam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een jongen genaamd (naam slachtoffer 2), geboren (geboortedatum in 1989) van het leven te beroven, met dat opzet zijn handen om de nek en/of de hals van die (naam slachtoffer) heeft gebracht en gehouden en vervolgens die nek en of hals heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden en een veter van een schoen om de nek en/of hals van die (naam slachtoffer) heeft gebracht en aangetrokken en vervolgens deze veter heeft voorzien van een knoop en/of strik, en die (naam slachtoffer 2) meermalen met een mes, heeft gestoken in de nek en/of hals en kin, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, en welke vorenomschreven poging doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten verkrachting van een meisje (Naam slachtoffer 1, geboortedatum in 1990) en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren;

3. hij op 22 juni 2000 te Schiedam, in een park genaamd het Beatrixpark, door feitelijkheden en bedreiging met geweld (naam slachtoffer 1, geboren in 1990) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van dat meisje (naam slachtoffer 1), immers heeft verdachte de vingers van een jongen (naam slachtoffer 2, geboren in 1989) beetgepakt en vervolgens in de vagina van dat meisje (naam slachtoffer 1) geduwd en /of gebracht,

en bestaande die feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld hierin dat verdachte

-die (naam slachtoffer 1, meisje) heeft meegenomen naar in de omgeving aanwezige bosschages en

-die (naam slachtoffer 1, meisje)onder bedreiging van een mes, tegen haar wil in die bosschages heeft vastgehouden en

-tegen die (naam slachtoffer 1, meisje) heeft gezegd dat zij zich uit moest kleden en dat zij zich stil moest houden omdat hij, verdachte, haar anders zou vermoorden en wanneer zij zich niet uit zou kleden hij, verdachte, haar neer zou steken en dat zij op haar buik moest gaan liggen en als zij dit niet zou doen hij, verdachte, haar zou vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

4. hij op 22 juni 2000 te Schiedam. In een park genaamd het Beatrixpark, opzettelijk een meisje (naam slachtoffer 1, meisje, geboortedatum 1990) en een jongen (naam slachtoffer 2, jongen, geboortedatum 1989) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft verdachte met dat opzet

-die (naam slachtoffer 1) en die (naam slachtoffer 2) onder bedreiging van dat mes meegenomen naar in de omgeving aanwezige bosschages en

-(vervolgens) die (naam slachtoffer 1) en (naam slachtoffer 2) onder bedreiging met een mes tegen hun wil in die bosschages vastgehouden.

Parketnr. 10/022053-01

1. meest subsidiair,

hij in de periode 1 januari 1995 tot en met 21 mei 1997 te Vlaardingen meermalen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten (naam, slachtoffer 3, jongen) (geboren op 22 mei 1981), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het meermalen telkens laten aftrekken van zijn, verdachte (’s penis), door die (naam slachtoffer 3) en/of

-aftrekken van die (naam slachtoffer 3)(’s penis) door verdachte en/of

-pijpen van die (naam jongen) (‘s penis) door verdachte;

2. hij op 30 mei 1999 te Vlaardingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door beloften van geld een minderjarige van onbesproken gedrag te weten (naam slachtoffer 4, jongen, geboren 14 maart 1987) wiens minderjarigheid hij, verdachte kende, opzettelijk te bewegen ontuchtige handelingen met hem, verdachte, te plegen, die (naam jongen) heeft gevraagd en/of gezegd: “Wil je f 50,00 verdienen? Dan moet je alleen kijken of je mij kan aftrekken”, althans woorden van gelijke aard en of/ strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

BEWIJS

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

Overwegingen ten aanzien van het gevoerde bewijsverweer (parketnr. 10/020018-00)

Het bewijs wordt gevormd door de bewijsmiddelen, zoals die, in aanvulling op dit verkorte vonnis in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, worden opgesteld. Het verweer dat de raadsman primair terzake van de ontvankelijkheid van de officier van justitie heeft gevoerd en subsidiair als verweer inhoudende dat het bewijs onrechtmatig is verkegen heeft geponeerd, wordt verworpen op de gronden uiteengezet bij de verwerping van het verweer tegen de ontvankelijkheid van de officier van justitie. De raadsman heeft ten aanzien van het bewijs voorts onder meer opgemerkt, dat op basis van hetgeen bekend is over de gangen van verdachte de feiten van 22 juni 2000 die hem worden verweten niet kan hebben gepleegd. Die stelling, gebaseerd op een ondeugdelijke tijdlijn, wordt weerlegd in de bewijsmiddelen. Voorts haalt de raadsman aan dat het signalement dat zou zijn gegeven door (Naam slachtoffer 2), niet klopt. Op laatstgenoemde opmerking gaat de rechtbank hier eerst in.

