Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2000:AB0405

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-12-2000
Datum publicatie
06-03-2001
Zaaknummer
VWVG 00/2389-SIMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

President

Reg.nr.: VWVG 00/2389-SIMO

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen

[verzoeker] en [verzoeker 2], wonende te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde D. Truijens, voorzitter van de Stichting Slachtoffers WVG, gevestigd te Leiden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 21 juni 2000 heeft verweerder de door verzoekers op 20 april 2000 ingediende aanvraag om vergoeding van de kosten van een spreek-/luisterverbinding afgewezen.

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) is namens verzoekers bij brief van 10 juli 2000 verzoekers bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 oktober 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de - huidige - gemachtigde van verzoekers bij brief van 18 november 2000 beroep ingesteld.

Voorts heeft de gemachtigde van verzoekers bij brief van eveneens 18 november 2000 de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2000. Aanwezig waren verzoekers en hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde W.P.F. de Bruijn.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8;86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: WVG) om vergoeding van de kosten van aanschaf en aanleg van een spreek-/luisterverbinding (intercom) bij de voordeur op de etage van hun flatwoning ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat geen sprake is van een ergonomische beperking in de zin van de WVG, omdat de gevraagde voorziening geen oorzakelijke samenhang vertoont met de handicap van verzoekers (zij zijn beiden blind) en het vervullen van de elementaire functies die aan het bewonen van hun woning zijn verbonden.

In het verzoekschrift is aangegeven dat de zaak in verband met het verzekeren van de veiligheid van verzoekers in hun woning spoedeisend is. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers voorts gesteld dat de procedure met betrekking tot de aanvraag om vergoeding van de kosten van de intercom reeds te veel tijd in beslag heeft genomen. In dat verband heeft hij ter zitting desgevraagd verklaard dat het verzoek om voorlopige voorziening er (mede) toe strekt de afhandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.

De president overweegt als volgt.

De mogelijkheid hangende beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen is niet bedoeld om - door middel van de zogenoemde "kortsluiting" - de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Aan het verzoek om voorlopige voorziening dient (mede) een zelfstandig spoedeisend belang ten grondslag te liggen. Indien het verzoek niet is gericht op het verkrijgen van een voorlopige voorziening maar (uitsluitend) op het - op korte termijn - verkrijgen van een eindoordeel, is daarin voor de president een grond gelegen om geen gebruik te maken van de bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

In het onderhavige geval is van een zelfstandig spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening niet gebleken. Niet valt in te zien waarom verzoekers, van wie is komen vast te staan dat zij reeds een aantal jaren onder dezelfde omstandigheden als thans in hun woning wonen, gelet op hun veiligheid de uitkomst van de beroepsprocedure niet zouden kunnen afwachten. Voorts moet - nog daargelaten of, en zo ja welke, gevolgen aan een andersluidend oordeel zouden moeten worden verbonden - worden vastgesteld dat noch ten aanzien van het primaire besluit noch ten aanzien van het bestreden besluit sprake is van overschrijding van de beslistermijn.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dan ook dat het verzoek om voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de president geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De president,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. Th.G.M. Simons als president.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 december 2000.

De griffier: De president:

Afschrift verzonden op: