Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AB1605

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AW 00/822-LUG AW 00/823-LUG AW 00/824-LUG
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nrs.: AW 00/822-LUG

AW 00/823-LUG

AW 00/824-LUG

Uitspraak

in het geding tussen

[eiseres 1] (eiseres I), [eiseres 2] (eiseres II) en [eiseres 3] (eiseres III), allen wonende te [woonplaats],

gemachtigde mr. A.C.T. Hommes, advocaat te Rotterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Eiseressen, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, hebben ieder afzonderlijk bij de ad hoc ingestelde klachtencommissie, belast met het onderzoek naar ongewenst gedrag en omgangsvormen door [medewerker], een klacht ingediend. Deze commissie heeft de klacht van (onder andere) eiseressen in behandeling genomen.

Bij afzonderlijke besluiten van 30 juni 1999/1 juli 1999 heeft verweerder aan eiseressen medegedeeld dat de ad hoc klachten-commissie op 21 mei 1999 een rapport en advies heeft uitgebracht en dat verweerder hierin aanleiding heeft gezien aan [medewerker] diverse disciplinaire maatregelen (berisping en overplaatsing) op te leggen.

Tegen deze besluiten is door eiseressen bij brieven van respectievelijk 4 augustus, 28 juli en 9 augustus 1999 bezwaar gemaakt.

Daarnaast hebben eiseressen bij afzonderlijke brieven aan verweerder verzocht kenbaar te maken of hun bovengenoemde klachten gegrond zijn verklaard. Bovendien is verweerder met een beroep op het bepaalde in de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) verzocht een afschrift van zowel het rapport van de klachtencommissie van 21 mei 1999 als een afschrift van het advies van deze commissie van 21 mei 1999 te overleggen.

Bij afzonderlijke besluiten van 7 september/7 oktober 1999 heeft verweerder medegedeeld dat per individu dat deel van de rapportage beschikbaar wordt gesteld dat handelt over de individuele klacht. Voorts heeft verweerder daarbij medegedeeld dat slechts een deel van het advies wordt overgelegd. Aan het advies ontbreekt het gedeelte waarin de commissie uiteenzet welke rechtspositionele maatregelen ten aanzien van [medewerker] naar haar inzicht genomen moeten worden.

Bij brief van 11 oktober 1999 is namens eiseressen ook tegen de hiervoor genoemde gedeeltelijke weigering bezwaar gemaakt.

Bij besluiten van 7 maart 2000 heeft verweerder de bezwaren van eiseressen met betrekking tot:

de klachtafdoening niet-ontvankelijk verklaard;

de jegens [medewerker] getroffen disciplinaire maatregelen niet-ontvankelijk verklaard;

de herplaatsing van [medewerker] of inzet bij werkzaamheden binnen de gemeente deels gegrond verklaard (verweerder zal er voor zorgen dat [medewerker] geen werkzaamheden binnen de gemeentelijke organisatie zal verrichten - ook niet als externe kracht - waarbij eiseressen [medewerker] in de werksituatie tegen zouden kunnen komen);

het niet geheel overleggen van het integrale rapport en advies van de klachtencommissie ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten (hierna: de bestreden besluiten) is door eiseressen bij brief van 12 april 2000, nader aangevuld bij brief van 16 mei 2000, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 16 november 2000 een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft de rechtbank bij het inzenden van de op de zaken betrekking hebbende stukken verzocht ten aanzien van de stukken waarop het verzoek om informatie als bedoeld in de Wob - nog - betrekking heeft, toepassing te geven aan artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De rechtbank heeft aanleiding gezien de drie beroepen, onder toepassing van artikel 8:14, eerste lid, van de Awb, gevoegd ter zitting te behandelen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2000. Aanwezig waren eiseressen en hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. van Hassel-van Roon, juridisch adviseur der gemeente Rotterdam.