De betekenis van het signalement

In de ambulance spreekt (Naam slachtoffer 2) niet over kenmerken van de dader (Bron: Van den Hoven; Veldboer).

Hij zegt wel voor hij de ambulance in gaat (AH2 verbalis. Petra Scheepbouwer): “ Verklaring slachtoffer: de man probeerde mij met een schoenveter te wurgen, maar dit lukte niet. Daarna heeft de man het geprobeerd met zijn handen. Ik heb me vervolgens voor dood gehouden en met mijn gezicht in de richting van de grond gelegen. Ik heb niet naar de man gekeken.”

De rechtbank citeert ter illustratie enkele fragmenten uit het interview dat mede de basis vormt voor het door de politie verspreide signalement. In het eerste interview van (Naam slachtoffer 2) in het ziekenhuis op 23 juni 2000 (I=interviewer en S=slachtoffer (Naam slachtoffer 2)):

p. 001170:

I:Heb jij verder nog iets aan zijn gezicht opgemerkt? Of hij een baard had of een snor of een bril?

S: nee, nee. Alle drie niet.

I: Heb jij nog iets gezien, of hij misschien iets in zijn oor had zitten, aan een…Een heleboel mensen die hebben ringen in hun oor en eh.

S: echt niet op gelet

p. 001171

I:(…) Heb je verder nog iets bijzonders aan de man gezien, dat je zegt nou daar, daar zouden we hem aan kunnen herkennen, eh kleur van zijn haar?

S: Ja dat was lichtbruin. Hij had stekeltjes.

I: Stekeltjes?

S: Ja, een beetje stekeltjes. Ja niet echt heel erg, maar zijn haar was ongeveer net zo lang, zoiets als pa eigenlijk. Alleen dan had hij overal haar. Niet hier twee kale plekken.

p. 001187

I: Oke En wat voor kleur haar had die man?

S: een beetje donker bruin.

S: (…) vol haar

I: veel haar?

S: Ja, nou. Het was wel een beetje stekeltjes.

I: Beetje stekeltjes

S:Ja

I: Maar kijk jouw vader heeft ook vrij kort haar he?

S: Ja, maar iets langer, iets langer

I: Langer dan je vader

S: Ja iets langer

p. 001188

I: Een even kijken, wat kunnen we nog meer hebben over die man ehhhh. Heb jij nog kettingen gezien bij die man of ringen aan zijn handen…

S: Oorbellen.

I: Oorbellen gezien.

S:Volgens mij had hij een oorbel.

I: Had hij een oorbel. Dat denk jij en je wijst net je rechter oor aan.

S: Nou ik weet niet meer welk oor. Maar hij had een oorbel in een oor en die andere dat weet ik niet.

Commentaar van de rechtbank

Uit deze enkele fragmenten blijken op details al tegenstrijdigheden. De deskundigen dr. Bullens en dr. Hees-Stauthamer, stellen beide dat dergelijke tegenstrijdigheden in de verklaringen van een slachtoffer van een traumatische gebeurtenis als de onderhavige redelijkerwijs te verwachten zijn. Beiden zijn ook van mening, dat die tegenstrijdigheden geen afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van (Naam slachtoffer 2) waar het gaat om de hoofdlijnen van de toedracht. De rechtbank maakt dat oordeel van de deskundigen tot de hare. De rechtbank acht het op basis van (Naam slachtoffer 2)’s verklaringen door de politie geconstrueerde signalement een op dat moment begrijpelijke poging om de opsporing naar een verdachte op gang te krijgen. De vraag ten aanzien van het bewijs is vervolgens niet of het signalement van verdachte overeenkomt met het signalement dat op 26 juni 2000 is uitgegaan, maar wel mede of een correcte waardering van de verhoren van (Naam slachtoffer 2) onverenigbaar zou zijn met het daderschap van verdachte. Daarvan is geen sprake.

Overtuiging

De overtuiging dat verdachte de hem verweten feiten op 22 juni 2000 heeft gepleegd op de wijze als in de bewezenverklaring is weergegeven, is gebaseerd op wettige bewijsmiddelen en is toelichtend samengevat onder meer gestoeld op de volgende - niet elk afzonderlijk voldoende draagkrachtig geachte - maar in onderling verband gelezen punten:

Verdachte heeft tegenover de politie, meermalen, bekend dat hij op 22 juni 2000 in het Beatrixpark te Schiedam de latere slachtoffers heeft benaderd, het meisje heeft gedood en de jongen heeft geprobeerd te doden. Verdachte heeft tegenover de officier van justitie, de rechter-commissaris en de rechtbank meermalen erkend deze bekentenis te hebben afgelegd. De latere reden die verdachte geeft voor zijn bekentenis, namelijk dat hij die in strijd met de waarheid slechts onder druk van de politie zou hebben afgelegd, acht de rechtbank (mede) op elders in dit vonnis aangeduide gronden niet aannemelijk. De bekentenis staat ook niet op zichzelf maar wordt ondersteund door de bewijsmiddelen, terwijl geen andere toedracht aannemelijk is geworden. Verdachte vertrok op 22 juni 2000 van zijn werk met de drang om kinderen seksueel te gaan benaderen. Hieromtrent heeft verdachte bij herhaling zelf verklaard, ook voorafgaande aan de verklaringen van het weekend van 9 en 10 september 2000. De rechtbank stelt op basis van verklaringen van getuigen en van verdachte zelf voorts vast dat de fiets van verdachte tijdens het plegen van de delicten onbeheerd en niet op slot, als inderhaast achtergelaten, in het gras heeft gelegen naast het fietspad bij brug A, in de directe nabijheid van de plaats van de kinderfietsen van de slachtoffers. Verdachte was voor en na het plegen van de feiten in de bosschages nabij deze plek. Verdachte heeft, buiten zijn bekentenis, geen aannemelijke verklaring voor hetgeen hij tussentijds zou hebben gedaan. Hij spreekt zich hieromtrent bij herhaling tegen. De wijze waarop de feiten zijn gepleegd, zijn verenigbaar met het feit dat ook een zeer intensief onderzoek naar DNA materiaal van de dader niets oplevert. De aard van de verwondingen van (naam slachtoffer, de jongen) is passend bij het soort mes dat verdachte in een bekennende verklaring zegt te hebben gehanteerd. Verdachte heeft in de periode na 22 juni 2000 kleding en ander materiaal (ten dele in verband staand met de feiten van 22 juni 2000) verbrand. Voor onderzoek naar zijn kleding stelde hij aan de politie een shirt (Duckhams) ter beschikking dat hij die dag niet op zijn werk aan had gehad (zie G 58, p. 1789). Verdachte kwam de dag van de feiten bleek en een beetje bibberend aan in de woning van zijn moeder (G91, p. 1916). Na een vrije dag op vrijdag 23 juni meldde hij zich op 26 juni 2000 ziek op zijn werk. Op 13 juli verklaart verdachte bij het RIAGG dat het getuige zijn bij de feiten van 22 juni 2000 een van de oorzaken is voor gevoelens van lusteloosheid, depressiviteit (bron reclasseringsrapport). Verdachte is in de morgen van 23 juni 2000 naar de plaats van het delict gegaan; hij ontkent dat. Een getuige, wier verklaring steun vindt in de verklaring van een andere getuige, zegt verdachte vrijwel zeker te herkennen als de man die zij de dag na het delict ’s morgens uit de bosjes van de plaats van het delict zag komen. Daarmee geconfronteerd, legt verdachte over wat hij de morgen van 23 juni 2000 heeft gedaan weerlegbaar onjuiste verklaringen af.

