Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AB1552

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
10/150064-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10/150064-00

Datum uitspraak: 11 mei 2001

Tegenspraak

Na aanhouding bepaalde tijd: verschenen

VONNIS (persexemplaar)

van de ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

Naam verdachte

geboren te O (Turkije) op 1 januari 1965,

wonende te Rotterdam,

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “De Grittenborgh” te Hoogeveen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 maart 2001 en de terechtzitting van 19, 23, 24, 26 en 27 april 2001.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding onder voornoemd parketnummer, zoals deze ter terechtzitting van 19 april 2001 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Van deze dagvaarding en vordering zijn kopieën in het vonnis gevoegd (niet opgenomen in het persexemplaar).

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie, mr. Klunder, heeft gerekwireerd - zakelijk weergegeven - de bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 primair (medeplegen van doodslag, meermalen gepleegd) ten laste gelegde en de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaar met aftrek van voorarrest alsmede de oplegging van een geldboete van f. 200.000,-- bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door zes maanden hechtenis. Voorts heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd van de voorwerpen, zoals staan vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 22 april 2001.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN DE VERVOLGING

Op grond van hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht in het kader van een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid en overigens op grond van de aan de verdediging gedane toezegging juridische verweren opgeworpen in de zaken van medeverdachten, wier zaak gelijktijdig werd behandeld, ambtshalve te bespreken, overweegt de rechtbank het volgende:

Het verweer houdt in hoofdzaak in dat het mensensmokkeltransport is doorgelaten door de Nederlandse autoriteiten, “weggetipt” aan de Engelse autoriteiten, dan wel dat de overheid schromelijk tekort is geschoten in de opsporing, dan wel dat de rechtbank en de verdediging omtrent de werkelijke gang van zaken zijn misleid, hetgeen in strijd met de goede procesorde is; subsidiair wordt telkens om nader onderzoek gevraagd alvorens een oordeel te vellen over de ontvankelijkheid. Bij de bespreking van dit verweer wordt meer gedetailleerd aangegeven welke onderdelen het verweer overigens behelst.

1. In het algemeen bestaat er geen recht van burgers op ingrijpen door de overheid ten aanzien van feiten die zij zelf voornemens zijn te plegen, voorbereiden of aan de uitvoering waarvan zij zijn begonnen. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens vermeend falen van politie en justitie in de preventie van de feiten die de tenlastelegging betreffen, of die daaraan vooraf zijn gegaan, moet dan ook worden verworpen, tenzij er sprake is van een uitzondering op de algemene regel. Beweerdelijk tekortschietend vreemdelingenbeleid of falende wereldpolitiek terzake van mondiale armoedebestrijding leveren geen omstandigheden op die in dit verband een uitzondering op de geformuleerde algemene regel kunnen opleveren.

2. Van een uitzondering kan wel sprake zijn indien de overheid door het voeren van een gedoogbeleid onder omstandigheden legitieme verwachtingen wekt bij burgers, dat zij ondanks overschrijding van bepaalde wettelijke normen, handelend in een bepaald kader, ongemoeid gelaten zullen worden. Die situatie is in casu niet aan de orde.

Voorts is een uitzondering op de algemene regel denkbaar indien de overheid zelf een actieve rol speelt bij het totstandkomen van de verboden handeling (voorbeeld: pseudo-koop waarbij 126 i Sv niet wordt nageleefd). Een dergelijke omstandigheid is in casu evenmin aan de orde.

3. Ook al hebben verdachten geen recht op ingrijpen van de overheid voordat zij strafbare handelingen plegen, andere normen kunnen evenwel onder omstandigheden zodanig geschonden zijn, dat de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie hierdoor wordt getroffen. De beoordeling daarvan zal moeten plaatsvinden in het licht van de strekking van de relevante norm, na vaststelling van de daarvoor van belang zijnde feiten. In dit verband overweegt de rechtbank het volgende.

In het recht zijn opsporingsbevoegdheden niet alleen gekoppeld aan normen die strekken tot bescherming van de verdachte in een concrete zaak, maar ook aan normen die de goede werking en integriteit van het opsporingsapparaat dienen, alsmede de beperking van gevaren die bepaalde opsporingsmethoden voor de samenleving kunnen opleveren. Het verbod van doorlaten van gevaarlijke goederen is daarvan een voorbeeld (126ff Sv). Slechts onder wettelijk aangegeven beperkingen is doorlaten van voorwerpen als opsporingsmethode toegelaten. Naar analogie daarvan is door de Minister van Justitie in het parlement -zakelijk weergegeven - gesteld, dat hij doorlaten van mensen in geval van mensenhandel ontoelaatbaar acht en doorlaten in geval van mensensmokkel niet op voorhand ontoelaatbaar acht indien er geen sprake is van inhumaan vervoer, en/of een perspectief van uitbuiting of anderszins mensonterende omstandigheden (zie T.K. 1999-2000, Aanhangsel van de handelingen, nr. 1736 en de aldaar vermelde bronnen). Het transport van zestig mensen naar Engeland in een koelcontainer met een deklading tomaten is zonder twijfel een situatie waarin de door het parlement geaccepteerde norm van de Minister van Justitie tot ingrijpen noopt, zodra de politie daarvan op de hoogte is. De verdediging heeft in verschillende bewoordingen gesteld dat de politie op de hoogte was, dan wel op de hoogte had moeten zijn van het mensensmokkeltransport van 18 juni 2000.

4. De stelling dat het openbaar ministerie op de hoogte was van het mensensmokkeltransport van 18 juni 2000 is door de verdediging gebaseerd op veronderstellingen. Bij de rechter-commissaris is door de voorzitter van het College van procureurs-generaal mr. de Wijckerslooth de Weerdesteijn op 9 april 2001 verklaard, dat in het Charimedes-onderzoek niet op enig moment een beslissing is gevraagd omtrent doorlating van mensen. Datzelfde geldt in het kader van het later gestarte Fanqie-onderzoek. In geen enkel contact is hem op enig moment gebleken dat er in deze zaken op enig niveau sprake zou kunnen zijn geweest van iets dat op doorlaten lijkt. Door de officier van justitie ter zitting, alsmede door de bij de rechter-commissaris op 29 maart 2001 gehoorde officieren van justitie mr. Zwaneveld en mr. Hemelaar, zaaksofficieren in verschillende fasen van het Charimedes-onderzoek, is daaromtrent niet anders verklaard. De rechtbank concludeert derhalve, dat van “doorlaten” in de door regelgeving welomschreven procedure in de onderhavige zaken dan ook geen sprake is geweest.

5. De stelling, dat er sprake is geweest van zoiets als “doorlaten” in een buitenwettelijke variant, houdt onder meer in dat het mensensmokkeltransport zou zijn “weggetipt” aan de Engelse autoriteiten, waardoor de controle te Dover plaats zou hebben gevonden. Van de zijde van de verdediging is in dit verband naar voren gebracht dat de politie wel kennis zou dragen van een transport van mensen, maar dat de politie abusievelijk in de veronderstelling verkeerde dat het ging om Koerden ten aanzien waarvan in Engeland het bewijzen van de illegale status eenvoudiger zou liggen dan in Nederland, zodat daarin het motief zou moeten worden gezocht voor het beweerdelijk “wegtippen”.

