Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2001:AA9747

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
150249 / KG ZA 01-88
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2001, 148

Uitspraak

A R R O N D I S S E M E N T S R E C H T B A N K

T E R O T T E R D A M

Zaak/Rolnummer: 150249 / KG ZA 01-88

Uitspraak: 1 februari 2001

Vonnis van de president in kort geding in de zaak van:

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. O.E. Meijer,

advocaat mr. M. Meijjer te Amsterdam,

- t e g e n -

De coöperatieve vereniging U.A. Studio’s Onafhankelijk Toneel,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. W.J. Hengeveld,

advocaat mr. K.F.E. den Hartog.

Partijen worden verder aangeduid als “[eiser 1]” en “[eiser 2]” respectievelijk “Onafhankelijk Toneel”.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de navolgende, door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:

dagvaarding d.d. 12 januari 2001;

pleitnota en producties van mr. Meijjer;

pleitnota en producties van mr. Den Hartog.

De raadslieden hebben de standpunten van partijen nader toegelicht.

2. Het geschil

2.1

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen, kort en zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

ten aanzien van [eiser 1], Onafhankelijk Toneel te gelasten tot betaling van een voorschot op hetgeen [eiser 1] op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst te vorderen heeft;

ten aanzien van [eiser 2], Onafhankelijk Toneel te gelasten tot betaling van een voorschot op hetgeen [eiser 2] op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst te vorderen heeft;

voorts verzoeken [eiser 1] en [eiser 2] dat Onafhankelijk Toneel zal worden veroordeeld tot nakoming van haar maandelijkse betalingsverplichtingen jegens [eiser 1] en [eiser 2],

dit alles met veroordeling van Onafhankelijk Toneel in de kosten van deze procedure.

2.2

Ter zitting heeft [eiser 1] ten aanzien van de compositiewerkzaamheden subsidiair nog gevorderd dat Onafhankelijk Toneel zijn schade vergoedt, welke schade vooralsnog wordt begroot op het bedrag gelijk aan de gederfde inkomsten, zijnde ƒ 9.000,-.

2.3

[eiser 1] en [eiser 2] voeren hiertoe, zakelijk weergegeven, met name het volgende aan.

Onafhankelijk Toneel heeft zich niet gedragen zoals het een goed werkgever betaamt. De weigering van Onafhankelijk Toneel de productie Aïsja en de Vrouwen van Medina (hierna: de productie) aan te passen heeft uiteindelijk tot afgelasting geleid. Dit is een omstandigheid die aan Onafhankelijk Toneel als werkgever is toe te rekenen;

Teneinde de schade zoveel mogelijk te beperken had Onafhankelijk Toneel moeten bezien in welke vorm de productie wel door had kunnen gaan. Aan uitnodigingen tot overleg heeft Onafhankelijk Toneel nimmer gehoor gegeven;

2.4

Onafhankelijk Toneel concludeert tot afwijzing van de vordering en veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten.

2.5

Onafhankelijk Toneel heeft hiertoe, zakelijk weergegeven, met name aangevoerd dat door [eiser 1], [eiser 2] en de andere medewerkers als enkele oplossing aangedragen is dat Aïsja uit het stuk, althans van het toneel zou verdwijnen, hetgeen geen reële oplossing was.

3. De beoordeling

3.1

Op of omstreeks 10 april 2000 hebben Onafhankelijk Toneel en [eiser 1] een overeenkomst gesloten inhoudende dat [eiser 1] onder meer de muziek zou componeren voor de productie. Op of omstreeks 29 juni 2000 is tussen Onafhankelijk Toneel en [eiser 2] een overeenkomst gesloten inhoudende dat [eiser 2] als muzikant medewerking zou verlenen aan de productie.

3.2

Op 19 november 2000 geeft [eiser 1] in een gesprek met [regisseur] van de productie, namens zichzelf en [eiser 2] aan bezwaren te hebben tegen het stuk in de huidige vorm, met name omdat Aïsja daarin sprekend/zingend een rol op het toneel uitbeeldt, en het daarom niet te kunnen uitvoeren.