2. Overwegingen

De rechtbank stelt voorop dat bij besluiten van 27 juni 2000 verweerder tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiseressen met betrekking tot hun klachtafdoening. Nu eiseressen dit deel van het beroep bij brief van 8 augustus 2000 hebben ingetrokken is de rechtbank niet bevoegd zich hieromtrent uit te laten. Hetgeen ter zitting omtrent (de uitvoering van) dit onderdeel van het bestreden besluit is aangevoerd kan hieraan niet afdoen.

Voor de rechtbank resteert derhalve de beoordeling of verweerder op goede gronden eiseressen in hun bezwaren omtrent de jegens [medewerker] getroffen disciplinaire maatregelen niet-ontvankelijk en de bezwaren van eiseressen tegen de overplaatsing van [medewerker] deels ongegrond heeft verklaard. Voorts dient de rechtbank te beoordelen of verweerder op goede gronden de bezwaren van eiseressen tegen het niet geheel overleggen van het (integrale rapport- en) advies van de klachtencommissie ongegrond heeft verklaard.

Terzake van de ontvankelijkheid van eiseressen omtrent de disciplinaire maatregelen jegens [medewerker], alsmede het deels ongegrond verklaren van de bezwaren van eiseressen ten aanzien van de overplaatsing van [medewerker] overweegt de rechtbank als volgt.

Naar aanleiding van de klachten van onder meer eiseressen heeft verweerder [medewerker] op basis van de uitkomsten van het onderzoek van de klachtencommissie disciplinair berispt. Verweerder heeft daarbij bovendien [medewerker] overgeplaatst naar een andere passende betrekking en hem in afwachting daarvan buitengewoon verlof verleend. Zulks is eiseressen bij brieven van 30 juni/1 juli 1999 medegedeeld. Op verzoek van [medewerker] heeft verweerder hem per 1 januari 2000 ontslag verleend. Niet is evenwel uit te sluiten dat [medewerker] als externe kracht bij verschillende projecten van de gemeente Rotterdam zal worden ingezet.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseressen door de aan [medewerker] opgelegde disciplinaire straf niet rechtstreeks in hun belangen zijn getroffen. Deze maatregel raakt uitsluitend [medewerker] en heeft geen invloed op de rechtspositie van eiseressen of de uitoefening van hun functies. Verweerder acht eiseressen in hun bezwaren hiertegen dan ook niet-ontvankelijk.

Verweerder is anderzijds van mening dat de plaatsing van [medewerker] binnen de gemeentelijke organisatie eiseressen wel rechtstreeks raakt. Een mogelijk (toekomstige) functionele relatie tussen eiseressen en [medewerker] raken eiseressen direct in hun functie en functioneren. De overplaatsing van [medewerker] naar de [afdeling] was evenwel voorlopig en bovenformatief. De overplaatsing heeft bovendien geen inhoud gekregen en is achterhaald door het ontslag per 1 januari 2000.

Omdat de bezwaren van eiseressen zich richten tegen het optreden van [medewerker] in de werksfeer, gelden de bezwaren van eiseressen ook tegen het inzetten van [medewerker] als externe kracht. Ingevolge de Arbo-wetgeving acht verweerder zich verplicht tot bescherming van eiseressen tegen [medewerker], onverschillig of hij in gemeentelijke dienst is danwel als externe kracht wordt ingezet bij werkzaamheden ten behoeve van de gemeente. Gelet op de negatieve ervaringen van eiseressen met [medewerker] heeft een direct contact, fysiek of in een functionele relatie, een slechte uitwerking op eiseressen en op hun functioneren. Verweerder is dan ook van mening dat vermeden dient te worden dat [medewerker] wordt ingezet bij werkzaamheden waarbij hij in een directe functionele relatie, dan wel in de fysieke nabijheid van eiseressen zou komen. Verweerder heeft in dat verband een inspanningsverplichting op zich genomen om bij alle in de toekomst extern in te huren arbeidskrachten kritisch en nauwkeurig te bezien of en op welke wijze [medewerker] kan worden ingezet en, indien een inzet van [medewerker] zou kunnen leiden tot reëel te achten bezwaren bij werknemers van de gemeente, daarbij als uiterste consequentie af te zien van de inzet van [medewerker].