De stelling wordt niet gestaafd door feiten en behoeft derhalve in zoverre geen nadere bespreking. Op de vraag of nader onderzoek van de politiële contacten tussen Nederland en Engeland in het kader van dit strafproces zou moeten plaatsvinden, om de “wegtip-these” alsnog te kunnen bevestigen of nader te weerleggen, komt de rechtbank hierna nog terug.

6. De stelling dat, indien het openbaar ministerie niet op de hoogte was, maar in onderscheid daarvan de politie wellicht wel op de hoogte was, is door de onderzoeksleider van het Charimedes-team Hessel, alsmede door zijn vervanger Van Beest bij herhaling nadrukkelijk weersproken. Volgens hun verklaring zijn zijzelf en het Charimedes-team in de dagen voor 18 juni 2000 en gedurende het transport van 18 op 19 juni 2000, waarbij illegale Chinezen van Nederland via België naar Engeland werden gebracht, niet op de hoogte geweest van dit transport. Door de leider van observatieonderzoeken in de regio Rotterdam-Rijnmond is verklaard dat in het Charimedes-onderzoek na 16 juni 2000 geen observaties hebben plaatsgevonden. Uitgaande van deze stellingen is er geen plaats voor enigerlei aannemelijkheid van voorgenomen doorlating, min of meer gecontroleerde reisbeweging of “wegtippen” van het mensensmokkeltransport van 18 juni 2000 aan de Engelsen. Waar de kennis ontbreekt is “wegtippen” om die reden reeds onmogelijk.

Behalve de mondelinge verzekeringen van de officieren van justitie en de onderzoeksleiding zijn er andere duidelijke aanwijzingen waarom in Dover de controle van het transport van de trekker met kenteken VT-31-TS plaatsvond, die zelfstandig ook volledig plausibel maken waarom juist deze controle plaatsvond, nog daargelaten dat ook steekproefsgewijs volledig willekeurige controles kunnen plaatsvinden. Uit het onderzoek blijkt dat Van Horseele, transportdirecteur van P&O te Zeebrugge, vermeldt dat in het daartoe bestemde formulier werd aangegeven dat voor het transport “cash” is betaald. Die aantekening werd verzonden naar Engeland. Voorts werd het transport uitgevoerd door een voorheen niet bekende transporteur. Door Andrew Victor Smith (Customs and Excise) is bij het verhoor in het kader van de rogatoire commissie in Engeland verklaard, dat hij het manifest dat was verstrekt door de scheepvaartmaatschappij had ingezien, alvorens te besluiten tot controle van het voertuig. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat de controle zou hebben plaatsgevonden naar aanleiding van een tip van de Nederlandse politie of enige andere Nederlandse autoriteit.

7. Voor zover de stelling wordt geopperd, dat het openbaar ministerie en de politie op de hoogte hadden moeten zijn, is die gebaseerd op verschillende veronderstellingen. In het bijzonder is daarbij naar voren gebracht, dat de politie eerder, dat wil zeggen uiterlijk voor het weekeinde van 17 en 18 juni 2000, moet hebben geweten van het mislukte mensensmokkeltransport van 4 op 5 april 2000.

De rechtbank overweegt hieromtrent, dat door d’Ardenne (get. 56 GB), de in Engeland verantwoordelijke voor de arrestatie en het verhoor van de chauffeur van dat transport (Naam medeverdachte), op 27 oktober 2000 schriftelijk is verklaard dat hij geen melding heeft gedaan van dat ontdekte transport aan de Nederlandse autoriteiten en hem evenmin bekend is dat enige andere autoriteit daar melding van had gedaan aan Nederland. Door de onderzoeksleiders Hessel en Van Beest van het Charimedes-team is bij de rechter-commissaris als ook ter zitting verklaard dat zij voor het transport van 18 juni 2000 niet op de hoogte waren van (het mislukken van) een mensensmokkeltransport op 4 of 5 april 2000. De leider van het expertise-team ZOA (Zuid Oost Azië-team), hoofdinspecteur van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond Van der Zee, heeft bij de rechter-commissaris eveneens verklaard voor 18 juni 2000 niet op de hoogte te zijn geweest van het bedoelde mensensmokkeltransport van 4 of 5 april 2000. Hij was daar “ambtelijk verdrietig” over. Ook de ter zitting gehoorde heer IJzerman, hoofd van het IAM (Informatie en Analyse Centrum Mensensmokkel), stelde in de relevante periode niet op de hoogte te zijn geweest. Voorts blijkt uit het antwoord van België op het rechtshulpverzoek van 23 juni 2000 (dossier F, p. 132) dat de ontdekking van Chinese illegalen omstreeks 6 april 2000 door Groot-Brittannië niet was gemeld, wel dat eerst na een gericht verzoek om informatie uit Groot-Brittannië na 23 juni 2000 was gebleken van het aantreffen van 50 illegale Chinezen in een uit Nederland afkomstige vrachtwagen op de P&O ferry van Zeebrugge naar Dover op 5 april 2000.

Op grond van deze feiten concludeert de rechtbank dat het openbaar ministerie en het Charimedes-team niet op de hoogte waren van het mensensmokkeltransport van 4 op 5 april 2000. De rechtbank acht de these ruimschoots voldoende onderzocht en constateert dat het (mislukken van het) transport van 4 op 5 april 2000 bij de Nederlandse politie of andere autoriteiten niet bekend was voor 19 juni 2000, toen bij de doorzoeking bij (Naam Medeverdachte, niet gelijktijdig berechte persoon) door laatstgenoemde daarvan mededeling werd gedaan.

8. Naar voren is gebracht dat de politie gezien de stand van zaken in de maanden of weken of dagen voorafgaande aan het weekeinde van 17 en 18 juni 2000 een te laag niveau van inzet van dwangmiddelen had. Uitgaande echter van hetgeen hiervoor is vastgesteld omtrent het ontbreken van kennis aangaande een mensensmokkeltransport van 4 april 2000 via België naar Engeland, is de basis voor uitoefening van dwangmiddelen beperkt tot de omstandigheden zoals die in de rapporten voor de relevante machtigingen zijn weergegeven. De rechtbank oordeelt dat het bevel stelselmatige observatie, de verlenging daarvan en de inzet van technische hulpmiddelen voldoende is onderbouwd. (Terzijde merkt de rechtbank in dit verband op dat het Besluit technische hulpmiddelen nog niet in werking was getreden: Stb 1999, 547 art. 2 en 4 jo. Stb. 2000, 32, art. 2: datum inwerkingtreding 1 februari 2001, een jaar na invoering van de Wet BOB.)