Na vaststelling dat de bewijsmiddelen overtuigend zijn constateert de rechtbank, dat uit het persoonlijkheidsonderzoek gegevens naar voren komen die aannemelijk maken dat verdachte, gezien zijn persoonlijkheid, de feiten kan hebben gepleegd. In het bijzonder slaat de rechtbank voorts ook acht op het in het onderzoek vastgestelde intelligentie-niveau (gemiddeld tot hooggemiddeld en gedeeltelijk zelfs begaafd). Die intelligentie is voldoende om bij ontkenningen op doordachte wijze gebruik te kunnen maken van kenniselementen die verdachte kort na ontdekking van de slachtoffers, ter plaatse op de brug in de nabijheid van de moeder van het dodelijk slachtoffer die daar met een zoontje aanwezig was, heeft kunnen opdoen, en de gegevens die verdachte nadien heeft opgedaan uit door hem verzamelde informatie (zie in dit verband ook: G57.2, p. 1787) in combinatie met zijn bekendheid met de situatie ter plaatse.

Overwegingen ten aanzien van het voorts gevoerde bewijsverweer (parketnr. 10.022053-01, feit 2).

De raadsman van verdachte heeft gesteld dat ten aanzien van dit feit sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd dat door de vader van (slachtoffer 4) voorafgaande aan de klacht onderzoekshandelingen zijn verricht, hetgeen onrechtmatig is. Bovendien heeft hij daarbij, zo stelt de raadsman, gebruik gemaakt van zijn bevoegdheden als politieman hetgeen “detournement de pouvoir” oplevert.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier volgt dat de vader van (slachtoffer 4) , (Naam vader slachtoffer 4), tevens brigadier van politie is. Toen op 12 juli 2000 zijn zoon hem de man aanwees die hem op 30 mei 1999 had lastiggevallen, heeft hij deze man aangesproken en zich gelegitimeerd met zijn politielegitimatiebewijs. De man gaf zijn personalia en verklaarde kort over het feit. Tevens werd de afspraak gemaakt voor een nader onderhoud op het politiebureau. De rechtbank is van oordeel dat bovenstaande gang van zaken niet de conclusie kan rechtvaardigen dat (naam vader slachtoffer 4) zijn bevoegdheden als politieman heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor ze hem zijn gegeven. Dat hij in dit geval tevens de vader van het slachtoffer was, doet aan dit oordeel niet af. Dat genoemde onderzoekshandelingen onrechtmatig waren omdat er nog geen klacht was, verwerpt de rechtbank, nu het voor (naam vader slachtoffer 4) op dat moment duidelijk was dat de tot klacht gerechtigde deze handelingen wenste; zijn zoon had hem immers zojuist eigener beweging de man aangewezen.

Het verweer van de raadsman dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, wordt op grond van het voorgaande verworpen.

STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

(parketnummer 10/020018-00):

1. subsidiair

doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren,

strafbaar gesteld bij artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht,

2. subsidiair

poging tot doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren,

strafbaar gesteld bij artikel 288 in verbinding met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht,

3.

verkrachting,

strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht,

4.

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden,

strafbaar gesteld bij artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht,

(parketnummer 10/022053-01):

1. meest subsidiair

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen,

strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht,

2.

poging tot door belofte van geld een minderjarige van onbesproken gedrag, wiens minderjarigheid de dader kent, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen met hem te plegen,

strafbaar gesteld bij artikel 248ter (oud) in verbinding met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van parketnr. 10.022053-01, feit 2.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat dit feit niet strafbaar is, nu de tenlastegelegde poging tot

verleiding niet goed denkbaar is. Bovendien zou nog geen sprake zijn geweest van een begin van uitvoering.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De stelling dat bij artikel 248ter (oud) van het Wetboek van Strafrecht een poging niet mogelijk is, vindt geen steun in het recht. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop verdachte het slachtoffer heeft benaderd en toegesproken wel degelijk een begin van uitvoering van het in artikel 248ter (oud) Sr bedoelde feit oplevert.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAF EN MAATREGEL

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 22 juni 2000 een elfjarige jongen en een tienjarig meisje in het Beatrixpark te Schiedam gedwongen met hem de bosjes in te gaan. De kinderen werden gedwongen zich te ontkleden. In de bosschages hield verdachte de kinderen een mes voor. Verdachte dwong de jongen om het meisje te betasten in de vagina, aldus verkrachtend schond verdachte de lichamelijke integriteit van het meisje op grove wijze. De jongen moest daarna op het meisje gaan liggen. Daarna heeft verdachte geprobeerd de jongen te verwurgen. Verdachte heeft daarop het meisje nogmaals willen verkrachten. Hij is op haar gaan liggen, maar heeft die verkrachting niet voltooid. Uit angst voor ontdekking heeft hij daarop het meisje gewurgd met de veter van haar laars. De jongen heeft hij een veter strak om de hals gebonden. Met een mes heeft hij de jongen in de nek en op andere plaatsen oppervlakkig verwond. In de veronderstelling dat niet alleen het meisje maar ook de jongen gedood was heeft verdachte zich uit de bosjes naar zijn fiets begeven, zijn slachtoffers achterlatend.