Eiseressen zijn van mening dat de ten aanzien van [medewerker] getroffen maatregelen, bestaande uit een berisping en een overplaatsing van [medewerker] niet in evenredige verhouding staan tot de aard van de gedragingen van [medewerker]. Eiseressen menen derde belanghebbenden te zijn aangezien de aard en omvang van de disciplinaire maatregelen voortvloeien uit door hen ingediende klachten omtrent intimidatie. Uit de omvang van de sanctie kunnen eiseressen aflezen in welke mate verweerder de gedragingen van [medewerker] afkeurt.

Eiseressen zijn bovendien van mening dat hun arbeidsprestaties door toedoen van [medewerker] negatief zijn beïnvloed. Zij hebben er belang bij dat zij in hun werkomgeving gevrijwaard blijven van (mogelijke) aanwezigheid, direct of indirect, van [medewerker].

Eiseressen wijzen er voorts op dat een slachtoffer van seksuele intimidatie of ander ongewenst gedrag, daarover klagend bij het betrokken bestuursorgaan, in het algemeen en per definitie dient te worden aangemerkt als derde belanghebbende bij het daaruit voortvloeiende besluit jegens de aangeklaagde. Eiseressen verwijzen daarbij naar artikel 7:658 BW, waaruit volgt dat een werknemer in het kader van een civielrechtelijke arbeidsverhouding zich te allen tijde tot de kantonrechter kan wenden omtrent de aard van de veiligheidsmaatregelen die de werkgever treft teneinde de werknemer te beschermen tegen de gevolgen van seksuele intimidatie.

Eiseressen achten voorts het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies van de Algemene Beroepscommissie kamer II/V (hierna: ABC-commissie) onbegrijpelijk. Ten aanzien van de berisping worden zij niet-ontvankelijk geacht omdat dit [medewerker] enkel raakt, doch anders wordt geoordeeld ter zake van de andere disciplinaire maatregel tot overplaatsing. Desondanks heeft verweerder naar de mening van eiseressen besloten hen toch niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de bezwaren tegen alle disciplinaire maatregelen, dus ook die ten aanzien van de overplaatsing. Het onderscheid dat de ABC-commissie maakt tussen de disciplinaire straffen berisping en maatregel tot overplaatsing komt naar de mening van eiseressen dan ook geforceerd voor.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de ABC-commissie in haar advies een onderscheid heeft gemaakt tussen de opgelegde disciplinaire straf (berisping) en de overplaatsing. Dit onderscheid heeft verweerder - gelezen de bestreden besluiten - ook op deze wijze als zodanig overgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de bestreden besluiten dan ook in die zin te worden gelezen dat de bezwaren van eiseressen tegen de berisping niet-ontvankelijk worden geacht en de bezwaren ter zake van de overplaatsing deels gegrond in die zin dat verweerder zich een inspanningsverplichting heeft opgelegd ten einde er voor te zorgen dat [medewerker] niet meer in een functionele relatie in contact komt met eiseressen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte eiseressen ten aanzien van de disciplinaire maatregel in de vorm van overplaatsing als belanghebbenden in de zin van de Awb heeft aangemerkt.

De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat eiseressen op zich tegen de inspanningsverplichting die verweerder zichzelf heeft opgelegd bezwaren hebben anders dan dat zij zich afvragen of verweerder hen wel voldoende kan beschermen. De rechtbank is van oordeel dat deze inspanningsverplichting in voldoende mate tegemoet komt aan hetgeen van verweerder in dergelijke omstandigheden in redelijkheid mag worden verwacht. De twijfel bij eiseressen omtrent de wijze waarop verweerder aan deze inspanningsverplichting inhoud zal geven kan de rechtbank begrijpen doch is een uitvoeringskwestie die buiten de omvang van dit geding valt. Eiseressen staat niets in de weg om in geval toch op enige wijze [medewerker] in een functionele relatie in contact komt met eiseressen, verweerder hierop direct aan te spreken. In het geval verweerder alsdan geen adequate maatregelen neemt zoals in de inspanningsverplichting is vastgelegd, staan voor eiseressen desgewenst de daarvoor eigende rechtsmiddelen open.

De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder met het aangaan van diens inspanningsverplichting als hiervoor bedoeld, niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 7:658 BW. De bezwaren van eiseressen tegen de disciplinaire maatregel tot overplaatsing acht de rechtbank, nu verweerder de bezwaren van eiseressen gegrond heeft verklaard en hen tegemoet is gekomen door zich een inspanningsverplichting op te leggen, in zoverre dan ook ongegrond.

Thans dient te worden bezien of verweerder eiseressen op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard terzake van de berisping.

Eiseressen hebben destijds in de bezwaarschriftprocedure aangevoerd dat berisping als straf met zich brengt dat een zwaardere straf als ontslag achterwege is gelaten zodat zij er niet zeker van zijn dat zij hun werk in een veilige en beschermde werkomgeving kunnen uitoefenen. Ontslag biedt voor hen dan ook de meest vergaande vorm van bescherming. Nu dit achterwege is gelaten achten eiseressen zich in hun belangen getroffen.

De rechtbank constateert dat [medewerker] met ingang van 1 januari 2000 op diens verzoek ontslag is verleend. Gelet op hetgeen in beroep en ter zitting is aangevoerd hadden eiseressen evenwel liever gezien dat eiser door verweerder (oneervol) ontslagen zou zijn in plaats van dat [medewerker] zelf zijn ontslag had aangeboden. Uit de omvang van de maatregelen wensen eiseressen immers af te lezen in hoeverre verweerder de gedragingen van [medewerker] heeft afgekeurd.

De rechtbank merkt hieromtrent in de eerste plaats op dat het haar is gebleken dat verweerder in verschillende brieven herhaaldelijk duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij de klachten van eiseressen ernstig heeft genomen.

De vraag of eiseressen als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt dient te worden bezien in het licht van artikel 1:2 van de Awb. Door de rechtbank wordt deze vraag in dit geschil ontkennend beantwoord.

Ingevolge het eerste lid van artikel 1:2 van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Hiermede wordt een zekere begrenzing beoogt.

Een louter subjectief gevoel van sterke betrokkenheid is, hoe sterk dat gevoel ook is, onvoldoende om te kunnen spreken van een rechtstreeks betrokken belang in de zin van de Awb.

De rechtbank acht gelet op het (resterende) belang aan de kant van eiseressen, namelijk een genoegdoening door het opleggen van een zwaardere maatregel aan [medewerker] dan berisping, onvoldoende grond aanwezig om hen (nog) te kunnen aanmerken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseressen dan ook niet ten onrechte niet-ontvankelijk hebben verklaard in hun bezwaren tegen de aan [medewerker] opgelegde maatregel.

Ten aanzien van de beroepen in het kader van het niet geheel overleggen van het integrale rapport en advies van de klachtencommissie overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 3, eerste lid, van de Wob is bepaald dat een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid kan richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de Wob wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van deze wet.

Artikel 10, tweede lid, van de Wob - voorzover hier van belang - luidt:

"Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(...)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(...)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden."

Ingevolge artikel 11, eerste lid, Wob wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

Eiseressen hebben afzonderlijk aan verweerder met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur en de Gedragscode ter bestrijding van ongewenste omgangsvormen verzocht om een afschrift van het rapport van de klachtencommissie ad hoc van 21 mei 1999 en het advies van deze commissie van dezelfde datum.

Verweerder heeft eiseressen medegedeeld dat het rapport van de klachtencommissie veel namen bevat en dat het verweerder om die reden niet juist lijkt het gehele rapport aan de openbaarheid prijs te geven.

