Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2000:AA9702

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
BOUW 00/1396 SCR BOUW 00/2117 SCR BOUW 00/2118 S
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In Tweede Wereldoorlog tot stand gekomen bezettingsregeling geldt als bestemmingsplan in de zin van de WRO.

Bouwvergunning en vrijstelling (binnenplans) voor oprichten van schoolgebouw voor basisonderwijs. Ter plaatse gelden als planologische regeling de door de burgemeester van Schiedam bij besluit van 8 augustus 1944 vastgestelde Bebouwingsvoorschriften voor de bebouwde kom (BBK). Volgens verweerder zijn de BBK vastgesteld op basis van art. 43 Woningwet 1901, hetgeen ingevolge art. 10.1 OWROV meebrengt dat zij geacht worden een bestemmingsplan te zijn in de zin van de WRO en dat zij het rechtsgevolg behouden dat zij bij de inwerkingtreding van de WRO hadden. Dit staat naar het oordeel van de rechtbank er niet aan in de weg dat, gelet op de specifieke wijze van totstandkoming in de bezettingsjaren van de Tweede Wereldoorlog, wordt beoordeeld of de BBK nog rechtsgeldig zijn en of alle bepalingen van de BBK voorschriften ex art. 43 Woningwet 1901 zijn.

Uit het Besluit bezettingsmaatregelen van 17 september 1944 en in het bijzonder art. 11 valt niet af te leiden dat bezettingsregelingen van lagere organen, behoudens intrekking, schorsing of vernietiging ex art. 12 van dit Besluit, voorlopig niet van kracht zijn gebleven.

Ook in wet- en regelgeving van na de Tweede Wereldoorlog is zulks niet zonder meer vastgelegd. Ook niet bij gelegenheid van vaststelling van de OWROV of nadien heeft de wetgever specifieke voorschriften gegeven ten aanzien van de (beëindiging van) gelding van door de burgemeester onder de vlag van de Achtste Verordening vastgestelde komvoorschriften als bedoeld in art. 43 Woningwet 1901.

Mitsdien moet het ervoor worden gehouden dat de BBK, voor zover deze voorschriften bevat ex art. 43 Woningwet 1901, ingevolge art. 10.1 OWROV sinds 1 augustus 1965 gelden als bestemmingsplan in de zin van de WRO.

Rechtens is er derhalve geen belemmering ingrijpende planologische beslissingen te nemen op basis van de BBK.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam, verweerder.

mrs. C.W.J. Schoor, J.D.G.J. Dop, A.P. Pereira Horta

Overgangswet ruimtelijke ordening en volkshuisvesting 10

Woningwet 1901 43

Achtste Verordening van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied betreffende bijzondere maatregelen op administratiefrechtelijk gebied van 12-08-1941

Besluit bezettingsmaatregelen van 17-09-1944 11, 12

Bebouwingsvoorschriften voor de bebouwde kom 25, 29, 30

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nrs: BOUW 00/1396 SCR

BOUW 00/2117 SCR

BOUW 00/2118 SCR

BOUW 00/2119 SCR

APV 00/1397 SCR

APV 00/1398 SCR

Uitspraak

in de gedingen tussen

de Bewonersvereniging Schiedam Zuid, gevestigd te Schiedam, eiseres Ia,

alsmede een aantal bewoners van de Nassaulaan, eisers Ib,

A, wonende aan de Warande […] te B, eiser II, C, wonende aan de Warande […] te B, eiser III en D, wonende aan de Nassaulaan […] te D, eiser IV, gemachtigde van alle eisers E,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam, verweerder.

Aan de gedingen hebben mede als partij deelgenomen:

Stichting Interconfessioneel en Katholiek Onderwijs voor primair onderwijs in Vlaardingen en Schiedam, gevestigd te Schiedam, (SIKO)

gemachtigde mr. Y.H. van Ballegooijen, advocaat te Rotterdam,

en

de gemeente Schiedam, Dienst Educatie, vergunninghoudster.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 20 mei 1999 heeft de directeur Dienst Educatie van de gemeente Schiedam een bouwvergunning aangevraagd voor het bouwen van een schoolgebouw voor basisonderwijs op een locatie aan de Schoolstraat/Warande/Nassaulaan met als adres Schoolstraat 8 te Schiedam.

Bij besluit van 24 november 1999 heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning afgegeven onder het verlenen van binnenplanse vrijstelling op grond van artikel 29, eerste, tweede en derde lid, alsmede artikel 30, vierde lid van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben eisers I bij brief van 23 december 1999 (ingekomen bij verweerder op 28 december 1999), de toenmalige gemachtigde van eiser II bij brief van 4 januari 2000 (ingekomen bij verweerder op 5 januari 2000), de toenmalige gemachtigde van eiser III bij brief van 5 januari 2000 (ingekomen bij verweerder op 6 januari 2000 en eiser IV bij brief van 7 december 1999 (ingekomen bij verweerder op 10 december 1999) bezwaar gemaakt.