Voormelde delicten zijn onzegbaar gruwelijk en veroorzaken onpeilbaar leed van levenslange duur voor nabestaanden en mogelijk nog onvoorspelbare schade voor het slachtoffer 2. Feiten als deze worden in de samenleving met afschuw en verbijstering vernomen en veroorzaken op grote schaal gevoelens van angst en onveiligheid.

Behalve deze feiten heeft verdachte meermalen seksuele handelingen verricht met een hem bekende minderjarige jongen (slachtoffer 3). Verdachte heeft daarbij grovelijk misbruik gemaakt van de meervoudig kwetsbare positie waarin deze jongen verkeerde. Daarbij heeft verdachte zich niet bekommerd om het grote gevaar dat een jongere in die omstandigheden in een belangrijke fase van geestelijke en lichamelijke ontwikkeling ernstig zou worden beschadigd.

Voorts heeft verdachte naar eigen zeggen meermalen hem onbekende kinderen benaderd om tegen betaling seksuele handelingen bij hem te laten verrichten. Een van die benaderingen is hem in de onderhavige strafzaak concreet als poging tot verleiding verweten en vormt mede de basis voor de bestraffing. Verdachte heeft ook door deze wijze van benadering van een kind (slachtoffer 4) blijk gegeven van een egocentrisch streven naar lustbeleving ten koste van het welbevinden van kinderen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport d.d. 30 november 2000, waarin geen advies wordt gegeven. In het bijzonder slaat de rechtbank acht op de persoonlijkheidsrapportage van het Pieter Baan Centrum. Volgens deskundigen van het Pieter Baan Centrum, de psycholoog J.M. Oudejans en de psychiater M.D. van Ekeren (samen met mevrouw M. Drost, Geneesheer-Directeur en vast gerechtelijk deskundige), in hun rapport d.d. 8 mei 2001, is verdachte voor de seksuele delicten verminderd toerekeningsvatbaar, vanwege een gemengde persoonlijkheidsstoornis. Verdachte is een sociaal-emotioneel zeer gehandicapte persoon, affectief en pedagogisch verwaarloosd. Opgegroeid in tehuizen in een overwegend repressieve sfeer leeft in hem de angst gekwetst te worden in een broos zelfgevoel. Het wordt door de rapporteurs aannemelijk geacht dat zich over het contactuele en seksuele onvermogen van verdachte een voortwoekerende frustratie heeft opgebouwd, die, gecombineerd met instrumenteel geweld gericht op voorkoming van ontdekking, tot de gruwelijke toedracht op 22 juni 2000 in het Beatrixpark heeft kunnen leiden. Het instrumentele geweld kan hem volgens de rapporteurs in enigszins verminderde mate worden toegerekend. De rechtbank maakt de gedeelde visie van de psycholoog en de psychiater tot de hare. Gezien de geconstateerde grote kans op herhaling van seksuele delicten ten opzichte van kinderen, indien verdachte niet wordt behandeld, acht de rechtbank, mede gezien het met die kans gepaard gaande gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van (jonge) personen, een maatregel van terbeschikkingstelling met bevel verpleging onvermijdelijk. Daarnaast resteert voor verdachte een aanzienlijke verantwoordelijkheid voor de gepleegde geweldsdelicten. De buitengewone ernst van die feiten, de doodslag op een jong meisje en een poging tot doodslag op een jonge jongen, maakt dat de rechtbank besluit tot oplegging van een gevangenisstraf van zeer lange duur. Het feit dat de rechtbank feitelijk tot een bewezenverklaring komt die beperkter is dan waartoe de officier van justitie heeft gevorderd, geeft de rechtbank geen aanleiding tot het opleggen van een lagere straf dan gevorderd. De rechtbank acht de bewezenverklaarde feiten van een zodanige uitzonderlijke ernst dat, naast de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel verpleging, niet met een lagere straf kan worden volstaan.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege eist, waarbij de rechtbank mede heeft gelet op de ernst van de begane feiten.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf en maatregel zijn behalve op de reeds genoemde artikelen gegrond op de artikelen, 37, 37a, 37b en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

DE VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJ

Op de wijze voorzien in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering hebben zich voor de aanvang van de terechtzitting gevoegd als benadeelde partijen:

(parketnummer 10/020018-00)

Nabestaande ouders wonende te Woonplaats, Adres, terzake van de feiten 1, 3 en 4. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van f. 27.152,60 en immateriële schade tot een bedrag van f. 50.000,-.

