Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2000:AB0181

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
VWOB 0011560-GSS WOB 0011561-GSS (hoofdzaak)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

President

Reg.nrs.: VWOB 0011560-GSS

WOB 0011561-GSS (hoofdzaak)

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, tevens eiser (hierna: verzoeker), gemachtigde mr. F.M. Tazelaar, advocaat te Rhoon,

en

de inspecteur van de belastingdienst particulieren, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 3 februari 2000 heeft de gemachtigde van verzoeker aan verweerder verzocht afschriften te verstrekken van de aangiften inkomstenbelasting en vermogensbelasting van wijlen mevrouw C over de jaren 1984 tot en met 1998, alsmede van de opgelegde aanslagen.

Bij besluit van 16 februari 2000 heeft de inspecteur Belastingdienst/Ondernemingen Rotterdam 2 het verzoek om de voornoemde gegevens te verstrekken afgewezen.

Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van verzoeker bij brief 28 maart 2000 bezwaar gemaakt..

Bij besluit van 14 juni 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van verzoeker bij brief van 20 juli 2000 beroep ingesteld.

Voorts heeft de gemachtigde van verzoeker bij brief van eveneens 20 juli 2000 de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij brief van 23 augustus 2000 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2000. Aanwezig waren verzoekers zoon en de gemachtigde van verzoeker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A. Ouwerkerk en mr. C.J.M. van Hassel. Vervolgens heeft de president aanleiding gevonden met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) te bepalen dat het onderzoek wordt heropend. Bovendien heeft de president bepaald dat verweerder binnen twee weken na de zittingsdatum de door eiser - voor zover nog aanwezig - gevraagde gegevens, met een verzoek om geheimhouding aan de rechtbank dient te overleggen.

Bij brief van 6 september 2000 heeft verweerder de nog voorhande zijnde informatie, als door verzoeker gevraagd, overgelegd. Daarbij heeft verweerder tevens verzocht toepassing te geven aan artikel 8:29,derde lid, van de Awb.

Het onderzoek ter zitting heeft, na een verzoek om aanhouding van de zijde van de gemachtigde van verzoeker, eerst opnieuw plaatsgevonden op 24 oktober 2000, waar verzoekers zoon en de gemachtigde van verzoeker aanwezig waren en waarbij verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. A. Ouwerkerk en mr. C.J.M. van Hassel.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83,eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De president is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

Voor het onderhavige geding - waarmee ter voorkoming van (verdere) vernietiging van de gewenste informatie een spoedeisend belang is gemoeid -.zijn onder meer de volgende bepalingen van belang.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is het een ieder verboden hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet, of in verband daarmede, nopens de persoon of zaken van een ander blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting. Het tweede lid geeft de Minister de mogelijkheid ontheffing te verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod.

In de eerste volzin van het eerste lid van artikel 44 van de AWR is bepaald dat na iemands overlijden rechtverkrijgenden onder algemene titel in het uitoefenen van de bevoegdheden en in het nakomen van de verplichtingen, welke de overledene zou hebben gehad, ware hij in leven gebleven, worden vertegenwoordigd door een hunner, de executeur-testamentair of de bewindvoerder over de nalatenschap. Ingevolge het tweede lid kunnen stukken betreffende belastingaangelegenheden van een overledene worden gericht aan een der in het eerste lid genoemde personen.

Ingevolge artikel 4:880 BW treden de erfgenamen van regtswege in het bezit der goederen en regtsvorderingen van den overledene.

Artikel 10, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB) luidt - voor zover hier van belang - alsvolgt: Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(….)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(….)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Blijkens item 2.5 van het Voorschrift informatieverstrekking 1993 (hierna: VIV 1993) van de Staatssecretaris van Financiën zijn de fiscale geheimhoudingsbepalingen aan te merken als lex specialis ten opzichte van de WOB. Voorts wordt daarbij gesteld dat volgens vaste jurisprudentie een bestuursorgaan de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht dient te toetsen aan de uitzonderingsgronden en de beperkingen van de WOB. Bovendien valt daarbij te lezen dat verzoeken van derden over individuele belastingplichtigen altijd worden afgewezen met een beroep op de fiscale geheimhoudingsplicht. Omdat het mogelijk is om ontheffing van de geheimhoudingsplicht te verlenen zal het beroep op de geheimhoudingsplicht altijd mede moeten worden gemotiveerd met de uitzonderingsgronden en beperkingen van de WOB. voor fiscale zaken zijn vooral de absolute uitzonderingsgrond van het eerste lid van artikel 10, onder c WOB en de relatieve uitzonderingsgronden van artikel 10, tweede lid, onderdelen b, d, e en g van belang.

Aan de hand van de gedingstukken en het verhandelde ter beide zittingen stelt de president vast dat mevrouw C (hierna: mw C) op […] […] 1998 is overleden. Blijkens een verklaring van erfrecht zijn de vier kinderen van mw C, waaronder verzoeker, haar enige erfgenamen. Verzoeker wenst duidelijkheid te verkrijgen over de omvang van haar nalatenschap alsmede over de wijze waarop deze nalatenschap zich tot haar overlijden heeft ontwikkeld. Hierdoor heeft de gemachtigde van verzoeker zich bij brief van 3 februari 2000 tot de belastingdienst gewend met het verzoek om in het kader van de WOB aan verzoeker afschriften van de aangiften inkomstenbelasting en vermogensbelasting van wijlen mw C over de jaren 1984 tot en met 1998, alsmede van de opgelegde aanslagen, te verstrekken.

De inspecteur Belastingdienst/Ondernemingen Rotterdam 2 heeft bij besluit van 16 februari 2000 aan verzoeker medegedeeld dat hij op grond van artikel 10, tweede lid, sub e, van de WOB daartoe niet gemachtigd is.

In bezwaar heeft verzoeker - kort gezegd - aangevoerd dat hij van de Rabobank te D bankafschriften terzake van de bankrekening van mw C heeft verkregen, waaruit blijkt dat zij in een periode van vier maanden een bedrag van ruim f 410.000,= per kas van haar bankrekening zou hebben opgenomen. Bij verzoeker is het vermoeden gerezen dat de overige erfgenamen deze bedragen namens haar hebben opgenomen. Verzoeker wenst dus te onderzoeken of mw C niet is benadeeld en of er geen schenkingen zijn geweest die in de nalatenschap gebracht dienen te worden. Het vermeende recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van mw C acht verzoeker in dit geval dan ook zeker niet aanwezig.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder in de eerste plaats medegedeeld dat niet de inspecteur van de eenheid ondernemingen Rotterdam 2 maar hij competent is terzake van de behandeling van verzoekers aanvraag om informatie. Voorts heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat de belastingdienst op grond van artikel 67, eerste lid, van de AWR geen informatie over belastingplichtingen aan derden verstrekt. Doordat erfgenamen wettelijk in de plaats treden van de overleden belastingplichtige is de geheimhoudingsplicht op hen niet van toepassing. Doordat de rechten en verplichtingen van de overledene ondeelbaar zijn en verweerder heeft geconstateerd dat verzoeker wegens een ruzie niet als vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 44 van de AWR van de erfgenamen kan worden aangemerkt, acht hij de geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 67, eerste lid van de AWR van toepassing. Na toetsing van de uitzonderingsgronden van artikel 10 van de WOB komt verweerder tot het oordeel dat op grond van artikel 10, tweede lid, onder g WOB moet worden voorkomen dat de erfgenamen die het verzoek heeft ingediend onevenredig wordt bevoordeeld ten opzichte van de erfgenamen die het verzoek niet mede hebben ingediend. Alleen een verzoek dat door of namens de gezamenlijke erfgenamen wordt ingediend kan dan ook naar de mening van verweerder leiden tot ontheffing van de geheimhoudingsplicht.

In beroep heeft de gemachtigde van verzoeker - kort samengevat aangevoerd dat naar zijn mening verweerder een ondeugdelijk besluit heeft genomen. Bovendien weerspreekt de gemachtigde van verzoeker de stelling dat de broers van verzoeker onevenredig worden benadeeld. Immers het zijn de broers van verzoeker geweest die in een paar jaar tijd het vermogen van mw C van minimaal f 540.000,= hebben gereduceerd tot een negatief vermogen. Verzoeker acht het dan ook niet vreemd dat deze broers niet mee willen werken aan zijn verzoek. In het geval een belangenafweging tussen de belangen van verzoeker en die van zijn broers dient te worden gemaakt, dan vermag verzoeker niet in te zien dat zijn belangen bij het verstrekken van de gevraagde informatie door verweerder onevenredig bevoordeeld zouden worden ten opzichte van de belangen van zijn broers. Indien uit de gevraagde informatie zou blijken dat de afname van het vermogen van de moeder van verzoeker een natuurlijk verloop had en de broers van verzoeker daarin niet de hand hebben gehad, dan worden de belangen van de broers van verzoeker op geen enkele wijze geschaad. In het omgekeerde geval zouden de belangen van verzoeker om de informatie te verkrijgen zwaarder wegen dan de belangen van de broers om hun onrechtmatig handelen in de doofpot te houden.

