Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AB1816

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
157438 / KG ZA 01-670 en 157578 / KG ZA 01-686
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2001/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

A R R O N D I S S E M E N T S R E C H T B A N K T E R O T T E R D A M

Zaak/Rolnummers: 157438 / KG ZA 01-670 en 157578 / KG ZA 01-686

Uitspraak: 23 mei 2001

VONNIS van de president in kort

geding in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EUROPE COMBINED TERMINALS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. R.B. Gerretsen,

advocaat mr. C.G. Scholtens,

- t e g e n -

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Utrecht,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid CNV BEDRIJVENBOND,

gevestigd te Houten,

gedaagden,

procureur mr. B.F. Desloover,

advocaten mr. R. van der Stege en mr. A.F.A.M. Schellart.

Aan de zijde van eiseres hebben de volgende partijen zich gevoegd:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid ALLIANTIE ZEECONTAINERVERVOERDERS,

gevestigd te Zoetermeer,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid VERENIGING TRANSPORT ONDERNEMERS NEDERLAND VETRON,

gevestigd te Bergschenhoek,

3. de naamloze vennootschap RAILION BENELUX N.V.,

gevestigd te Utrecht,

4. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid VERENIGING CENTRAAL BUREAU VOOR DE RIJN- EN BINNENVAART,

gevestigd te Rotterdam,

procureur mr. F. Waardenburg

advocaat mr. R.S. van Coevorden.

Partijen worden hierna aangeduid als "ECT" respectievelijk "de bonden" en "Alliantie c.s.".

Tevens vonnis van de president in kort

geding in de zaak van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid VERENIGING VAN ROTTERDAMSE CARGADOORS,

gevestigd te Rotterdam

eiseres,

procureur mr. F.H. Kernkamp,

- t e g e n -

1. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging F.N.V. BONDGENOTEN,

gevestigd te Utrecht,

2. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging C.N.V. BEDRIJVENBOND,

gevestigd te Houten,

gedaagden,

procureur mr. B.F. Desloover.

advocaten mr. R. van der Stege en mr. A.F.A.M. Schellart.

Welke partijen hierna worden aangeduid als “VRC” respectievelijk “de Bonden”.

1. Het verloop van het geding

1.1

Dit blijkt uit de navolgende, door partijen ter vonniswijzing overgelegde, stukken:

dagvaardingen d.d. 22 mei 2001;

pleitnotities en producties van mr. Scholtens;

pleitnotities en producties van mr. Kernkamp;

producties van mr. Coevorden;

pleitnotities en producties van mrs. Schellart en Van der Stege.

De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten nog nader toegelicht.

1.2

Gelet op de gestelde spoedeisendheid wordt voor de overige dan de hierna te noemen feiten, omstandigheden en standpunten van partijen verwezen naar de hiervoor onder 1.1 bedoelde stukken. De president heeft aansluitend op de behandeling vonnis gewezen en dit vonnis als volgt gemotiveerd.

2. Het geschil

2.1

Samengevat vordert ECT om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair de Bonden te verbieden met ingang van het wijzen van dit vonnis, althans binnen twee uur na betekening daarvan, over te gaan tot het uitroepen tot, organiseren van en/of het ondersteunen van werkstakingen of werkonderbrekingen en/of enige andere actie welke tot verstoring van de werkzaamheden bij ECT mocht leiden en voorts de Bonden te bevelen om reeds gedaan aankondigingen c.q. oproepingen c.q. stemverklaringen terzake in te trekken en haar leden op te roepen niet deel te nemen aan acties als bedoeld;

subsidiair: de Bonden te bevelen met ingang van het wijzen van dit vonnis, althans binnen twee uur na betekening daarvan, om bij het uitroepen tot werkstakingen of werkonderbrekingen of enige andere actie welke tot verstoring van de werkzaamheden bij ECT mocht leiden, deze aan ECT uiterlijk 7 dagen, doch tenminste 3 dagen, althans zoveel dagen als de president billijk mocht achten vooraf schriftelijk aan te kondigen.

Dit alles, zowel primair als subsidiair op straffe van een dwangsom van fl. 1.000.000,00 voor elk handelen of nalaten in strijd met dit verbod of bevel en fl. 100.000,00 voor ieder uur dat een eventuele overtreding voortduurt, met veroordeling van de Bonden in de kosten van dit geding.