Voorts is medegedeeld dat het aan eiseressen ter inzage te geven advies niet volledig is en dat daaraan ontbreekt het gedeelte waarin de klachtencommissie uiteenzet welke rechtspositionele maatregelen ten aanzien van degene op wie de ingediende klachten betrekking hebben naar haar inzicht moeten worden genomen. Dit gedeelte leent zich naar het oordeel van verweerder niet voor openbaarmaking, omdat daardoor het belang van [medewerker] onevenredig zou worden geschaad ten opzichte van het algemeen belang dat met openbaarmaking wordt gediend. Verweerder stelt hierbij [medewerker] te willen beschermen daar deze door een discussie over de zwaarte van de maatregelen verder zou worden geschaad. Dit acht verweerder een door de Wob gerespecteerd belang, dat zwaarder dient te wegen dan het algemeen belang dat met openbaarmaking wordt gediend.

Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat het overigens gaat om een interne rapportage van een ambtelijke commissie die verweerder heeft geadviseerd. Nu het advies van de klachtencommissie over de te nemen rechtspositionele maatregelen de rechtspositie van [medewerker] raakt is verweerder van mening dat dit deel van het advies niet kan worden gezien als een bestuursaangelegenheid noch als een handelen van een bestuursorgaan.

Het gaat hier - aldus verweerder - puur om een intern ambtelijk advies over mogelijke rechtspositionele maatregelen van verweerder. In feite is hier sprake van stukken in de zin van intern beraad (persoonlijke beleidsopvattingen) die, aldus verweerder, alleen al om die reden niet voor openbaarmaking in aanmerking dienen te komen (artikel 11 Wob). Ten aanzien van het resterende deel van de rapportage heeft verweerder een beroep gedaan op de uitzonderingsgronden als genoemd in artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob.

Eiseressen kunnen het standpunt van verweerder, dat het advies terzake van de te treffen rechtspositionele maatregelen ter bescherming van [medewerker] niet openbaar gemaakt kan worden aangezien [medewerker] door een discussie over de zwaarte van de maatregelen verder zou zijn geschaad, niet volgen. Als [medewerker] al zou zijn geschaad door een discussie over de zwaarte van de maatregel, dan is verweerder hier naar de mening van eiseressen zelf debet aan. De discussie over de zwaarte van de maatregel is door het onzorgvuldige handelen van verweerder in gang gezet, namelijk door in afwijking van het vermoedelijke advies van de klachtencommissie een lichtere maatregel aan [medewerker] op te leggen.

Eiseressen achten de motivering van verweerder voor dit standpunt onbegrijpelijk. Zij hebben in dat verband gewezen op het feit dat de stukken die openbaar zijn gemaakt veel gedetailleerde informatie over de gedragingen en het functioneren van de persoon van [medewerker] bevatten. Uitgebreid wordt uiteengezet waaruit die gedragingen bestonden en ook welk oordeel de klachtencommissie heeft over dat functioneren. Onduidelijk is waarom dit wel openbaar is gemaakt en niet het gedeelte waarin deze commissie aangeeft welke rechtspositionele maatregelen naar haar inzicht genomen moeten worden. Het gedeelte met de rechtspositionele maatregelen kan nauwelijks meer de persoonlijke levenssfeer van de heer [medewerker] raken, dan het inhoudelijk gedeelte over diens gedragingen en functioneren.

Eiseressen hebben aangevoerd dat het algemeen belang dat in dit geval bij openbaarheid is gediend is gelegen in het feit dat burgers in staat moeten worden gesteld te kunnen toetsen in hoeverre [medewerker] het vertrouwen in het ambt heeft beschadigd. Voorts is van belang waar te nemen of verweerder is afgeweken van het advies van de klachtencommissie. De inhoud van het rapport doet immers vermoeden dat de commissie een veel zwaardere rechtspositionele maatregel heeft geadviseerd dan verweerder heeft opgelegd. Als blijkt dat verweerder is afgeweken van het advies van de onderzoekscommissie kan de vraag worden gesteld waarom dat is gebeurd en of dat in het belang van de burgers is. Daar iedere schijn van partijdigheid dient te worden vermeden is het algemeen belang gediend bij openbaarmaking van het advies omtrent rechtspositionele maatregelen.