Bij brief van 6 september 2000 heeft verweerder met een verzoek om geheimhouding de door verzoeker gevraagde aangiften inkomstenbelasting van mw C over de jaren 1995 tot en met 1998 aan de rechtbank overgelegd. Eerder heeft verweerder in het verweerschrift van 23 augustus 2000 medegedeeld dat er globaal geschat nog informatie vanaf 1990 voorhanden is.

De President stelt derhalve vast dat deze globale schatting van de zijde van verweerder de plank geheel mis slaat daar - naar thans blijkt - de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 1984 tot en met 1994 reeds zijn vernietigd.

De president stelt op basis van het hiervoor genoemde vast dat het ervoor moet worden gehouden dat het geschil zich slechts beperkt tot het geheimhouden van de opgaven inkomstenbelasting van mw C van 1995 tot en met 1998.

Ter zake van de bevoegdheid van verweerder overweegt de President het volgende.

Nadat eerst door de Belastingdienst is opgemerkt dat de inspecteur Belastingdienst/Ondernemingen Rotterdam 2 niet competent is op de aanvraag van verzoeker van 3 februari 2000 te beslissen is het bezwaarschrift van verzoeker en de overige stukken ter verdere afdoening doorgezonden aan verweerder, mr. T.U. Griffioen, inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren Rotterdam. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

Zowel op basis van het gestelde in item 2.5 van het VIV 1993 (laatstelijk gewijzigd op 1 december 1998) als artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Wob Financiën van 21 december 1998 en hetgeen ter zitting namens verweerder is verklaard dient te worden vastgesteld dat voor wat betreft de beslissing op een verzoek om informatie die berust bij de Belastingdienst als gemachtigde ambtenaren zijn aangewezen "de hoofden van de eenheden van de Belastingdienst". Deze hoofden zijn bevoegd aan onder hen resortende ambtenaren ter zake ondermandaat te verlenen.

Op verzoek van de President heeft verweerder bij brief van 6 september 2000 het Besluit mandaatverlening van 18 januari 2000 toegezonden. Daaruit blijkt de President het volgende. Bij het voornoemde besluit van 18 januari 2000 heeft het hoofd van de eenheid overwogen dat het gewenst is dat aan de op zijn eenheid werkzame ambtenaren de bevoegdheid wordt verleend tot het uitoefenen van de bevoegdheid van Inspecteur dan wel Ontvanger.

Daarbij heeft hij als bijlage een mandaatregister opgenomen en ambtenaren aangewezen om namens hem de bevoegdheid van Inspecteur en/of ontvanger uit te oefenen. Blijkens het mandaatregister heeft mr. T.U. Griffioen de leiding van de Afdeling en is hij gemandateerd om de bevoegdheid van Inspecteur en Ontvanger uit te oefenen.

Niet volgt met zoveel woorden uit het Besluit mandaatverlening van 18 januari 2000 en het daarbij gevoegde mandaatregister dat mr. T.U. Griffioen bevoegd is op het verzoek in het kader van de WOB een beslissing te nemen. Immers een dergelijke beslissing is voorbehouden aan "het hoofd van de eenheid". Blijkens het toegezonden mandaatsbesluit is "slechts" ter zake van de functie van inspecteur en ontvanger mandaat verleend aan verweerder. Ter zitting is vast komen te staan dat de functie van "inspecteur" niet gelijk staat aan de functie "hoofd van een eenheid".

Namens verweerder is ter zitting aangevoerd, dat mr. T.U. Griffioen de leiding heeft van de Afdeling en in die zin, naast het zijn van inspecteur en ontvanger, in de "wandelgangen" bij de Belastingdienst ook gezien wordt als plaatsvervangend hoofd van de eenheid. Het plaatsvervangend hoofd wordt bij de Belastingdienst - aldus de gemachtigden van verweerder - gelijk gesteld met het hoofd van de eenheid met identieke bevoegdheden. De President merkt op dat hetgeen ter zitting namens verweerder dienaangaande is aangevoerd niet uit de voorhanden zijnde gedingstukken blijkt. Bovendien begrijpt de President niet om welke. reden mr. J.M. Schellekens, zijnde hoofd van de eenheid, aan mr. T.U. Griffioen mandaat zou dienen te verlenen voor de functie van Inspecteur/Ontvanger indien, naar namens verweerder ter zitting is verklaard, de functie van mr T.U. Griffioen gelijk gesteld dient te worden met de functie van mr. J.H. Schellekens.