De suggestie is aangehaald dat het nalaten een realtime peilbaken in te zetten een leugen of een onvergeeflijke fout zou zijn. In de verhoren van onderzoeksleider Hessel is aangegeven dat de keuze voor een niet-realtimebaken samenhing met de stand van zaken in het onderzoek, waarin eerst beoogd werd een algemeen beeld van de verplaatsingen en contacten van verdachte te verkrijgen alvorens in een daarop volgende tactische fase met inzet van taps te komen tot concrete opsporing. Kort voor het weekeinde was het moment bereikt waarop afluisteren van telecommunicatie volgens de onderzoeksleiding en de officier van justitie mr. Hemelaar gerechtvaardigd was. Volgens officier van justitie mr. Hemelaar was de waargenomen verhoogde activiteit van en rond de kennelijke relaties van verdachte op 15 juni 2000 mede redengevend. Dat blijkt ook uit het rapport waarin de machtiging tot afluisteren van telecommunicatie wordt gevraagd. Op 22 juni 2000 is een machtiging tot afluisteren van telecommunicatie door de rechter-commissaris ondertekend. Door het bekend worden van de relatie tussen subjecten, voorkomend in het Charimedes-onderzoek en de latere verdachten van het mensensmokkeltransport van 18 juni 2000, op 22 juni 2000 is van die tapmachtiging in het Charimedes-onderzoek geen gebruik meer gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de aldus weergegeven gang van zaken feitelijk aannemelijk verantwoord en begrijpelijk in het licht van de vastgestelde omstandigheden en de wettelijke bevoegdheden. Naar het oordeel van de rechtbank is tot zover, in de context van deze strafzaak, ruimschoots voldoende onderzoek gedaan naar de voor deze beoordeling relevante omstandigheden.

9. In aanvulling op de hiervoor verworpen stelling is betoogd dat de observatie van een Aziatisch uitziende mevrouw, die later bleek mevrouw K. te zijn, in relatie tot verdachte redelijkerwijs -gezien de antecedenten van mevrouw K. ter zake van smokkel van illegale Chinezen, door middel van een vrachtauto vanuit Rotterdam-Zuid naar Engeland- wel had moeten leiden tot activering van het onderzoek richting mogelijke smokkel van Chinezen volgens deze modus operandi, een activering die zou zijn verhuld nadat de dramatische afloop van het transport van 18 juni 2000 bekend was geworden. Door de onderzoeksleider Hessel is bij de rechter-commissaris en ter zitting bij herhaling gesteld dat het Charimedes-onderzoek niet gericht was op smokkel van Chinezen, maar op Koerden. Dat de geobserveerde mevrouw K. mensensmokkelantecedenten had werd wel geconstateerd, maar niet bleek dat zij betrokken was geweest in smokkel van Koerden. De strafzaak die in het verleden tegen haar had gelopen werd volgens de onderzoeksleider verder niet relevant geacht. Wel werd een foto uit dat dossier voor het Charimedes-onderzoek gebruikt.

Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat het Charimedes-onderzoek gericht was op Koerden. De aanleiding van het onderzoek, dat later de naam Charimedes zou dragen, waren twee NCID berichten uit 1997 en 1998, die op 17 december 1999 werden geformaliseerd in een proces-verbaal. De rechtbank heeft ter zitting de volledige openbaarmaking van deze berichten gelast. Uit de ongecensureerde berichten maakt ook de verdediging op dat deze berichten niet duiden op smokkel van Chinezen. De rechtbank constateert dat de gegevens volledig sporen met hetgeen eerder in de openbaarheid door de Minister van Justitie hieromtrent is verklaard (Handeling TK 2000-2001, 24 - 1914: op 16 november 2000 stelt Minister Korthals in een kamerdebat over de Dover-zaak, dat bij het Charimedes-team op basis van Europol gegevens bekend is dat Ö (lees verdachte) met een persoon Z. in Engeland contact had). Voorts was bij de aanvang van het Charimedes-onderzoek bekend dat (Naam Verdachte) was gesignaleerd voorafgaande aan het huren van jacht Miss Ellie ten aanzien waarvan de verdenking bestond dat dat jacht voor smokkel van Turkse mensen naar Engeland was gebruikt. Bij een tocht van enkele dagen later met een jacht genaamd de Octus waren dezelfde personen betrokken en werden in relatie tot die tocht acht illegale Turken aangetroffen aan de Engelse kust. De combinatie van deze feiten, maakt naar het oordeel van de rechtbank zeer aannemelijk dat de focus in het Charimedes-onderzoek eenzijdig was gericht op smokkel van Koerden. De vraag of het wenselijk was geweest het onderzoek op enig moment te verbreden naar mogelijke smokkel van mensen van andere herkomsten is een vraag die ver buiten de relevantie van deze strafzaak valt. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende onderzoek verricht naar de focus van het Charimedes-onderzoek en naar de vraag of een beweerdelijk langduriger aandacht voor mogelijke smokkel van Chinezen naar Engeland door middel van vrachtwagens en/of containers is verhuld. Naar het oordeel van de rechtbank is opening van zaken gegeven en is nader onderzoek, zeker in het licht van de relevantie in deze strafzaak, niet geboden. Het is onaannemelijk, dat de waarneming van K. in relatie tot (Naam Verdachte) tot een bijzondere activering heeft geleid of heeft moeten leiden. Van een verhulling, behoudens de tijdelijke en behoorlijk verantwoorde onthouding van stukken die nadien in het dossier zijn gevoegd, blijkt in deze niets.

10. Door de verdediging is voorts nog betoogd, dat er tussen de Nederlandse en Engelse opsporingsdiensten en/of inlichtingendiensten een zodanige samenwerking was ontstaan, dat die wel gericht moest zijn op het “wegtippen” van mensensmokkeltransporten, op grond waarvan een diepergravend onderzoek geboden zou zijn om de werkelijkheid achter de “wegtip-these" bloot te leggen. In het onderzoek is vastgesteld, dat tussen het Charimedes-team en de Engelse opsporingsdiensten verschillende contacten zijn geweest. De officier van justitie mr. Zwaneveld heeft daaromtrent verklaard daartoe geen opdracht te hebben gegeven. In de contacten met Engeland is volgens de onderzoeksleiding gesproken over immigratiesmokkel in Engeland, waarbij is gebleken dat de Engelse autoriteiten zich daarbij richten op vele nationaliteiten, waaronder zeker Turken en mogelijk ook Chinezen. Op informele basis heeft uitwisseling van informatie plaatsgevonden. Verzocht was, volgens verklaring van brigadier Van Beest ter zitting, kort voor de indiening van de aanvraag tapmachtiging door de Nederlandse politie aan de Engelsen, om informatie over een telefoonnummer dat op de printlijst van (Naam Verdachte) stond en dat in relatie stond tot de (“target”)persoon genoemd in de NCID berichten, in een formeel kader van rechtshulp aan te bieden. Op dat verzoek was nog geen antwoord gekomen. Verder was in dat gesprek aan Engelse zijde te kennen gegeven dat de Engelsen voornemens waren op hun “target” te gaan tappen. Op 3 mei 2000 was volgens Van Beest afgesproken, dat indien in relatie tot het onderzoek in Engeland naar hun (“target”-) verdachte arrestaties zouden worden overwogen dit vooraf gemeld zou worden aan Nederland en omgekeerd was toegezegd dat indien in Nederland arrestaties zouden worden verricht in het onderzoek naar (Naam Verdachte) dit vooraf aan de Engelsen zou worden gemeld. Aan deze afspraak is volgens Van Beest voor 20 juni 2000 geen gevolg gegeven, omdat de situatie zich niet had voorgedaan. De rechtbank acht de gegeven verantwoording aannemelijk en voldoende diepgravend onderzocht.

11. Voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de rechtbank de stellingen dat er bewust zou zijn doorgelaten verwerpt. Ook is naar het oordeel van rechtbank geen sprake van tekortschietend optreden van justitie of politie in het Charimedes-onderzoek op grond waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De rechtbank komt tot deze conclusie na onderzoeking van elk van de stellingen afzonderlijk als ook na weging van de stellingen in onderling verband en samenhang. De rechtbank acht nader feitelijk onderzoek ter zake niet nodig.

Ambtshalve

Met betrekking tot het onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende.

Aan verdachte wordt onder meer verweten dat hij de onder 1 en 2 omschreven feiten heeft gepleegd te Rotterdam en/of/althans in Hazeldonk en of elders in de gemeente Breda en/of/althans elders in Nederland en/of/althans in België. Voor de feiten 3 respectievelijk 5, geldt dat is tenlastegelegd dat verdachte deze zou hebben gepleegd te Rotterdam en/of/althans elders in Nederland en/of/althans in België, respectievelijk te Rotterdam en/of/althans elders in Nederland en/of/althans in België en/of/althans in Groot-Brittannië.

Verdachte is niet in het bezit van de Nederlandse nationaliteit.

Gelet op artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht komt de Nederlandse rechter in het geval van verdachte geen rechtsmacht toe en is er geen vervolging mogelijk, voorzover de ten laste gelegde feiten zouden zijn gepleegd buiten het grondgebied van Nederland.

De officier van justitie dient dan ook partieel niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging, waar het betreft de onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten, voorzover deze in België en/of /althans in Groot-Brittannië zouden zijn gepleegd.

Deze partiële niet-ontvankelijkheid laat onverlet de mogelijkheid van vervolging van verdachte wegens het binnen Nederland medeplegen van mensensmokkel betrekking hebbend op toegang en verblijf van illegalen in de andere in 197a Sr bedoelde landen.

Nu ten aanzien van de overige tenlastegelegde feiten geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, is de officier van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging.

NIET BEWEZEN

Hetgeen onder 5 primair ten laste gelegde (medeplegen c.q. medeplichtigheid tot doodslag) is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWEZEN

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het overigens ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als hierna vermeld:

1.

Hij in de periode van 1 december 1999 tot en met 10 december 1999, te Rotterdam en/of te Hazeldonk en of elders in de gemeente Breda, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meerdere, personen van Chinese nationaliteit, althans afkomst, althans buitenlandse nationaliteit, uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot België, en het verblijven in België en Nederland, en die personen daartoe uit winstbejag gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden dat de toegang van die personen tot België en dat verblijf van die personen in België en Nederland wederrechtelijk was, immers hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededaders tezamen en in vereniging, daartoe,

-die personen gedurende één of meer dagen en/of nacht(en) onderdak verschaft en

-die personen met een bestelbus (vanaf hun verblijfplaats in Nederland) opgehaald en naar Hazeldonk gebracht en

-die personen in een koelcontainer (“reefer”) laten stappen en

-die personen (in een koelcontainer/reefer) van Hoogstraten (België), naar Zeebrugge in België vervoerd.

2.

hij in de periode van 1 april 2000 tot en met 10 april 2000 te Rotterdam, te Hazeldonk althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ongeveer vijftig personen van Chinese nationaliteit, wier personalia vermeld worden op de op bijgevoegde en van deze tenlastelegging deel uitmakende bijlage, uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot België, het verblijven in België en Nederland en die personen daartoe uit winstbejag gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden dat de toegang van die personen tot België en dat verblijf van die personen in België en Nederland wederrechtelijk was, immers hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededaders tezamen en in vereniging, daartoe,

-die personen gedurende één of meer dagen en/of nacht(en) onderdak verschaft en

-die personen met een bestelbus (vanaf hun verblijfplaats in Nederland) opgehaald en

-die personen in een koelcontainer (“reefer”) laten stappen en

-die personen (in een koelcontainer/reefer) van Hoogstraten (België), naar Zeebrugge in België vervoerd.

3.

hij in de periode van 15 april 2000 tot en met 20 juni 2000, te Rotterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, zestig personen van Chinese nationaliteit, wier personalia vermeld worden op de op bijgevoegde en van deze tenlastelegging deel uitmakende bijlage II, uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot België en het verblijven in België en Nederland en die personen daartoe uit winstbejag gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden dat de toegang van die personen tot België en dat verblijf van die personen in België en Nederland wederrechtelijk was, immers hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededaders tezamen en in vereniging, daartoe,

-een truck en een oplegger en een koelcontainer (“reefer”) mede ten behoeve van het vervoer van die personen gekocht althans aangeschaft en

-een loods gehuurd en

-een (dek)lading tomaten gekocht en

-een laadbrief voor vervoer van tomaten vervalst en

-die personen gedurende één of meer dagen en/of nachten onderdak verschaft en

-die personen vanaf hun verblijfplaats in Nederland opgehaald en

-die personen naar/in die loods gebracht en

-die personen in die koelcontainer (“reefer”) laten stappen en

-die personen (in die koelcontainer/reefer) van Rotterdam naar Zeebrugge in België vervoerd.

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 1999 tot en met 20 juni 2000, te Rotterdam en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, welke organisatie bestond uit (onder meer) de natuurlijke personen: naam verdachte en namen van acht medeverdachten

en welke misdrijven bestonden uit

het (telkens) een of meer personen uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot België en het verblijven in Nederland en België en het aan één of meer personen daartoe uit winstbejag gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen verschaffen,

terwijl die organisatie en verdachte en een of meer andere deelnemers aan die organisatie wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat de toegang van die personen tot België en dat verblijf van die personen in Nederland en België wederrechtelijk is, telkens als bedoeld in artikel 197 a eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, en het plegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van dit vervalste geschrift als bedoeld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij, verdachte, leider was binnen die organisatie.

5.

dat verdachte in de periode 1 mei 2000 tot en met 19 juni 2000, te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, grovelijk onvoorzichtig en roekeloos achtenvijftig personen wier personalia vermeld worden op de op bijgevoegde en van deze tenlastelegging deel uitmakende bijlage III,

-hebben ondergebracht in een koelcontainer (“reefer”) die was voorzien van een luik, maar die overigens nagenoeg luchtdicht was en

-de toegangsdeuren van die koelcontainer (“reefer”) van buiten hebben afgesloten en afgesloten gehouden en

-(vervolgens) die bovengenoemde achtenvijftig personen in die (afgesloten) koelcontainer (“reefer”) met een truck vanuit Rotterdam naar Zeebrugge in België hebben vervoerd en

-in Zeebrugge (België) die truck met achtenvijftig personen in de (afgesloten) koelcontainer (“reefer”) hebben ingescheept op een veerboot en

-het luik van die koelcontainer (“reefer”) hebben gesloten en

-die bovengenoemde achtenvijftig personen, (telkens) gedurende meerdere uren althans gedurende geruime tijd in die aldus afgesloten koelcontainer hebben opgesloten en opgesloten gehouden en

-die koelcontainer niet hebben voorzien van adequate voorzieningen ten behoeve van de noodzakelijke aanvoer van voldoende verse lucht/ zuurstof

-zulks terwijl die koelcontainer (“reefer”) te klein was en (aldus) te weinig zuurstof kon blijven bevatten voor die bovengenoemde achtenvijftig personen, en

-een zodanige situatie hebben geschapen voor die bovengenoemde achtenvijftig personen, dat zij in die koelcontainer over onvoldoende zuurstof konden blijven beschikken en onvoldoende konden (blijven) ademen

waardoor het mede aan verdachtes schuld te wijten is geweest dat die achtenvijftig personen in die koelcontainer (“reefer”) te weinig zuurstof hebben gekregen en teveel kooldioxide (CO2) hebben ingeademd en tengevolge daarvan zijn gestikt althans overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

BEWIJS

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

Recht op ondervraging en toelating tot het bewijs

Door de verdediging is bepleit, dat de verklaringen van Shi Guang Ke en Si Du Ke niet mogen meewerken tot het bewijs, nu de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest deze getuigen te horen. Weliswaar zijn de getuigen bij gelegenheid van een rogatoire commissie ondervraagd, maar onder zodanig beperkte omstandigheden dat van een volwaardig realiseren van een recht op ondervragen naar het oordeel van de verdediging geen sprake is.

De rechtbank overweegt omtrent dit verweer als volgt:

Omtrent de omstandigheden waaronder de getuigen Shi Guang Ke en Si Du Ke in het kader van een rogatoire commissie in Engeland door de verdediging konden worden ondervraagd memoreert de rechter-commissaris in een proces-verbaal van bevindingen het volgende:

“Bij de aanvang van het verhoor van de getuige Shi Guang Ke bleek dat deze getuige onzichtbaar zou zijn doordat schermen waren geplaatst rond diens zitplaats. Hierdoor was de getuige slechts zichtbaar voor de district judge. Het bleek dat dit was gedaan op verzoek van de getuige dat in een aan de district judge overhandigde schriftelijke verklaring was opgenomen en waaruit deze enkele zinnen heeft geciteerd. De raadslieden hebben hiertegen gemotiveerd bezwaar gemaakt, waarna ook de overige partijen in staat werden gesteld hun standpunten hieromtrent kenbaar te maken. De beslissing luidde vervolgens dat de schermen aanwezig mochten blijven. Als redenen werden onder andere genoemd de angst van de getuigen voor de confrontatie met (vertegenwoordigers van) verdachten en het feit dat het in deze procedure niet gaat om het overtuigen van een jury of rechter, maar om het vaststellen van feiten.”

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. In het algemeen behoort een ondervraging van getuigen in aanwezigheid van de verdediging zodanig plaats te vinden dat rechtstreekse observatie van de getuige tijdens het verhoor mogelijk is. Onder omstandigheden kunnen er dringende belangen zijn voor getuigen (slachtoffers) om door de verdediging niet te worden waargenomen. Ook mogelijk ongerechtvaardigde angst kan een dergelijke omstandigheid zijn. De vraag of door visuele afscherming van de getuige de verklaring van een getuige onbruikbaar wordt voor het bewijs, is een vraag die in concreto bezien moet worden, mede in het licht van overige bewijsmiddelen. De rechtbank acht het in beginsel verenigbaar met het beginsel van fair trial dat belangen van slachtoffers (de getuigen Shi Guang Ke en Si Du Ke) worden afgewogen tegen de belangen van de verdediging. De verklaringen van deze slachtoffers (getuigen) zullen hierdoor voor het bewijs slechts met bijzondere behoedzaamheid gebezigd worden en slechts voorzover deze verklaringen meer dan marginaal steun vinden in andere bewijsmiddelen. De rechtbank maakt de hiervoor tijdens de rogatoire commissie door de Engelse autoriteit gemaakte overweging dat het in de procedure van verhoor in het kader van de rogatoire commissie “niet gaat om het overtuigen van een jury of rechter maar om het vaststellen van feiten” hiermee niet tot de hare. Voor de beslissing tot toelating van de getuigenverklaringen op de wijze en onder de conditie als hiervoor vermeld heeft die overweging geen invloed. Het feit dat Shi Guang Ke en Si Du Ke in een Engels strafproces na het tijdstip van de rogatoire commissie zonder beperkingen zouden zijn gehoord geeft de rechtbank in het licht van het voorgaande geen reden om alsnog te gelasten deze getuigen op te roepen. De rechtbank acht de verdediging hierdoor niet in de belangen geschaad.

Ten aanzien van feit 5 (tevens toelichting op de vrijspraak van feit 5 primair)

Voorwaardelijk opzet

Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte opzettelijk heeft gehandeld komt de rechtbank tot de bevinding dat er geen sprake is van opzet in primaire zin. Het is niet de bedoeling van verdachte geweest dat het gevolg van de dood van 58 Chinezen zich zou voordoen.

De rechtbank heeft zich vervolgens beraden op de mogelijkheid dat er sprake zou zijn van voorwaardelijk opzet. De criteria die de rechtbank bij deze afweging heeft gebruikt zijn ontleend aan de samenvatting die mr. Jörg, A.G. bij de Hoge Raad in zijn conclusie voor HR 22 september 1998, NJ 1998, 911, geeft omtrent het leerstuk van voorwaardelijk opzet. Voor voorwaardelijk opzet is ten eerste een kenniselement vereist: de dader moet zich van de mogelijkheid van het intreden van het gevolg bewust zijn geweest (Porsche-arrest, HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 199). Het zich bewust behoren te zijn of het redelijkerwijs kunnen begrijpen, eigen aan schuld in de zin van onachtzaamheid, is niet voldoende, zij het dat voorwaardelijk opzet bij gelegenheid normatief wordt ingekleurd (Zie HR 8 juli 1992, NJ 1993, 13), namelijk wanneer een gevolg zó voor de hand ligt dat aangenomen moet worden dat de verdachten - handelend als zij doen - willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg hebben aanvaard (Cf. A.A.G. Peters, Opzet en schuld in het strafrecht, 1966, p. 134.) De bijzondere omstandigheden van een geval geven de rechter de mogelijkheid het voorwaardelijk opzet uit andere gegevens dan de verklaring van verdachte af te leiden. Vervolgens moet de mogelijkheid van verwezenlijking van het delictsverbod niet denkbeeldig, maar reëel zijn, in de zin dat de kans aanmerkelijk is - hetgeen een enger criterium is (dus minder gevallen toelaat) dan de voorheen door de Hoge Raad wel aanvaarde formulering van de "geenszins (als) denkbeeldig (te verwaarlozen) kans". Tenslotte geldt voor voorwaardelijk opzet een wilsvereiste: de dader moet die kans willens en wetens (of bewust) hebben aanvaard, voor lief of op de koop toe hebben genomen. Alleen het zich bewust zijn van de mogelijkheid (dus voldoen aan het kennisvereiste) is onvoldoende. (Zie ook P.J.H.M. Brouns, Opzet in het wetboek van strafrecht, 1988, p. 225; HR DD 96.199.).

Bij de beoordeling of in het licht van een aldus opgevat begrip van voorwaardelijk opzet verdachte met een dergelijk opzet heeft gehandeld dient te worden vastgesteld of verdachte (a.) kennis droeg van de mogelijke dodelijke gevolgen voor betrokkenen, of (b.) het gevolg voor de hand liggend was, dan wel (c.) dat er een aanmerkelijk kans op bestond en of (d.) verdachte die mogelijke gevolgen blijkens zijn handelen heeft aanvaard.

(a.) Blijkens bij de politie herhaaldelijk afgelegde verklaringen van twee medeverdachten, verklaringen die steun vinden in andere bewijsmiddelen, was verdachte op de hoogte van het mislukken van een mensensmokkeltransport van 4 april 2000. Verdachte wist dat bij dat transport illegalen in de koelruimte van een oplegger last hadden gekregen van zuurstofgebrek waarna zij door slaan tegen de wand van die koelruimte de aandacht hadden gewekt. Verdachte was aanwezig in de loods op 17 juni 2000 toen aandacht werd besteed aan de zuurstoftoevoer in de koelcontainer door werkzaamheden te verrichten tot het vergroten van een luik.

Op grond van deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat verdachte kennis droeg van de mogelijkheid van zuurstofgebrek en de gevolgen daarvan voor de mensen in de koelcontainer tijdens het transport van 18 juni 2000.

(b.) Verdachte wist dat de koeling van de container niet werkte. Verdachte wist voorts dat het een zeer warme dag was. Om 19.00 uur zou het die dag te Zeebrugge nog 28 graden Celsius zijn. Verdachte wist dat de container met een aanzienlijk aantal mensen geruime tijd op een zeer warme dag goeddeels gesloten zou blijven. Hiermee staat echter niet vast dat het gevolg van verstikking voor de hand liggend was; indien het luik niet langdurig gesloten zou zijn geweest, is tenminste onzeker of de fatale gevolgen zouden zijn ingetreden.

(c.) De vraag of de kans aanmerkelijk was dat de fatale gevolgen zouden intreden, hangt samen met de waarschijnlijkheid dat het luik gedurende enige uren gesloten zou blijven. Aannemelijk is, dat verdachte heeft begrepen dat bij het oprijden van de ferry en uren later bij het afrijden daarvan het luik van de container gesloten zou zijn. Van afspraken of instructies richting de chauffeur inhoudende dat het luik tijdens de overtocht geopend zou moeten zijn, is verder niets gebleken. De kans dat de chauffeur zou vergeten het luik te openen of dat hij in een afweging van risico’s de kans op betrapping - een kans die immers zou kunnen worden vergroot door de aandacht op zich te vestigen door tijdens de vaart van de ferry verrichtingen aan het luik van de container uit te voeren- wilde minimaliseren en hij daarom het luik niet meer opende is niet ondenkbaar. De aanmerkelijkheid van de kans heeft door deze omstandigheden mede een subjectief karakter.

(d.) Verdachte droeg kennis van de mogelijke gevolgen. Hij heeft het in zijn macht gehad de kans van de mogelijke kwade gevolgen te vermijden of te verkleinen, zowel door af te zien van het transport als ook door het transport onder andere omstandigheden te laten plaatsvinden (minder mensen, betere zuurstofvoorziening). Aan het verbeteren van de zuurstofvoorziening is in het bijzijn van verdachte wel enige aandacht besteed, maar hij draagt wel grote verantwoordelijkheid voor het aantal mensen dat in de kleine ruimte van de container achter de deklading tomaten werd geplaatst. Anderzijds moet wel worden aangenomen, dat verdachte in geen geval de dood van deze mensen heeft gewild. Het was immers mede in zijn financieel belang dat de gesmokkelde mensen heelhuids in Engeland zouden aankomen.

Op grond van vorenstaande overwegingen komt de rechtbank uiteindelijk tot het oordeel dat verdachte niet welbewust een aanmerkelijke kans heeft aanvaard op de dood van een of meer van de gesmokkelde mensen. Derhalve wordt verdachte vrijgesproken van het primair als opzettelijke doodslag tenlastegelegde.

Nu de opzet op het gevolg, de dood van een of meer mensen in de container, bij verdachte ontbreekt, acht de rechtbank ook de medeplichtigheid bij opzettelijke doodslag niet bewezen.

Bewuste schuld

Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van bewuste schuld gaat de rechtbank uit van dezelfde feitelijke vaststellingen als hiervoor bij de bespreking van het voorwaardelijk opzet zijn aangegeven. Gezien het feit dat verdachte de mogelijkheid van het intreden van de dood van gesmokkelde mensen wel heeft moeten voorzien en op grovelijk onvoorzichtige en roekeloze wijze met die mogelijke gevolgen is omgegaan, is er naar het oordeel van de rechtbank wel sprake van bewuste schuld van verdachte ten aanzien van de dood van 58 Chinese mensen.

TOELICHTING OP DE BEWEZENVERKLARING EN DE KWALIFICATIE

Ten aanzien van feit 1, 2 en 3:

Artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht

Art. 197a, eerste lid, Sr luidt ten tijde van de bewezenverklaarde feiten als volgt:

"Hij die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen, of hem daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie."

Art 197 a, derde lid, SR luidt:

“Indien het feit wordt begaan door een persoon (…) in vereniging wordt begaan door meerdere personen wordt een gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie”.

Art. 197a Sr is in het Wetboek van Strafrecht gevoegd bij de Wet van 24 februari 1993, Stb. 141, zulks ter uitvoering van de op 19 juni 1990 te Schengen tot stand gekomen Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controle van de gemeenschappelijke grenzen (Trb. 1990, 145), verder: de Uitvoeringsovereenkomst. De wettekst is laatstelijk gewijzigd bij Wet van 7 oktober 1996, Stb. 505, in werking getreden op 15 november 1996.