2.2

Aan haar vordering legt ECT ten grondslag dat er te snel is over gegaan tot acties, aangezien er nog onderhandelingsruimte bestaat nu de bonden niet serieus hebben onderhandeld door vast te houden aan hun oorspronkelijke eisen. Voorts heeft ECT aangevoerd dat de acties, die de werknemers van ECT voeren en die ondersteund worden door de bonden onrechtmatig zijn, omdat deze acties niet van te voren zijn dan wel worden aangekondigd.

2.3

de Bonden hebben geconcludeerd tot afwijzing van de gevorderde voorzieningen. Zij stellen onder de gegeven omstandigheden recht hebben om tot het voeren van actie over te gaan, nu de onderhandelingen met ECT zijn vast gelopen. Daarnaast hebben de bonden betwist dat de acties niet zijn aangezegd.

2.4

RCV heeft gevorderd de Bonden bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. te veroordelen om met alle hun daartoe ten dienste staande middelen te bewerkstelligen dat de aangekondigde guerrilla acties, waaronder het zonder aankondiging vooraf stilleggen van de afhandeling van schepen en lading op de diverse ECT terminals, geen doorgang zullen vinden;

b. te gebieden om elke eventueel in het kader van dit CAO-conflict te voeren actie 72 uren van te voren aan te kondigen in de pers op de gebruikelijke wijze, alsmede door middel van een faxbericht aan RCV op telefoonnummer 010-4046829;

c. te verbieden om acties waarbij de afhandeling van schepen vertraging oploopt vaker dan eens in de veertien dagen te voeren;

alles op straffe van een dwangsom met veroordeling van de Bonden in de kosten van het geding.

2.5

De bonden hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van RCV, stellende dat de acties die gevoerd worden rechtmatig zijn en RCV niet substantieel meer schade lijdt dan zij normaal als gevolg van collectieve acties zou lijden.

3. De beoordeling

3.1

Tussen ECT en de Bonden vindt sedert februari/maart 2001 overleg plaats in het kader van arbeidsvoorwaarden. Op 23 maart 2001, 11 april 2001 en 20 en 23 april 2001 en 15 mei 2001 hebben er gesprekken plaats gevonden. ECT en de Bonden zijn het niet eens geworden over de eisen van de Bonden, het handhaven van de prijscompensatie en een initiële loonsverhoging van 2% per 1 april 2001 en 1 april 2002. De Bonden hebben bij brief van 15 mei een ultimatum gesteld. In deze brieven staat het volgende:

"Graag vernemen wij uiterlijk 18 mei 2001 voor 06.00 uur of u bereid bent in te stemmen met onze voorwaarden, (…). Indien u niet kunt instemmen met deze voorwaarden, dient u vanaf genoemde datum en tijdstip rekening te houden dat wij alle middelen die ons ter beschikking staan zullen aanwenden om een akkoord te bereiken waarvan onze hiervoor genoemde voorwaarden onderdeel zullen zijn. Werkonderbrekingen en stakingen van korte en langere duur zijn daarbij niet uitgesloten." Bij schrijven van d.d. 17 mei 2001 en 22 mei 2001 heeft ECT aangeven dat de voorwaarden zoals verwoord in het ultimatum onbespreekbaar waren.

3.2

Vervolgens is er op 18 mei 2001 vanaf 7.15 tot 19 mei 2001 7.15 geheel gestaakt. Op 21 mei 2001 zijn de werkzaamheden tussen 11.30 en 15.30 en gedeeltelijk tot 19.30 onderbroken en op 22 mei 2001 gedeeltelijk tussen 3.15 en 7.30. Vandaag is er gedeeltelijk gestaakt tussen 3.15 en 7.30 en 7.15 en 15.15.

3.3

Uitgangspunt is dat de onderhavige collectieve acties en daarmee de stakingen vallen onder artikel 6 aanhef en onder 4 ESH, zodat de stakingen in beginsel moeten worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het in deze verdragsbepaling erkende grondrecht ondanks daarmee beoogde en op de koop toe genomen schadelijk gevolgen. Voor het oordeel dat zij niettemin onrechtmatig is, is dan slechts plaats indien zwaarwegende procedureregels zijn veronachtzaamd dan wel indien -met inachtneming van de door artikel 31 ESH gestelde beperkingen- moet worden geoordeeld dat de Bonden in redelijkheid niet tot deze actie hadden kunnen komen.

3.4

De stelling van ECT dat de Bonden niet naar het stakingsmiddel hebben mogen grijpen omdat er nog niet onderhandeld zou zijn, wordt verworpen. Zoals hierboven reeds aangegeven hebben er tussen partijen wel degelijk besprekingen plaats gevonden en zijn beide partijen niet bereid concessies te doen, zodat er een patstelling is ontstaan. Daarbij komt nog dat de rechter deze vraag met terughoudendheid dient te beantwoorden en in het kader van dit kort geding met name niet kan worden ingegaan op de inhoud van de onderhandelingen tussen partijen. Derhalve kan er niet van worden uitgegaan dat er tussen partijen niet onderhandeld zou zijn.

3.5

Ook de stelling van ECT dat de Bonden de acties niet hebben aangezegd, vindt geen steun in de feiten. Uit de hierboven geciteerde brief blijkt dat indien ECT niet aan de voorwaarden van de Bonden toegeeft de Bonden zullen overgaan tot acties. De eis van ECT dat ook dient te worden aangegeven in welke vorm die acties zullen plaatsvinden en op welk tijdstip dat zal geschieden, vindt geen steun in het recht. Een tijdige aanzegging dient plaats te vinden ten einde de werkgever in staat te stellen te trachten door het doen van voorstellen alsnog de gerezen geschillen in der minne op te lossen. De Bonden hebben ECT deze mogelijkheid geboden. Tijdige aanzegging kan niet worden verlangd teneinde de werkgever in staat te stellen de schadelijke gevolgen, die nu eenmaal inherent zijn aan de acties, te ontgaan. Daarbij komt nog dat de vorm waarin de Bonden de acties gieten, irrelevant is voor de schade die ECT lijdt, aangezien zij ook bij algehele stakingen tenminste deze schade zou lijden. Ook het argument van ECT dat deze actievorm gekozen zou zijn teneinde geen zwaar beroep te doen op de stakingskas kan niet tot een ander oordeel leiden.

3.6

De vraag die vervolgens aan de orde komt is of de schade die aan derden wordt toegebracht met zich kan brengen dat de acties als onrechtmatig dienen te worden aangemerkt. Zoals hierboven onder 3.4 aan de orde is gekomen, zijn de acties door de Bonden aangezegd. Dit betekent dat ook derden rekening kunnen houden met de eventuele werkonderbrekingen bij ECT. Zij kunnen er voor kiezen hun route te verleggen en elders naar toe te gaan dan wel het risico lopen bij ECT in een werkonderbreking met alle gevolgen van dien terecht te komen. Dit zou anders kunnen zijn indien derden door de acties extreme schade zouden lijden. Hoewel dit wel door Vetron is gesteld, ontbreekt overigens iedere onderbouwing van deze betwiste schadecijfers, zodat daar thans niet van kan worden uitgegaan. Ook op deze grond zijn de acties derhalve niet als onrechtmatig aan te merken.

3.7

Gezien het bovenstaande oordeelt de president dat thans niet kan worden geoordeeld dat de collectieve acties, zoals georganiseerd door de bonden als onrechtmatig dienen te worden aangemerkt. De vorderingen zullen derhalve worden afgewezen.

4. De beslissing

De president,

wijst af de vorderingen van ECT en Alliantie c.s.;

veroordeelt ECT en Alliantie c.s. in de kosten van dit kort geding, tot op heden aan de zijde van de Bonden begroot op fl. 400,00 aan verschotten en op fl. 1.550,00 aan salaris voor de procureur;

wijst af de vorderingen van RCV;

veroordeelt RCV in de kosten van dit kort geding, tot op heden aan de zijde van de Bonden begroot op fl. 400,00 aan verschotten en op fl. 1.550,00 aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.W.H. van den Emster, president, in tegenwoordigheid van mr. M. Verkerk, griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.