Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AB0171

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
WAO 00/1390 RIP (dubbel 2)
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: WAO 00/1390 RIP

Uitspraak

in het geding tussen

A, wonende te B, eiseres,

gemachtigde mr. A.A.J. Kouwenhoven, werkzaam bij FNV Leden Service,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder, vertegenwoordigd door de Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 27 juli 1999, kenmerk WAO/R 36/565.010469.0 0635.44.908, heeft verweerder geweigerd eiseres per einde wachttijd, zijnde 18 april 1999, een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij schrijven van 1 september 1999 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 juni 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft bij brief van 30 juni 2000 tegen dit besluit beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (verder te noemen: de rechtbank).

Verweerder heeft bij brief van 12 september 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 8 november 2000 is de zaak behandeld ter zitting van een meervoudige kamer. Aanwezig waren eiseres en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

2. Overwegingen

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres werkte als groepsleider schoonmaak en als schoonmaakster bij X B.V. te Y voor gemiddeld 23 uur per week. Op 20 april 1998 is eiseres voor haar schoonmaakwerkzaamheden, welke werkzaamheden zij gedurende 13 uren per week uitoefende, uitgevallen. Deze uitval hield (gedeeltelijk) verband met het feit dat eiseres op dat moment zwanger was en daardoor gynaecologische klachten had. Daarnaast had eiseres last van nekklachten. Tot aan haar zwangerschaps- en bevallingsverlof, welk verlof op 18 juli 1998 inging, is eiseres haar werkzaamheden als groepsleider gedurende 10 uren per week blijven verrichten.

In de periode van 18 juli 1998 tot 7 november 1998 heeft eiseres zwangerschaps- en bevallingsverlof genoten. Op 29 augustus 1998 is eiseres bevallen.

Vanaf 7 november 1998 tot aan 3 januari 1999 is eiseres volledig arbeidsongeschikt geweest. Vanaf 3 januari 1999 heeft eiseres haar werkzaamheden als groepsleider schoonmaak gedurende 10 uren per week hervat. Eiseres bleef evenwel arbeidsongeschikt voor het werk als schoonmaakster.

Bij beslissing in primo van 27 juli 1999, zoals gehandhaafd bij bestreden besluit, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld, dat eiseres op 18 april 1999 52 weken arbeidsongeschikt was voor haar eigen werk, zodat daarmee de wachttijd voor een WAO-uitkering is verstreken.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de wachttijd zoals opgenomen in artikel 19 van de WAO, door de periode van arbeidsongeschiktheid voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof alsmede de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof mee te tellen bij de berekening van de 52-weken-termijn van artikel 19 van de WAO. Daarbij beroept eiseres zich op het arrest van het Europese Hof van Justitie (hierna: het Europese Hof) in de zaak van Mary Brown vs Rentokil Ltd. van 30 juni 1998 (gepubliceerd in NJ 1999/476 en JAR 1998/198). In de visie van eiseres dient de WAO-wachttijd te worden verlengd met de periode van de arbeidsongeschiktheid voorafgaand aan het zwangerschapsverlof en de periode van het zwangerschapsverlof, hetgeen volgens eiseres neer zou komen op een verlenging van totaal 27 weken.

Tussen partijen is aldus in geschil of verweerder op juiste wijze de ingangsdatum van de aan eiseres geweigerde WAO-uitkering heeft vastgesteld en daarbij terecht de periode van arbeidsongeschiktheid voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof alsmede de periode waarin eiseres zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten heeft meegeteld bij de berekening van de 52-weken-termijn van artikel 19 van de WAO.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 19 van de WAO wordt - voor zover hier van belang - het volgende bepaald.

"1. De verzekerde, die arbeidsongeschikt wordt, heeft, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is. Als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt (...).

2. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het vorige lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

3. (...).

4. (...).

5. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in de vorige leden, worden steeds in aanmerking genomen de tijdvakken, gedurende welke aanspraak bestaat op ziekengeld krachtens de Ziektewet.

6. (...)."

Ingevolge artikel 29a, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de vrouwelijke verzekerde in verband met haar bevalling recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon gedurende ten minste zestien weken. Het vijfde lid van artikel 29a van de ZW bepaalt over welke periode dit ziekengeld in verband met bevalling wordt uitgekeerd.

Het derde lid van artikel 29a van de ZW bepaalt, dat de vrouwelijke verzekerde, indien zij, voorafgaand aan de dag waarop zij aanspraak maakt op het ziekengeld in verband met bevalling, ongeschikt wordt tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de zwangerschap (...), recht heeft op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon vanaf de eerste dag waarop die ongeschiktheid bestaat.