3.3

Op of omstreeks 23 november 2000 hebben de bij de productie betrokken spelers een fax verzonden aan [regisseur], waarin blijkens de niet betwiste vertaling onder meer het volgende is opgenomen:

“(…) Wij delen u mede dat wij (Marokkaanse acteurs en actrices) ervan afzien in het toneelstuk Aicha en de vrouwen van Medina te spelen (…). Hieraan liggen de volgende redenen ten grondslag:

1. het stuk (opera) behandelt een zeer gevoelig onderwerp dat de hogere waarden van de Islam aanroert;

2. niemand heeft het ooit eerder aangedurfd de rol te spelen van de vrouwen en de vrienden van de profeet.

Wij bieden u bijgevolg hierbij onze handtekeningen aan om onze stel-lige weigering van “Aïcha en de vrouwen van Medina” te ondersteunen. Mocht u echter overwegen dit toneelstuk te wijzigen, dan zijn alle leden bereid mede te werken”.

3.4

In een persbericht van 27 november 2000 heeft Onafhankelijk Toneel laten weten dat zij de productie aflast.

3.5

De president begrijpt de stellingen van [eiser 1] en [eiser 2] aldus dat zij hun verplichtingen uit de met Onafhankelijk Toneel gesloten overeenkomsten feitelijk hebben opgeschort en aan nakoming de voorwaarde hebben verbonden dat de productie zo wordt aangepast dat de inhoud ervan niet langer botst met binnen de Islam geldende opvattingen.

3.6

De artistieke en auteursrechtelijke aspecten van een productie als de onderhavige maken dat het voornamelijk aan de regisseur is om de inhoud van het stuk te bepalen. Indien de betrokken personen met de inhoud problemen hebben, ligt het in beginsel op hun weg om voor zichzelf een oplossing te vinden. Door Onafhankelijk Toneel is onbetwist gesteld dat de strekking van alle door [eiser 1], [eiser 2] en de andere medewerkers aangedragen oplossingen was dat Aïsja uit het stuk althans van het toneel zou worden gehaald. Van Onafhankelijk Toneel kan, gezien het onderwerp van de productie, in redelijkheid niet verwacht worden dat zij deze zonder een daadwerkelijke rol voor de hoofdpersoon opvoert.

3.7

Van Onafhankelijk Toneel kon dan ook niet, nu ook als erkend vaststaat dat [eiser 1] en [eiser 2] in augustus 2000 met [regisseur] in Marokko aan het toen grotendeels in het Arabisch vertaalde stuk hebben gewerkt en mitsdien van de inhoud daarvan op de hoogte moeten zijn geweest, verlangd worden dat zij [eiser 1] en [eiser 2] in de gestelde voorwaarde tegemoet zou komen. De president is van oordeel dat [eiser 1] en [eiser 2], door aan verdere medewerking de gestelde voorwaarde te verbinden kort voordat met de repetities zou worden begonnen, als eerste jegens Onafhankelijk Toneel toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst.

3.8

[eiser 1] en [eiser 2] waren derhalve gehouden de overeenkomst na te komen. Dit is slechts anders wanneer hen een beroep op overmacht toekomt. In dit kader, zo begrijpt de president, stellen [eiser 1] en [eiser 2] te hebben vernomen dat het dreigement is geuit dat medewerkers aan de productie eenzelfde lot als Salman Rushdie zou wachten. [eiser 1] heeft voorts aangegeven dat [eiser 2] uit zijn functie van leraar in Marokko dreigde te worden ontheven wanneer de productie in ongewijzigde vorm doorgang zou vinden.

3.9

Voornoemde, in de woorden van hun raadsman: suggestie van bedreiging wordt door [eiser 1] en [eiser 2] geconcretiseerd noch aangetoond. [eiser 2] heeft evenmin gesteld of aangetoond dat zijn baan op het spel stond. Gelet hierop is onvoldoende grond aanwezig om aan te nemen dat sprake is van overmacht. De president neemt hierbij mede in aanmerking dat [eiser 1] en [eiser 2] de gestelde bedreiging ook niet aan de beslissing hun verdere medewerking aan een voorwaarde te verbinden, ten grondslag hebben gelegd. Ook al zou overigens aan [eiser 1] en [eiser 2] wel een beroep op overmacht toekomen, dan nog zou dit niet kunnen leiden tot toewijzing van de vordering.

3.10

De vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] zullen worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [eiser 1] en [eiser 2] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4. De beslissing

De president,

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2], hoofdelijk, des dat de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Onafhankelijk Toneel bepaald op ƒ 400,- aan verschotten en ƒ 1.550,- aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.W.H. van den Emster, president, in tegenwoordigheid van mr. E.T. Roosjen, griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.