Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2000:AB0180

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-12-2000
Datum publicatie
21-02-2001
Zaaknummer
VBOUW 00/2305-SIMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19 (oud), geldigheid: 2000-12-22
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19, geldigheid: 2000-12-22
Woningwet 50, geldigheid: 2000-12-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

President

Reg.nr.: VBOUW 00/2305-SIMO

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde W. Janse, wonende te Nieuwerkerk aan den IJssel,

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk, verweerder,

met als derde-partij:

[vergunninghouder], wonende te [woonplaats] (hierna: vergunninghouder), gemachtigde mr. D.H. de Witte, advocaat te Den Haag.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 18 september 2000 heeft verweerder aan vergunninghouder onder verlening van vrijstelling op grond van artikel 19 (oud) van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en met toepassing van artikel 50, vierde lid, (nieuw) van de Woningwet (hierna: Ww) onder voorwaarden een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning op het perceel […]straat 80 te B, kadastraal bekend deelgemeente Kralingen-Crooswijk, sectie […], nr. […].

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeker bij brief van 27 oktober 2000 bezwaar gemaakt.

Voorts heeft verzoeker bij brief van 8 november 2000 de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Daartoe door de president in de gelegenheid gesteld heeft vergunninghouder als partij aan het geding deelgenomen.

Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland (hierna: GS) hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid als partij aan het geding deel te nemen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 decernber 2000. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden H.J. van Dijk en mr. C.J. Porreij, beiden werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

De president heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Bij faxbericht van 6 december 2000 heeft verweerder enkele nadere stukken ingezonden.

Met toestemming van partijen heeft de president bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

Vergunninghouder is voornemens een woning op te richten op het perceel […]straat 80 te B. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Noordelijk Niertje" rust echter op het perceel de bestemming tuin.

Vergunninghouder heeft door middel van een op 1 mei 1999 gedateerd zogeheten vrijstellingsplan, bij verweerder ingekomen op 4 mei 1999, verzocht om vrijstelling ingevolge artikel 19 (oud) van de WRO. Bij het vrijstellingsplan zijn met betrekking tot het bouwplan onder meer gevoegd plattegronden per verdieping, doorsneden en gevelaanzichten en principe-details. Voorts zijn daarbij aangegeven de situering van de woning op het perceel, de bestaande bebouwing en de wijze van ontsluiting. Tevens zijn bijgevoegd foto's van de omgeving en van de nabijgelegen bouwwerken.

Vaststaat dat nog geen ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. De raad van de gemeente Rotterdam heeft echter op 14 oktober 1999 een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de WRO genomen, dat met ingang van 22 oktober 1999 in werking is getreden. Op 23 november 2000 heeft de raad een herhaald voorbereidingsbesluit genomen, dat met ingang van 1 december 2000 in werking is getreden.

Ten aanzien van het vrijstellingsplan is de procedure ingevolge artikel 19a (oud) van de WRO gevolgd, in welk kader - onder anderen - verzoeker zijn bedenkingen naar voren heeft gebracht.

Op 17 juli 2000 is bij verweerder ingekomen een ongedateerde aanvraag van vergunninghouder om een bouwvergunning voor het bouwplan.

Bij besluit van 24 augustus 2000 hebben GS, onder verwijzing naar artikel 19 (oud) van de WRO en artikel 50, vijfde lid, (oud) van de Ww, verklaringen van geen bezwaar afgegeven.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan vergunninghouder onder verlening van vrijstelling op grond van artikel 19 (oud) van de WRO en met toepassing van artikel 50, vierde lid, (nieuw) van de Ww onder voorwaarden een bouwvergunning verleend voor het bouwplan. Uit het bestreden besluit blijkt dat op 1 augustus 2000 een positief welstandsadvies is uitgebracht.

Verzoeker kan zich met het bestreden besluit niet verenigen.

Verzoeker heeft allereerst het volgende aangevoerd. Indien moet worden aangenomen dat de aanvraag om een bouwvergunning is ingekomen op 4 mei 1999, had verweerder gelet op artikel 50, eerste lid, van de Ww de bouwvergunning moeten weigeren omdat op dat moment nog geen voorbereidingsbesluit tot stand was gekomen. Indien moet worden aangenomen dat de aanvraag om een bouwvergunning is ingekomen op 17 augustus 2000, is de vrijstellings- en anticipatieprocedure gevoerd zonder dat sprake was van een aanvraag om een bouwvergunning, zodat niet is voldaan aan artikel 46, derde lid, tweede volzin, van de Ww. Gelet op het overgangsrecht bij de Wet van 1 juli 1999 (Stb. 1999, 302) , waarbij onder andere de WRO en de Ww zijn gewijzigd, dient derhalve alsnog de procedure van artikel 19 (nieuw) van de WRO te worden gevolgd.