Ingevolge bovengeciteerd wettelijk kader dienen (althans volgens verweerder) de periode waarin de vrouw krachtens artikel 29a, eerste en vijfde lid, van de ZW ziekengeld in verband met haar bevalling heeft ontvangen alsmede de periode waarin ziekengeld wordt ontvangen op grond van artikel 29a, derde lid, van de ZW meegeteld te worden voor de berekening van de 52-weken-termijn van artikel 19 van de WAO.

Naar het oordeel van de rechtbank dient voor de beoordeling van onderhavig geschil onderscheid gemaakt te worden tussen de periode van arbeidsongeschiktheid voorafgaand aan het door eiseres genoten zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf. Ten aanzien van de laatstgenoemde periode overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn 79/7/EEG betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (hierna te noemen: EG-Richtlijn 79/7) bepaalt dat het beginsel van gelijke behandeling in houdt dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten. Dit artikel verbiedt een beperking in de duur van het recht op de prestaties op grond van het geslacht van de betrokkene.

Zoals hierboven reeds vermeld beroept eiseres zich op het op 30 juni 1998 door het Europese Hof gewezen Mary Brown-arrest. Dit arrest handelt onder meer over de toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn 76/207/EEG van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (hierna te noemen: Richtlijn 76/207). Aan dit arrest ligt het ontslag van een zwangere werkneemster (Mary Brown) ten grondslag. Gedurende en na haar zwangerschap is deze werkneemster herhaaldelijk ziek geweest. Op grond van een clausule in haar arbeidscontract, dat bij ziekte van meer dan 26 weken ontslag volgt, is zij vervolgens ontslagen. Het Europese Hof verwijst naar zijn rechtspraak inhoudende dat het ontslag van een werknemer wegens zwangerschap of wegens een voornamelijk op die toestand gebaseerde reden alleen vrouwen treft en daarom een rechtstreekse discriminatie op grond van geslacht vormt. Voorts noemt het Europese Hof de richtlijn ter bescherming van de gezondheid van zwangere werkneemsters, welke richtlijn ontslag tijdens zwangerschaps-verlof verbiedt. Uit deze regels vloeit naar het oordeel van het Europese Hof voort dat ook een ontslag wegens afwezigheid tijdens de zwangerschap door ziekte samenhangend met de zwangerschap niet toelaatbaar is. Voor zover ziektes die hun oorsprong vinden in zwangerschap of bevalling na afloop van het zwangerschapsverlof nog voortduren, vallen zij wel onder de gewone ziekteregeling. Voorgaande betekent tevens dat periodes van ziekte tijdens zwangerschap en daardoor veroorzaakt niet in aanmerking mogen worden genomen voor de berekening van de periode die naar nationaal recht ontslag wegens ziekte rechtvaardigt. Het maakt hierbij geen verschil of een contractuele bepaling in de arbeidsovereenkomst, zoals in onderhavig geval, anders bepaalt, aldus het Europese Hof.

Eiseres heeft betoogd dat artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn 79/9 het equivalent is van het in het Mary Brown-arrest genoemde artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn 76/207, zodat de gevolgen van het Mary Brown-arrest dienen te worden doorgetrokken naar het sociale zekerheidsrecht.

Verweerder betwist dat het Mary Brown-arrest gevolgen heeft voor onderhavige zaak, aangezien de zaak van Mary Brown - in tegenstelling tot de zaak van eiseres - een arbeidsrechtelijk geschil betreft.

Hoewel verweerder terecht opmerkt dat het Mary Brown-arrest een arbeidsrechtelijk geschil betreft, is evenwel de teneur van voornoemd arrest, dat ingevolge vaste jurisprudentie van het Europese Hof de situatie van zwangere en net bevallen werkneemsters tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet zonder meer mag worden gelijk gesteld aan de situatie van zieke werknemers en werkneemsters, die eenzelfde periode arbeidsongeschikt zijn. Volgens het Hof van Justitie levert dit een ontoelaatbare discriminatie van (zwangere) vrouwen op. Bij het bepalen van een termijn als die van bijvoorbeeld artikel 7:670, eerste lid, sub a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogen vrouwen aldus niet benadeeld worden door het meetellen van de periode waarin zij zwangerschaps- en bevallingsverlof hebben genoten. Immers, zo dit geschiedt bereiken zwangere vrouwen eerder, dat wil zeggen na een kortere periode van ziekte, het einde van de twee-jaars-termijn van artikel 7:670, eerste lid, sub a, van het BW, zodat zij eerder wegens ziekte "ontslagen" kunnen worden.

Iets soortgelijks vindt ook ten aanzien van artikel 19 van de WAO plaats. Zwangere vrouwen bereiken bij meetelling van de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof eerder het einde van de WAO-wachttijd. Weliswaar heeft verweerder één situatie genoemd waarin zulks een voordeel oplevert, te weten het geval waarin de vrouw als zelfstandige haar inkomen verwerft (een zelfstandige vrouw heeft bij ziekte geen recht op een ZW-uitkering, zodat zij er belang bij zal hebben sneller de wachttijd te voltooien, waardoor zij eerder een beroep kan doen op de Wet arbeidsongeschiktheids-verzekering zelfstandigen), doch in de meeste gevallen - waaronder de situatie van eiseres - is het voordeel van het niet meetellen van de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof er juist in gelegen dat beoordeling van arbeidsongeschiktheid voor de WAO naar een later tijdstip verschuift. Het meetellen van de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof voor de berekening van de 52-weken-termijn van artikel 19 van de WAO kan in dat laatste geval aldus een nadeel opleveren.

De rechtbank merkt daarbij op, dat de wetgever kennelijk ook die mening is toegedaan, nu in de wetsvoorstellen Arbeid en Zorg, (kamerstukken 1999-2000 nr. 27 207 en nr. 27 208) de periode waarin de vrouw zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten niet langer meer in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de periode van 52 weken van artikel 19 van de WAO. Daarbij heeft de wetgever, juist onder verwijzing naar - onder meer - het Mary Brown-arrest, overwogen dat het, gelet op het doel van de arbeidsongeschiktheidsregelingen niet goed is te motiveren dat een periode waarin een zwangerschaps- of bevallingsuitkering is ontvangen meetelt voor de wachttermijn. De zwangerschaps- of bevallingsuitkering, die overigens in de wetsvoorstellen uit de ZW wordt gelicht en als een aparte, zelfstandige "uitkering" in de Wet Arbeid en Zorg wordt opgenomen, is verbonden aan een verlofrecht. Er hoeft geen sprake te zijn van eventuele medische arbeidsongeschiktheid, aldus de wetgever (kamerstukken 1999-2000, 27 208, nr. 5, pag. 9).

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat artikel 19 van de WAO, voor zover toepassing van dat artikel tot gevolg heeft dat zwangere werkneemsters gelijk worden gesteld met zieke werknemers of werkneemsters, in strijd moet worden geacht met artikel 4, eerste lid, EG-Richtlijn 79/7 en in het geval van eiseres buiten toepassing dient te blijven. Dit betekent, dat de periode gedurende welke eiseres ziekengeld in verband met bevalling ex artikel 29a, eerste en vijfde lid, van de ZW heeft ontvangen niet mag worden meegeteld bij de berekening van de 52-weken-termijn van artikel 19 van de WAO.

Ten aanzien van de grief van eiseres, te weten dat verweerder de periode van arbeidsongeschiktheid gelegen voorafgaand aan haar zwangerschaps- en bevallingsverlof evenmin bij de berekening van de 52-weken-termijn van artikel 19 van de WAO had mogen betrekken, overweegt de rechtbank als volgt. Een eventuele (al dan niet zwangerschapsgerelateerde) arbeidsongeschiktheid van een werkneemster voorafgaand of ná het zwangerschaps- en bevallingsverlof kan naar het oordeel van de rechtbank onder dezelfde voorwaarden in aanmerking worden genomen als de afwezigheid van een werknemer of (niet zwangere) werkneemster wegens een arbeidsongeschiktheid van dezelfde duur. De eventuele meetelling van deze perioden van afwezigheid bij de berekening van de 52-weken-termijn van artikel 19 van de WAO leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot strijd met artikel 4, eerste lid, EG-Richtlijn 79/7. In dit kader verdient nog opmerking, dat in de eerdergenoemde wetsvoorstellen Arbeid en Zorg perioden van zwangerschapsgerelateerde arbeidsongeschiktheid gelegen voorafgaand of ná het zwangerschaps- en bevallingsverlof worden meegeteld bij de berekening van de WAO-wachttijd. Gelet op het bovenstaande kan deze grief van eiseres mitsdien niet slagen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep van eiseres gegrond te worden verklaard. Verweerder dient een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op f 1.420,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank beslist mitsdien als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de datum van verzending van het afschrift van deze uitspraak een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak,

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van f 60,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten welke eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten door de rechtbank zijn bepaald op f 1.420,--, zijnde de kosten van de aan eiseres beroepsmatig verleende rechtsbijstand en wijst het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Riphagen, voorzitter van de meervoudige kamer, mr. M.J.L. Lamers-Wilbers en mr. M.V. Scheffers.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. D.B.M. Bindels, griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2001

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres begrepen wordt - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instel-len bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002,

3500 DA te Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroep-schrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.