Art. 27, eerste lid, van de aangehaalde Uitvoeringsovereenkomst houdt in:

"De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe te voorzien in passende sancties jegens eenieder die een vreemdeling uit winstbejag helpt of poogt te helpen het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen binnen te komen of aldaar te verblijven, zulks in strijd met de wetgeving van deze Partij betreffende de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen."

Gelet op het vorenstaande kan niet als juist worden aanvaard de stelling - die geen steun vindt in de tekst van art. 197a Sr en in strijd is met hetgeen kennelijk de bedoeling is geweest van de partijen bij de Uitvoeringsovereenkomst en van de wetgever - dat niet op grond van art. 197a Sr zouden kunnen worden gestraft zij die, zonder de betrokkene behulpzaam te zijn geweest bij het verschaffen van toegang tot Nederland, hem behulpzaam zijn bij zijn wederrechtelijk verblijf in Nederland (vgl. Kamerstukken II 1991-1992, 22 142, nr. 8, blz. 9). Daaraan doet zeker in casu niet af dat in de wetsgeschiedenis sprake is van het tegengaan van de activiteiten van "Schlepperorganisationen".

Het bestanddeel "behulpzaam zijn bij" moet in art. 197a Sr, zoals ook uit de wetsgeschiedenis blijkt, in overeenkomstige zin worden uitgelegd als in art. 48 Sr. Het gaat er voorzover hier van belang dus om of de betrokkene het (verder) verblijf in Nederland of de andere relevante landen van de vreemdeling in enigerlei opzicht bevordert of gemakkelijk maakt.

Verblijven is naar het oordeel van de rechtbank fysiek aanwezig zijn. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, personen die wederrechtelijk in Nederland aanwezig waren, in Nederland onder meer heeft vervoerd. Deze personen waren derhalve toen fysiek aanwezig in Nederland. Dit dient te worden gekwalificeerd als het behulpzaam zijn bij het verblijf van die personen in Nederland, als bedoeld in artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht. Het vorenstaande geldt eveneens voor het verblijf in België. Extern juridisch onderzoek naar het begrip “verblijf” in de Uitvoeringsovereenkomst acht de rechtbank gelet op het voorgaande niet nodig.

Bij de laatste wijziging van artikel 197 a Wetboek van Strafrecht is in de Nota naar aanleiding van het verslag door de Minister van Justitie gesteld dat indien er sprake is van “doorsluizen” naar niet Schengenlanden voor de strafbaarheid bepalend is of de toegang of het verblijf in Nederland onrechtmatig is (TK 1995-1996, 24 269, nr. 5 p. 11). Het doet daarvoor naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake of de desbetreffende persoon naar een ander Schengen-land wordt vervoerd of daarbuiten.

Voorzover niet uit de bewijsmiddelen zou blijken dat de vreemdelingen wederrechtelijk in Nederland verbleven, leidt de rechtbank deze wederrechtelijkheid af uit de gebleken modus operandi en het feit dat ten aanzien van de administratief gecontroleerde vreemdelingen is gebleken dat deze personen geen legale verblijfstitel in Nederland bleken te hebben.

Bij de laatste wijziging van artikel 197 a Wetboek van Strafrecht is in de Nota naar aanleiding van het verslag door de Minister van Justitie gesteld, dat voor het vaststellen van winstbejag niet nodig is om objectieve verrijking aan te tonen. Het gaat om het vaststellen van de bedoeling van de verdachte: had hij de bedoeling om aan zijn handeling geld te verdienen? Deze bedoeling kan worden afgeleid uit objectieve omstandigheden (TK 1995-1996, 24 269, nr. 5 p. 11). De rechtbank overweegt dat in casu niet ook maar enigszins aannemelijk is geworden, dat verdachte handelde uit ideële motieven. Het verweer dat er geen sprake zou zijn van winstbejag wordt overigens weerlegd door de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 4:

Artikel 140 Wetboek van Strafrecht

Van een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is sprake in geval van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen (HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442). De gestructureerdheid van het samenwerkingsverband kan blijken uit een zekere taakverdeling tussen de deelnemers; de duurzaamheid kan blijken uit het gedurende enige tijd successievelijk verrichten van dezelfde soort gedragingen in hetzelfde samenwerkingsverband. Van het aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht deelnemen is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oogmerk (HR 18 november 1997, NJ 1998, 225).

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte bij de smokkel van personen rechtstreeks samenwerkte met verschillende personen, waaronder vijf gelijktijdig berechte medeverdachten en drie andere medeverdachten.

Verdachte en vijf medeverdachten werkten reeds sedert 1 september 1999 volgens een vast patroon samen. Vanaf 10 april 2000 werden de anderen bij de criminele organisatie betrokken.

Er was een vaste taakverdeling die er als volgt uitzag. Verdachte en een medeverdachte, tevens leider in de criminele organisatie, zorgden voor de toevoer van de te smokkelen vreemdelingen. Zij organiseerden de wijze van transport en betrokken anderen bij de organisatie voor de verdere uitvoering. Tee chauffeurs (medeverdachten) reden met een vrachtwagen met daarin verborgen de vreemdelingen naar en op de ferry voor het Verenigd Koninkrijk. Verdachte en de andere leider van de criminele organisatie zorgden gezamenlijk voor het benodigde geld en betaalden de medeverdachten. Een medeverdachte (“M”) was degene die in Groot-Brittannië moest worden gebeld zodra de vrachtwagen aan boord ging in Zeebrugge en de douane in Dover was gepasseerd. Een andere medeverdachte (Y.G.) zorgde er vervolgens voor dat de vreemdelingen in Groot-Brittannië bij advocatenkantoren terecht kwamen teneinde een asielprocedure te starten. Vanaf 10 april 2000 werden drie andere medeverdachten bij de mensensmokkel betrokken, waarbij zij zorgden voor voorzieningen teneinde het transport plaats te kunnen laten vinden, zoals het verzorgen van de (dek)lading tomaten, de huur van een loods en het regelen van de koelcontainer. Voorts werd voor het transport van juni 2000 gebruik gemaakt van een vervalst geschrift.

Vastgesteld is ook dat verdachte in elk geval in de periode van 1 december 1999 tot en met 18 juni 2000 meermalen bij dergelijke tochten betrokken is geweest. De gedragingen van verdachte droegen telkens rechtstreeks bij aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie: het uit winstbejag bevorderen en/of gemakkelijk maken van het verschaffen van de toegang tot België en het verblijf in Nederland en België van personen die daar wederrechtelijk verbleven alsmede het plegen van valsheid in geschrift, terwijl verdachte leider binnen deze organisatie was.

Gelet op bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van deelname van verdachte aan een criminele organisatie.

STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

Een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijven in Nederland en het zich verschaffen van toegang tot of verblijven in enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen en hem daartoe uit winstbejag gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen verschaffen, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen,

strafbaar gesteld bij artikel 197a, derde lid van het Wetboek van Strafrecht, in verbinding met artikel 197a, eerste lid van dat Wetboek, meermalen gepleegd.

2.

Een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijven in Nederland en het zich verschaffen van toegang tot of verblijven in enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen en hem daartoe uit winstbejag gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen verschaffen, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen,

strafbaar gesteld bij artikel 197a, derde lid van het Wetboek van Strafrecht, in verbinding met artikel 197a, eerste lid van dat Wetboek, meermalen gepleegd.

3.

Een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijven in Nederland en het zich verschaffen van toegang tot of verblijven in enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen en hem daartoe uit winstbejag gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen verschaffen, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen,

strafbaar gesteld bij artikel 197a, derde lid van het Wetboek van Strafrecht, in verbinding met artikel 197a, eerste lid van dat Wetboek, meermalen gepleegd.

4.

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij leider is,

strafbaar gesteld bij artikel 140, derde lid van het Wetboek van Strafrecht, in verbinding met artikel 140, eerste lid van dat Wetboek.

5.

Subsidiair:

Medeplegen van het aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn,

strafbaar gesteld bij artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met artikel 47 van dat Wetboek, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAFFEN

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Geen maat van strafrecht kan recht doen aan de dood van de 58 Chinese slachtoffers en het leed dat hun nabestaanden is aangedaan. De rechtbank rekent de verdachte de fatale afloop zwaar aan. De rechtbank is tot het oordeel gekomen, dat bij verdachte geen sprake is geweest van opzet gericht op de dood van deze slachtoffers, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet. Hoewel tussen voorwaardelijk opzet met betrekking tot de dood en dood door schuld slechts een kleine nuance ligt, heeft deze nuance verstrekkende gevolgen voor de strafoplegging gegeven het wettelijk maximum ten aanzien van de strafmaat voor dood door schuld in het commune strafrecht.

Verdachte is schuldig aan het medeplegen van dood door schuld van deze 58 personen. Verdachte heeft 60 Chinezen op een warme dag, in een kleine container zonder adequate zuurstof- en koelvoorziening laten vervoeren. Dergelijk vervoer van mensen dient als mensonwaardig en gevaarlijk te worden aangemerkt en heeft geresulteerd in de dood van 58 Chinezen.

Verdachte is voorts, in georganiseerd verband, meerdere vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel voor Nederland behulpzaam geweest bij het verschaffen van de toegang tot België en hun verblijf in Nederland en België. Dat deze vreemdelingen geen geldige verblijfstitel hadden wist verdachte telkens. Zijn hulp bestond in het bijzonder uit het organiseren van (verder) vervoer vanuit Nederland naar Groot-Brittannië, via België. Ten behoeve van die activiteiten onderhield hij als leider binnen een criminele organisatie de contacten met de medeverdachten.

Naast vorenstaand bijzonder ernstig feit heeft verdachte met deze mensensmokkel het beleid van de Nederlandse overheid met betrekking tot illegaal verblijf ondermijnd. Bij mensensmokkel worden bovendien mensen die, om wat voor reden ook, hun land willen verlaten, op illegale wijze naar een veelal westers land getransporteerd. De smokkelaars maken daarbij misbruik van de schrijnende situatie waarin deze personen zich veelal bevinden en van hun afhankelijkheid, door voor het transport uit winstbejag heel veel geld te vragen. Verdachte heeft zijn diensten verleend om daarmee zelf extra inkomen te verwerven. Aldus is door hem uit winstbejag gehandeld. Het handelen uit winstbejag vergroot het risico dat de belangen van de illegale vreemdelingen -in het bijzonder dat van een menswaardige behandeling- ondergeschikt worden gemaakt aan het behalen van winst.

De bewezen verklaarde feiten zijn ernstig.

Op dergelijk handelen kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Voorts legt de rechtbank een aanzienlijke boete op, die evenwel lager is dan het door de rechtbank aannemelijk geachte wederrechtelijk door verdachte behaalde voordeel uit mensensmokkel, bij niet betaling te vervangen door hechtenis, waarbij de duur van de hechtenis beperkt wordt conform de duur van de hechtenis zoals door de officier van justitie is geëist.

In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte in Nederland en Frankrijk eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank houdt in enigszins matigende zin rekening met het feit, dat het verwijt inzake de criminele organisatie in belangrijke mate samenvalt met de overige bewezenverklaarde feiten.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat na te noemen straf passend en geboden is.

De rechtbank zal voorts de hierna te bespreken straf van verbeurdverklaring opleggen.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De bij verdachte in beslag genomen voorwerpen zoals staan vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 22 april 2001, te weten:

46. 1.00 DS Sigarendoos

AGIO

(P.03.02.001) daarin geschr. BB-XS-34 1 TIR=BH-GL-93

59 1.00 STK document

(P.03.02.04) diverse notities en brieven

60. 1.00 STK Document

(P.03.02.04.001) 2 facturen voor kentekenplaten

61. 1.00 STK Document

(P.03.02.04.002) kopie aangifte BPM met bijlagen

62. 1.00 STK Document

(P.03.02.04.003) betalingsbewijzen van de RDW

64. 1.00 STK Document

(P.03.02.04.005) EEC certificaat van mercedes

78. 1.00 STK Telefoonboek

(P.04.01.03.002) deel ve tel. boek met namen en teln

worden verbeurd verklaard.

De bewezen feiten zijn met behulp van de voorwerpen begaan en voorbereid.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straffen zijn behalve op de reeds genoemde artikelen gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 33, 33a, 33b en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie partieel niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover het betreft de onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten, voorzover deze in België en/of /althans in Groot-Brittannië zouden zijn gepleegd.

verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit onder 5 primair heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte ter zake van deze feiten strafbaar;

veroordeelt de verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de tijd van negen (9) jaar;

alsmede tot een geldboete van f 97.000,- (zegge: ZEVENENNEGENTIGDUIZEND GULDEN), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door zes maanden hechtenis;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart verbeurd:

47. 1.00 DS Sigarendoos

AGIO

(P.03.02.001) daarin geschr. BB-XS-34 1 TIR=BH-GL-93

59 1.00 STK document

(P.03.02.04) diverse notities en brieven

62. 1.00 STK Document

(P.03.02.04.001) 2 facturen voor kentekenplaten

63. 1.00 STK Document

(P.03.02.04.002) kopie aangifte BPM met bijlagen

62. 1.00 STK Document

(P.03.02.04.003) betalingsbewijzen van de RDW

65. 1.00 STK Document

(P.03.02.04.005) EEC certificaat van mercedes

79. 1.00 STK Telefoonboek

(P.04.01.03.002) deel ve tel. boek met namen en teln.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Silvis, voorzitter,

en mrs. Stolwerk en Franken, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. Van Leijden en Hamburger, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 mei 2001.