De president overweegt hieromtrent het volgende.

Een vrijstellingsplan als het onderhavige strekt ertoe, voorafgaand aan het indienen van een - formele - aanvraag om een bouwvergunning, (een zo groot mogelijke mate van) zekerheid te verkrijgen over de vraag of voor het voorgenomen bouwplan vrijstelling van het geldende bestemmingsplan zal worden verleend. Aldus wordt voorkomen dat nodeloos tijd en kosten aan de aanvraag om een bouwvergunning worden besteed in gevallen waarin geen vrijstelling wordt verleend. Er is geen enkele grond om aan te nemen dat deze figuur, waaraan de praktijk behoefte heeft, in strijd zou zijn met het wettelijke stelsel. Anders dan verzoeker heeft betoogd dwingt - ook - artikel 46, derde lid, tweede volzin, van de Ww niet tot die conclusie, zoals onder meer volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juni 1997 (AB 1997, nr. 334). In het onderhavige geval is derhalve sprake van twee afzonderlijke aanvragen, te weten het verzoek om vrijstelling (ingekomen op 4 mei 1999) en de aanvraag om een bouwvergunning (ingekomen op 17 juli 2000). Dat daarop tegelijkertijd en in één besluit is beslist, maakt het voorgaande niet anders.

Gelet op artikel VI, eerste lid, van de Wet van 3 april 2000 blijft ten aanzien van het nemen van een besluit op het verzoek om vrijstelling het oude recht van toepassing en is ten aanzien van het nemen van een besluit op de aanvraag om een bouwvergunning het nieuwe recht van toepassing.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat hetgeen verzoeker op dit punt heeft aangevoerd geen doel treft.

Derhalve is thans aan de orde of verweerder rechtmatig onder verlening van vrijstelling op grond van artikel 19 (oud) van de WRO en met toepassing van artikel 50, vierde lid, (nieuw) van de Ww de aangevraagde bouwvergunning heeft verleend.

Verzoeker heeft in dat verband aangevoerd dat verweerder in strijd met artikel 19, derde lid, (oud) van de WRO de raad van de gemeente Rotterdam niet in de gelegenheid heeft gesteld de wens te kennen te geven de zaak aan zich te trekken.

Ter zitting is van de zijde van verweerder echter onweersproken gesteld dat overeenkomstig de vaste - en door de rechtspraak gesanctioneerde - praktijk het onderhavige verzoek door plaatsing op de zogenoemde doorlopende lijst tijdig ter kennis van de raad is gebracht en dat de raad vervolgens niet de wens te kennen heeft gegeven de zaak aan zich te trekken. Van strijd met artikel 19, derde lid, (oud) van de WRO acht de president derhalve geen sprake.

Aangezien vaststaat dat ook overigens aan de formele vereisten voor het gebruik maken van de vrijstellings- en anticipatieprocedure is voldaan, dient vervolgens te worden beoordeeld of verweerder van die bevoegdheid op rechtens juiste wijze gebruik heeft gemaakt.

Het gebruik maken van de vrijstellings- en anticipatieprocedure is slechts passend indien daarvoor voldoende dringende redenen aanwezig zijn en daaraan geen overwegende bezwaren zijn verbonden. De uitoefening van die bevoegdheid vereist aldus een afweging van belangen waarbij in het bijzonder de omvang, de mate van ingreep in het ter plaatse bestaande planologische regime, de betekenis - in de zin van planologische uitstraling - en de urgentie van het voorgenomen bouwplan worden afgewogen tegen de aan de met verwezenlijking van het bouwplan tegengestelde belangen, waaronder het nadeel dat het reeds voltooid zijn van het bouwplan afbreuk zal doen aan de mogelijkheid voor derden om te zijner tijd zinvol tegen het bestemmingsplan op te komen. Daarbij geldt onder meer dat naarmate de ingreep in het ter plaatse bestaande planologische regime en de planologische uitstraling groter zijn, zwaardere eisen dienen te worden gesteld aan de mate van uitwerking van het toekomstige planologische kader en aan de urgentie van het voorgenomen bouwplan.

Aan de hand van deze uitgangspunten beoordeelt de president het bouwplan als volgt.