(Naam benadeelde partij=naam slachtoffer 2) , wonende te Woonplaat, Adres, terzake van de feiten 2 en 4. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van f. 10.000,- (voorschot).

(parketnummer 10/022053-01)

Naam benadeelde partij feit 1, adres, woonplaats, terzake van feit 1. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van f. 20.000,-.

Naam benadeelde partij feit 2, adres, woonplaats, terzake van feit 2. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van f. 10.000,- (voorschot).

Voor het geval aan de schriftelijke voeging een gebrek mocht kleven is door de bepaaldelijk daartoe gemachtigde namens naam benadeelde partij feit1 onder dit parketnummer, ter zitting voor het requisitoir van de officier van justitie op de wijze voorzien in artikel 51b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering te kennen gegeven de hiervoor genoemde vordering mondeling te doen.

Door of namens de verdachte is, ten aanzien van de feiten met parketnummer 10/020018-00, de aansprakelijkheid en de door de benadeelde partijen gestelde hoogte van de schade betwist.

Door of namens de verdachte is, ten aanzien van de feiten met parketnummer 10/022053-01, noch de aansprakelijkheid noch de door de benadeelde partijen gestelde hoogte van de schade betwist.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij nabestaanden van het overleden slachtoffer (slachtoffer 1), wordt het volgende overwogen.

De gevorderde materiele schade bedraagt in totaal fl. 27.152,60 en vloeit, blijkens de overgelegde specificaties, direct voort uit de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de begrafenis en het graf van het slachtoffer. Nu deze schade in een rechtstreeks verband staat met het onder 1subsidiair bewezen verklaarde feit op de dagvaarding met parketnummer 10/020018-00, verdachte daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld en de gevorderde schade de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal het gevorderde bedrag van fl. 27.152,60 worden toegewezen. Tevens zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel toepassen.

Voorzover door de benadeelde partij vergoeding van geleden immateriële schade is gevorderd oordeelt de rechtbank dat zij op dit onderdeel van haar vordering niet voegingsgerechtigd is als benadeelde partij in het strafgeding.

Daartoe wordt overwogen dat ingevolge artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering de navolgende partijen voegingsgerechtigd zijn:

degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit;

diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering;

vorderingen bedoeld in artikel 108 eerste en tweede lid van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek terzake van de daar bedoelde vorderingen.

Van rechtstreekse schade is in de hierbedoelde zin slechts sprake indien iemand rechtstreeks is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet rechtstreeks het belang van rechtsopvolgers, noch dat van derde belanghebbenden. In het geval van de hier overtreden strafbepalingen is dat, oordelend in het beperkte kader van de voeging van een benadeelde partij, niet anders, hoezeer ook de nabestaanden door de gevolgen getroffen zijn.

De vordering tot vergoeding van immateriële schade van degenen die zich als benadeelde partij hebben gesteld is evenmin een vordering van erfgenamen onder algemene titel verkregen dan wel een vordering als bedoeld in artikel 108 eerste en tweede lid van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Evenmin is sprake van een geval als bedoeld in artikel 106 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Gelet op het voorgaande is de benadeelde partij op dit onderdeel van haar vordering niet-ontvankelijk. Zij kan dit onderdeel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 2) overweegt de rechtbank als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij (salchtoffer 2) rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 2 subsidiair en 4 bewezen verklaarde strafbare feiten op de dagvaarding met parketnummer 10/020018-00.

De gevorderde immateriële schade ten bedrage van fl. 10.000,- is in het onderhavige strafgeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid toewijsbaar, zodat dit bedrag zal worden toegewezen. Tevens zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel toepassen.