Bij vier afzonderlijke besluiten van 23 mei 2000 (hierna: de besluiten I) heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Op 12 januari 2000 heeft de Dienst Educatie een snoeivergunning aangevraagd voor het snoeien van een plataan op de hoek van de Schoolstraat/Warande te Schiedam.

Bij besluit van 16 februari 2000 heeft verweerder de gevraagde snoeivergunning op grond van artikel 4.4.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) verleend.

Tegen dit besluit hebben eisers I bij brief van 18 februari 2000 (ingekomen bij verweerder op 21 februari 2000) en de toenmalige gemachtigde van eiser II bij brief van 17 februari 2000 (ingekomen bij verweerder op 21 februari 2000) bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 mei 2000 (hierna: besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eisers I en eiser II ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering van en het verbinden van voorschrift ten aan het primaire besluit.

Op 11 februari 2000 heeft de Dienst Educatie een kapvergunning aangevraagd voor het kappen van drie populieren - zonder herplantplicht - aan de Schoolstraat te Schiedam.

Bij besluit van 16 februari 2000 heeft verweerder de gevraagde kapvergunning op grond van artikel 4.4.2 van de APV verleend.

Tegen dit besluit hebben eisers I bij brief van 24 februari 2000 (ingekomen bij verweerder op 1 maart 2000) bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 mei 2000 (hierna: besluit III) heeft verweerder de bezwaren van eisers I ongegrond verklaard met toevoeging van voorschriften aan het primaire besluit.

Tegen de besluiten I, II en III heeft de gemachtigde van eisers bij brief van 3 juli 2000 (ingekomen bij de rechtbank op 3 juli 2000) beroep ingesteld.

Naar aanleiding van een door eisers I gedaan verzoek om een voorlopige voorziening te treffen heeft de president van de rechtbank te Rotterdam bij uitspraak van 30 maart 2000 de primaire besluiten met betrekking tot de bouw-, kap- en snoeivergunning geschorst.

De rechtbank heeft besloten het beroep met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) versneld te behandelen.

Verweerder heeft bij brieven van 18 augustus 2000 drie afzonderlijke verweerschriften ingediend.

SIKO heeft bij brief van 30 augustus 2000 een verweerschrift inzake de besluiten I, II en III ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft - gevoegd - plaatsgevonden op 7 september 2000. Aanwezig waren:

mr. C.J. Solstad, advocaat van eisers, E, gemachtigde van eisers, A, eiser II,

W.G. Popkes, juridisch medewerker bij de afdeling Bouw en woningtoezicht, gemachtigde van verweerder,

P. van de Berg, van de Dienst Educatie van de gemeente Schiedam, mr,. Y.H. van Ballegooijen, advocaat, gemachtigde van SIKO, bijgestaan door T.H. Riemersma, M.J. Elzendoorn en H.J.A. Rump van het SIKO en R.P.J. Meere, de architect van het bouwplan.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid van de beroepen van eiseres la en eisers Ib

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de beroepen van eiseres la overweegt de rechtbank dat zij met verweerder van oordeel is dat eiseres Ia, gelet op de in haar ten tijde van het instellen van bezwaar en, beroep geldende statuten gegeven doelomschrijving, geen -rechtstreeks belanghebbende is bij de besluiten inzake de voorgenomen bouw van een school op de hoek van de Schoolstraat/Warande/Nassaulaan, het snoeien van de plataan en het kappen van de populieren.

Verweerder heeft de afzonderlijke leden, alle woonachtig aan de Nassaulaan, namens wie de Bewonersvereniging Schiedam Zuid mede de bezwaarschriften heeft ingediend, wel als belanghebbenden aangemerkt.

Gelet op de situering van de woningen aan de Nassaulaan ten opzichte van de beoogde bouwlocatie zijn eisers Ib, als bewoners van de Nassaulaan, rechtstreeks belanghebbende bij de hier in geding zijnde bouw-, snoei- en kapvergunning.