Hoewel het bouwplan van verzoeker is geprojecteerd op grond met de bestemming "tuin" en louter gelet op het planologisch kader dan als ingrijpend kan worden aangemerkt, is de president van oordeel dat de planologische uitstraling van het bouwplan zo beperkt van omvang is, dat daarin op zichzelf geen beletselen voor het verlenen van vrijstelling zijn gelegen. Daarbij is van belang dat het bouwplan is gesitueerd in een residentiële omgeving die wordt gekenmerkt door bebouwing in het hogere marktsegment, op grote kavels en in een overigens groene omgeving. Het bouwplan maakt daarop niet of nauwelijks inbreuk. Ook na de splitsing van het perceel resteert immers een kavel van aanzienlijke omvang, terwijl voorts de woning van vergunninghouder op een behoorlijke afstand (35 à 40 meter) van de woning van verzoeker zal worden gebouwd. Gelet hierop behoeven in dit geval aan de mate van uitwerking van het toekomstige planologische kader en aan de vereiste urgentie geen zware eisen te worden gesteld. Dat op dit moment slechts sprake is van een zogenoemd kaal voorbereidingsbesluit komt, mede gelet op het feit dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat de voorgenomen herziening van het geldende bestemmingsplan teneinde dit in overeenstemming te brengen met het bouwplan weliswaar niet op zeer korte termijn maar wel binnen afzienbare tijd haar beslag zal krijgen, in het onderhavige geval dan ook geen overwegende betekenis toe. Met de verwijzing naar de grote vraag naar woningen in het hogere marktsegment en het belang dat verweerder hecht aan de beschikbaarheid van dergelijke woningen in de deelgemeente Kralingen-Crooswijk is in het licht van het voorgaande voorts genoegzaam aannemelijk gemaakt dat er voldoende dringende redenen zijn die in dit geval het volgen van de vrijstellings- en anticipatieprocedure rechtvaardigen.

Met betrekking tot de door verzoeker geuite vrees van aantasting van het groene karakter van de buurt en aantasting van zijn privacy, overweegt de president dat daarvan niet is gebleken. Weliswaar is ter zitting komen vast te staan dat een drietal bomen dient te worden gerooid om het bouwplan te realiseren, maar deze bomen bevinden zich niet tussen de woning van verzoeker en het bouwplan. Bovendien geldt terzake een herplantplicht. Voorts heeft vergunninghouder ter zitting aangegeven evenzeer gesteld te zijn op zijn privacy en geen inkijk richting het perceel van verzoeker te wensen. Om die reden zal vergunninghouder ervoor zorgdragen dat de strook tussen zijn woning en die van verzoeker “wintergroen" blijft.

Voor het gebruik maken van de vrijstellings- en anticipatieprocedure is voorts vereist dat, indien - zoals in het onderhavige geval - toepassing wordt gegeven aan artikel 50, vierde lid, (nieuw) van de Ww, het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met de in voorbereiding zijnde herziening daarvan (dan wel met het provinciaal en nationaal ruimtelijk beleid) Ook aan dat vereiste is in het onderhavige geval voldaan. Vaststaat immers dat het voorbereidingsbesluit juist is genomen om het bouwplan mogelijk te maken.

Op grond van het voorgaande is de president van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder na afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid tot het gebruik maken van de vrijstellings- en anticipatieprocedure heeft kunnen besluiten.

Nu vrijstelling is verleend van het geldende bestemmingsplan, doet zich ten aanzien van de aanvraag om een bouwvergunning de weigeringsgrond van artikel 44, aanhef en onder c, van de Ww niet voor. Ook overigens is niet gebleken van enige weigeringsgrond. Voorzover verzoeker heeft willen betogen dat het welstandsadvies onvoldoende is gemotiveerd, heeft verzoeker in het geheel niet aangegeven in welk(e) opzicht(en) dit advies tekort zou schieten, zodat de president aan dit bezwaar voorbijgaat. Van een onvoldoende zorgvuldige voorbereiding van de beslissing op de aanvraag om een bouwvergunning is voorts niet gebleken.

Hetgeen verzoeker verder nog heeft aangevoerd aan bezwaren van procedurele aard leidt evenmin tot het oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar naar verwachting niet in stand zal (kunnen) blijven. Wat er van de door verzoeker genoemde - en door verweerder grotendeels erkende - slordigheden ook zij, niet is gebleken dat verzoeker daardoor op enigerlei wijze in zijn belangen is geschaad.

Uit het voorgaande volgt dat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Voor de goede orde merkt de president nog op dat, nu op de aanvraag om een bouwvergunning het nieuwe recht van toepassing is, aan de onder verwijzing naar artikel 50, vijfde lid, (oud) van de Ww verleende verklaring van geen bezwaar geen betekenis toekomt.

Voor toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb en voor een veroordeling in de proceskosten ziet de president tenslotte geen aanleiding. Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De president, recht doende: wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. Th.G.M. Simons als president. De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. P. Hirschhorn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2000.

De griffier: De president:

Afschrift verzonden op: 29 december 2000