Nu de President op basis van de hem voorliggende gegevens enkel kan vaststellen dat aan verweerder "slechts" mandaat is verleend ter zake van de functie van inspecteur/ontvanger en er geen gedingstuk is aangewezen op grond waarvan mag worden aangenomen dat verweerder tevens de bevoegdheid van hoofd van een eenheid mag uitoefenen, komt de President tot het oordeel dat verweerder geen bevoegdheid toekomt tot het nemen van het bestreden besluit.

Reeds op basis hiervan dient het beroep gegrond verklaard te worden en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

De President is overigens van oordeel dat het bestreden besluit ook op andere gronden niet in stand gelaten kan worden.

Hiertoe overweegt de President het volgende.

De President stelt vast dat verweerder in het kader van de bezwaarprocedure, waarbij verweerder overigens in strijd met de Awb dan wel item 6.2 van het Voorschrift Algemene wet bestuursrecht, vastgesteld bij Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 21 juli 1997, heeft nagelaten verzoeker dan wel zijn gemachtigde te horen, de grondslag van de afwijzing heeft gewijzigd, in die zin dat thans er vanuit dient te worden gegaan dat de aanvraag van verzoeker op basis van artikel 10, tweede lid, sub g, van de WOB niet gehonoreerd kan worden.

Nu namens eiser tegen het niet horen geen bezwaar is gemaakt en het hier niet een voorschrift betreft van openbare orde, verbindt de President hieraan geen consequenties.

Voor wat betreft de gewijzigde grondslag van het bestreden besluit zij het volgende gesteld. Verweerder is blijkens het bestreden besluit tot het oordeel gekomen dat het verstrekken van de door verzoeker gewenste informatie dient te worden geweigerd op grond van het feit dat moet worden voorkomen dat verzoeker onevenredig wordt bevoordeeld ten opzichte van de erfgenamen die het verzoek niet mede hebben ingediend. Verweerder heeft derhalve de relatieve uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de WOB toegepast.

De President is van oordeel dat deze afweging niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen daar verweerder ten tijde van het bestreden besluit niet in het bezit was van de gegevens waaromtrent openbaarmaking is verzocht. Verweerder heeft derhalve op geen enkele wijze feitelijk kunnen vaststellen dat de overige erfgenamen zouden worden benadeeld bij toekenning van het verzoek van verzoeker. Dat verweerder bij zijn besluitvorming niet de beschikking had over de desbetreffende bescheiden blijkt reeds uit het feit dat verweerder deze desgevraagd eerst op 4 september 2000 bij het Centraal Archief heeft opgevraagd en eerst op dat moment tot de ontdekking komt dat slechts de inkomstengegevens van mw C over de jaren 1995 tot en met 1998 voorhanden zijn. Blijkens het verweerschrift van 23 augustus 2000 ging verweerder er eerst vanuit dat het om informatie van tien jaar geleden ging. Indien verzoeker zulks toentertijd had vernomen was het wellicht niet ondenkbaar geweest dat hij deze procedure niet had aangevangen, daar het verzoeker - zoals ter zitting namens verzoeker is gesteld - met name te doen was om de inkomensgegevens van de jaren daarvoor.

Gelet op het vorenstaande komt de President tot het oordeel dat het bestreden besluit niet met de nodige zorgvuldigheid is voorbereid en, wegens het onvoldoende vergaren van kennis, niet berust op een deugdelijke motivering.

Het bestreden besluit komt derhalve eveneens op basis van artikel 3:2 van de Awb en artikel 3:46 Awb voor vernietiging in aanmerking.

De President merkt naast het vorenstaande op dat verweerder tijdens het onderhavige geschil bij de rechtbank heeft aangegeven de grondslag van het bestreden besluit 'wederom' te willen verlaten.

Blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting stelt verweerder zich thans op het standpunt dat toetsing aan de uitzonderingsgronden en beperkingen van de WOB op zich geen belemmering oplevert om de gevraagde informatie te verstrekken. Verweerder acht thans een andere belemmering aanwezig die zijn grond vindt in artikel 4:880 BW. Dit artikel strekt ertoe dat de erfgenamen gezamenlijk in de plaats treden van de overledene en daarbij een ondeelbaar geheel vormen. Nu verweerder alleen aangifte- en vermogensgegevens mag verstrekken aan de belastingplichtige en na het overlijden van mw C haar erfgenamen van rechtswege in haar plaats zijn getreden, mag op basis van artikel 44, eerste lid, eerste volzin van de Awr, de gevraagde informatie ook enkel aan die erfgenamen als ondeelbaar geheel worden verstrekt. De overige erfgenamen hebben verweerder tijdens de procedure bij de rechtbank schriftelijk medegedeeld er bezwaar tegen te hebben dat de gevraagde bescheiden aan verzoeker zullen worden verstrekt. Nu vaststaat dat verzoeker de gezamenlijke rechtsverkrijgende niet kan vertegenwoordigen kan het verzoek om informatie niet worden opgevat als een verzoek van of namens de gezamenlijke erfgenamen. Reeds hierom is verweerder van mening dat de gevraagde informatie niet kan worden verstrekt, daar zulks er anders toe zal leiden dat de behandelend ambtenaar zijn fiscale geheimhoudingsplicht schendt. Nu artikel 67, eerste lid, van de Awr een lex specialis is ten opzichte van de WOB dient naar de mening van verweerder het verzoek van verzoeker te worden afgewezen.

Het standpunt van verweerder zoals dat thans voorligt ziet er naar het oordeel van de President aan voorbij dat zowel artikel 4:880 BW als artikel 44 van de Awr nu juist beogen dat één van de gerechtigden tot de onverdeelde boedel aangesproken kan worden of kan ageren.

De President kan verweerder overigens in zijn laatst ingenomen standpunt niet volgen. Immers in het geval als het onderhavige, waarbij het verzoek om informatie niet door de gezamenlijke erfgenamen wordt ingediend als bedoeld in artikel 44 van de Awr, kan door verweerder zondermeer een beroep worden gedaan op artikel 67, eerste lid, van de Awr. Dat het laatstgenoemde artikel een lex specialis is ten opzichte van de WOB neemt niet weg dat er de mogelijkheid bestaat om ontheffing te verlenen. Immers ingevolge het tweede lid van artikel 67 van de Awr bestaat de mogelijkheid ontheffing te verlenen en in onder meer het VIV 1993 van verweerder staat vermeld dat volgens vaste jurisprudentie een bestuursorgaan de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht dient te toetsen aan de uitzonderingsgronden en de beperkingen van de WOB. Bovendien valt daarbij te lezen dat verzoeken van derden over individuele belastingplichtigen altijd worden afgewezen met een beroep op de fiscale geheimhoudingsplicht. Omdat het mogelijk is om ontheffing van de geheimhoudingsplicht te verlenen zal het beroep op de geheimhoudingsplicht altijd mede moeten worden gemotiveerd met de uitzonderingsgronden en beperkingen van de WOB.

In het geval verweerder thans - anders dan in het bestreden besluit - stelt dat toetsing aan de uitzonderingsgronden en beperkingen van de WOB op zich geen belemmering oplevert om de gevraagde informatie te verstrekken, brengt dit naar het oordeel van de President met zich dat de gevraagde informatie, uitvoering gevend aan het VIV 1993, dus zou kunnen worden verstrekt.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen komt de President tot het oordeel dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

De President acht in het onderhavige geval geen aanleiding aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, hetgeen er in dit geval toe leidt dat verweerder, na daar uitdrukkelijk door het hoofd van de eenheid toe te zijn gemachtigd, opnieuw dient te beslissen op het bezwaar van verzoeker.

De president bepaalt dat naast het griffierecht in de hoofdzaak ook het griffierecht in de voorlopige-voorzieningprocedure wordt vergoed.

De president ziet ten slotte aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek en het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De president bepaalt de proceskosten op f 2.130,-aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de president niet gebleken.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De president,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder, na daartoe te zijn gemachtigd, binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde,

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan verzoeker het door hen betaalde griffierecht van f 450,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van f 2.130,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet vergoeden,

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C.P. Goossens als president. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Vermaat als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 november 2000.

De griffier: De president:

Afschrift verzonden op: 21 november 2000

Een belanghebbende - waaronder in elk geval verzoeker wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak, voorzover betrekking hebbende op de hoofdzaak, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.