Voorzover de benadeelde partij zich op het standpunt stelt dat (op een later moment) een hoger bedrag dient te worden toegekend, hetgeen de rechtbank opmaakt uit de omstandigheid dat is gevorderd om toekenning van een voorschot, dient de benadeelde (slachtoffer 2) zich te wenden tot de burgerlijke rechter.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij feit 1 ( van parketnummer 10/022053-01) (slachtoffer 3) bepaalt de rechtbank dat deze vordering, met name gezien de voorgeschiedenis van benadeelde, niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal worden bepaald dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij feit 2 ( van parketnummer 10/022053-01) (slachtoffer 4) bepaalt de rechtbank dat deze vordering, met name gezien het mogelijk schade-versterkende effect van na het feit optredende omstandigheden die de verdachte betreffen, niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal worden bepaald dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair (parketnummer 10/020018-00) en de onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair (parketnummer 10/022053-01) ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4 (parketnr. 10/020018-00) en 1 meest subsidiair en 2 (parketnr. 10/022053-01)de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte ter zake van deze feiten strafbaar;

veroordeelt de verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de tijd van 18 (achttien) jaren;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij (ouders slachtoffer 1) voor het materiële deel toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan (namen ouders slachtoffer 1) te betalen f. 27.152,60 (zegge zevenentwintigduizend honderdtweeënvijftig gulden en zestig cent);

bepaalt dat veroordeelde aan de Staat zal betalen een bedrag van f. 27.152,60 (zegge zevenentwintigduizend honderdtweeënvijftig gulden en zestig cent) ten behoeve van de benadeelde partij (namen ouders van het slachtoffer 1). De verplichting tot betaling van het bedrag aan de Staat, zal zijn vervallen indien en voor zover veroordeelde aan zijn verplichting tot voldoening van voormeld bedrag aan de benadeelde partij heeft voldaan. De verplichting tot voldoening van het bedrag aan benadeelde partij zal zijn vervallen indien en voor zover veroordeelde aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat heeft voldaan. Indien geen volledige betaling dan wel geen of geen volledig verhaal volgt zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van honderd dagen. De toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichting tot betaling ten behoeve van de benadeelde partij niet op;

verklaart de benadeelde partij (ouders slachtoffer 1) niet-ontvankelijk in de vordering voor wat betreft het immateriële deel en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij (ouders slachtoffer 1) tot heden in verband met dit geding van gemaakt, alsmede in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

wijst de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer 2) voor het immateriële deel toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan (slachtoffer 2), te betalen f. 10.000,- (zegge tienduizend gulden);

bepaalt dat veroordeelde aan de Staat zal betalen een bedrag van f. 10.000,- (zegge: tienduizend gulden) ten behoeve van de benadeelde partij (naam overlevend slachtoffer). De verplichting tot betaling van het bedrag aan de Staat, zal zijn vervallen indien en voor zover veroordeelde aan zijn verplichting tot voldoening van voormeld bedrag aan de benadeelde partij heeft voldaan. De verplichting tot voldoening van het bedrag aan benadeelde partij zal zijn vervallen indien en voor zover veroordeelde aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat heeft voldaan. Indien geen volledige betaling dan wel geen of geen volledig verhaal volgt zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van vijftig dagen. De toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichting tot betaling ten behoeve van de benadeelde partij niet op;

bepaalt dat voorzover de benadeelde partij (slachtoffer 2) zich op het standpunt stelt dat (op een later moment) een hoger bedrag dient te worden toegekend, de benadeelde partij zich dient te wenden tot de burgerlijke rechter;

veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij (slachtoffer 2) tot heden in verband met dit geding gemaakt, alsmede in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij (slachtoffer 3) (feit 1, parket.nr. 10/022053-01) niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij (slachtoffer 3) (feit 1, parket.nr. 10/022053-01) in de kosten gemaakt door verdachte in verband met deze voeging gemaakt en begroot deze kosten op nihil;

verklaart de benadeelde partij (slachtoffer 4) (feit 2, parket.nr. 10/022053-01) niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

veroordeelt de benadeelde partij (slachtoffer 4) (feit 2, parket.nr. 10/022053-01) in de kosten gemaakt door verdachte in verband met deze voeging gemaakt en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Silvis, voorzitter,

en mrs. Franken en Hoekstra, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Graumans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 mei 2001.