De rechtbank merkt in dit kader in de eerste plaats op dat zij ter zitting heeft vastgesteld dat de beperking van de kennisneming waarop verweerder op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb heeft verzocht, gerechtvaardigd is.

Eiseressen hebben vervolgens ter zitting toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

De rechtbank is - gelezen het rapport alsmede het advies van de klachtencommissie - met de ABC-commissie van oordeel dat zowel het integrale rapport als het advies, aan eiseressen verstrekt kan worden; dit echter met uitzondering van de verklaringen van andere klagers en van getuigen alsmede ambtelijke beleidsnotities.

De van de zijde van verweerder aangegeven bezwaren terzake van het overleggen van dat gedeelte van het advies dat betrekking heeft op jegens [medewerker] te treffen rechtspositionele maatregelen betreft uitsluitend de manier van optreden en handelen van [medewerker] in de werksfeer. Het heeft uitsluitend betrekking op diens functioneren en niet op zijn persoonlijke leven. Volgens vaste jurisprudentie is de persoonlijke levenssfeer van een betrokken ambtenaar niet in geding wanneer in de stukken, waarvan openbaarheid wordt verzocht, slechts gesproken wordt over het beroepshalve functioneren van personen.

Niet goed is naar het oordeel van de rechtbank in te zien om welke reden verweerder wel dat gedeelte van het advies van de klachtencommissie kenbaar maakt waarin het gedrag en functioneren van [medewerker] op zeer indringende wijze en in vrij stevige bewoordingen wordt geanalyseerd en beoordeeld, doch anders oordeelt omtrent het oordeel terzake van de te treffen rechtspositionele maatregelen. Niet goed valt dan ook te begrijpen welk extra leed aan [medewerker] zou worden toegevoegd door ook dit gedeelte van het rapport ter inzage te geven. Dat oordeel zegt immers niet zozeer iets over [medewerker] maar meer over hoe het bevoegd gezag naar de mening van het adviesorgaan met dit soort gedrag zou moeten omgaan.

De eerst ter zitting aangevoerde stelling van verweerder dat het rapport van de klachtencommissie is opgesteld ten behoeve van intern beraad wordt niet door de rechtbank onderschreven. Op geen enkele wijze valt immers het standpunt te verdedigen dat het rapport/advies van de klachtencommissie kan worden gezien als document, opgesteld ten behoeve van slechts een intern beraad. In het geval dit wel zo zou zijn valt niet te begrijpen dat desondanks een groot deel van het advies en rapport reeds door verweerder ter inzage is verstrekt. Het beroep op artikel 11 van de Wob faalt derhalve.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e dan wel g, van de Wob bedoelde belangen.

Nu niet is gebleken dat het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob zich tegen openbaarmaking verzet komen de bestreden besluiten in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank ziet tenslotte aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseressen in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op f. 1420,= aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart de beroepen gegrond,

vernietigt de bestreden besluiten voorzover daarbij de bezwaren ten aanzien van de verzoeken in het kader van de Wob ongegrond zijn verklaard,

bepaalt dat verweerder ten aanzien van het vernietigde gedeelte binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming met hetgeen is vermeld,

bepaalt dat verweerder aan eiseressen (ieder afzonderlijk) het door hen betaalde griffierecht van f. 225,= vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van

f. 1420,= en wijst de gemeente Rotterdam aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseressen moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. T.F. van der Lugt.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Vermaat als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2001.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op: 21 februari 2001.

Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiseressen worden begrepen - en verweerder kunnen voor wat betreft de ambtenaar-rechtelijke aspecten tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiseressen worden begrepen - en verweerder kunnen voor wat betreft de Wob-aspecten tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.