Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2000:AF0497

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-01-2000
Datum publicatie
07-08-2006
Zaaknummer
00/22
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tot het laatste moment doorgaan met het maken van schulden is een reden voor afwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Rotterdam

Enkelvoudige kamer

X.,

wonende te P.

verzoekster,

heeft op 13 januari 2000 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Verzoekster is ter terechtzitting van 19 januari 2000 gehoord.

Uit de stukken alsmede uit het verhandelde ter terechtzitting, waaronder verklaringen van verzoekster, is het volgende gebleken.

In de door verzoekster overgelegde verklaring d.d. 20 december 1999 ex artikel 285 van de Faillissementswet, verder aangeduid als de verklaring, is niet vermeld dat verzoekster sedert maart 1999 is gescheiden van tafel en bed.

Verzoekster heeft vanaf 1997 tot medio 1999 een baan gehad als schoonmaakster met een netto salaris van ongeveer f. 1.900,- per maand. Wegens gebrek aan opvang voor haar minderjarige kinderen heeft verzoekster thans geen baan. Zij ontvangt een uitkering ad f. 1.816,60 per maand. Tevens ontvangt zij aan huursubsidie f. 431,- per maand. Om de een of andere reden ontvangt verzoekster geen (kinder)alimentatie.

In 1994 is ontdekt dat verzoekster in 1989 heeft gefraudeerd, op grond waarvan zij een schuld heeft aan SoZaWe van de gemeente Rotterdam ad f. 11.374,90. Zij is hiervoor door de strafrechter veroordeeld.

Verzoekster heeft haar consumptiepatroon hierop niet beperkt, om zo tot aflossing van de genoemde fraudeschuld te komen, doch integendeel tot op heden gehandhaafd of opgevoerd.

Ter dekking daarvan heeft verzoekster niet gesteld een hoger inkomen doch het aangaan en niet betalen van vele schulden, zoals huurschulden, schulden aan kredietinstellingen, een schuld aan justitie wegens onverzekerd autorijden, schulden aan de fiscus wegens wegenbelasting, telefoonschulden van een enorme omvang, et cetera, et cetera, zodanig dat de schuldenlast van verzoekster thans is opgelopen tot bijna f. 60.000,- Desgevraagd heeft verzoekster medegedeeld dat zij haar auto vorige week heeft verkocht. Opgemerkt wordt dat de verklaring is gedateerd 20 december 1999 en dat de auto daarin ten on rechte niet vermeld is.

In het feit dat verzoekster bijna tot op heden is blijven autorijden ziet de rechtbank een bevestiging van het boven aangegeven consumptiepatroon van verzoekster.

Evident is dat verzoekster bij het aangaan van voormelde schulden wist dat deze door haar niet betaald zouden worden.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verzoekster zowel ten aanzien van het ontstaan als ten aanzien van het onbetaald laten van voormelde schulden roekeloos en onverantwoordelijk heeft gehandeld zodat zij in deze niet als te goeder trouw is aan te merken.

Hiermede is nog niet gezegd dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling in dit geval achterwege dient te blijven,

Het is immers de bedoeling van de wetgever dat aan personen, die in een problematische schuldenpositie terecht zijn gekomen, de mogelijkheid kan worden geboden om na een zekere periode tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten en vervolgens een schone lei te verkrijgen.

De opbouw van de schuldenpositie van verzoekster is practisch tot op heden gecontinueerd en wel op de wijze zoals boven uiteengezet.

Met het oog hierop kan de vermelde periode niet eerder dan op of omstreeks heden aanvangen.

Gezien de geschetste handelwijze van verzoekster is het geen wonder dat vele van de schuldeisers niet akkoord gaan met een minnelijke regeling. Ook dit punt behoort een rol te spelen bij de beoordeling.

Het verzoek behoort, het geheel overziende, te worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Gewezen door mr. A.B.H.M. van Thiel, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.