Hoewel verweerder in het dictum van de betreffende bestreden besluiten niet een niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren van eiseres Ia heeft uitgesproken, is uit de overwegingen onmiskenbaar op te maken dat verweerder bedoeld heeft eiseres Ia zelf niet ontvankelijk te verklaren en dat hij er tevens van uit is gegaan dat eiseres Ia namens de evenbedoelde afzonderlijke leden bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank zal derhalve aan deze onzorgvuldige formulering ten aanzien van de ontvankelijkheid van de bezwaren van eiseres Ia en eisers Ib geen consequenties verbinden. De rechtbank leest derhalve de bestreden besluiten zo dat daarbij eiseres Ia niet-ontvankelijk is verklaard, dat eisers Ib namens wie eiseres Ia bezwaar heeft gemaakt wel ontvankelijk zijn en dat hun bezwaren ongegrond zijn verklaard.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de beroepen van eiseres la ongegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van de vraag of door alle eisers Ib voldaan is aan de in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb gestelde eis dat alvorens beroep in te stellen eerst bezwaar moet zijn gemaakt overweegt de rechtbank het volgende.

Terzake van de tegen de snoei- en kapvergunning ingediende bezwaarschrift ten heeft verweerder een op 11 april 2000 gedateerde machtiging overgelegd waarop namen en handtekeningen staan van een zestiental bewoners van de Nassaulaan.

Een dergelijke lijst met namen en handtekeningen van bewoners van de Nassaulaan waarmee eiseres Ia is gemachtigd om namens de ondertekenaars bezwaar te maken tegen de bouwvergunning heeft verweerder niet overgelegd. Op grond van het verslag van de hoorzitting van 14 februari 2000 die gehouden is in het kader van de inzake de bouwvergunning gevoerde bezwaarschriftenprocedures en het verhandelde ter zitting, moet het ervoor gehouden worden dat een dergelijke lijst wel is overgelegd.

De rechtbank acht het na vergelijking van de betreffende lijsten aannemelijk dat de namen op de lijst waarmee een aantal bewoners uit de Nassaulaan eiseres Ia heeft gemachtigd om de beroepen in te stellen grotendeels overeenkomen met de namen op de lijsten waarmee eiseres Ia is gemachtigd om bezwaar te maken tegen de bouw-, snoei- en kapvergunning. Degenen die voorkomen op de lijst waarmee eiseres Ia is gemachtigd om de beroepen in te stellen en die tevens bezwaar hebben gemaakt, hebben voldaan aan de in artikel 7: 1, eerste lid, - van de Awb gestelde eis en zijn derhalve ontvankelijk in hun beroepen. Nu er een groot aantal ontvankelijke eisers Ib is, zal de rechtbank, ondanks hetgeen is voorgeschreven in artikel 6:13 van de Awb, uit proceseconomische overwegingen onderzoek naar de ontvankelijkheid van het beroep van ieder van hen afzonderlijk in verband met het niet gemaakt hebben van bezwaar achterwege laten.

De ontvankelijkheid van de beroepen van eisers II en III

Eisers II en III zijn woonachtig aan de Warande. Gelet op de situering van hun woningen ten opzichte van de bouwlocatie zijn zij als rechtstreeks belanghebbenden bij de in geding zijnde besluiten aan te merken.

De gemachtigde van eisers heeft mede namens eisers II en III beroep ingesteld tegen de besluiten inzake de bouw-, kap- en snoeivergunning. Zij heeft daarvoor een correcte machtiging van de eisers II en III overgelegd.

Om dezelfde reden waarom de rechtbank een onderzoek naar de ontvankelijkheid van het beroep van ieder van eisers Ib achterwege laat, ziet zij daarvan af wat betreft de ontvankelijkheid van de beroepen van eisers II en III tegen de bestreden besluiten.

De ontvankelijkheid van de beroepen van eiser IV

Inzake het namens eiser IV ingestelde beroep is geen machtiging overgelegd. Wegens het ontbreken hiervan moet geconcludeerd worden dat eiser IV geen beroep heeft ingesteld. Voor zover dit beroep ingesteld geacht moet worden door E zelf, ontbreekt het haar aan een rechtstreeks bij de bestreden besluiten betrokken belang.

De toepasselijkheid van artikel 8:26 van de Awb op SIKO

Gelet op hetgeen namens het SIKO daartoe in haar brief van 25 augustus 2000 is gesteld omtrent de mede uit artikel 103 van de Wet op het primair onderwijs voortvloeiende rechtsbetrekking tussen haar en de gemeente, is het belang van SIKO rechtstreeks betrokken bij de bestreden besluiten, zodat zij op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb terecht in de gelegenheid is gesteld om als partij aan de onderhavige gedingen deel te nemen.

Het materiële geschil

Ten aanzien van de materiële punten van geschil behandelt de rechtbank achtereenvolgens de beroepen inzake de bouwvergunning en de beroepen inzake de snoei- en kapvergunning.

De bouwvergunning

Uit het bij de op 3 april 2000 in werking getreden wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) gegeven overgangsrecht vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat dit geschil dient te worden beoordeeld aan de hand van - mede - de bepalingen van de WRO zoals deze op het tijdstip van indiening van de bouwvergunningaanvraag golden.

Blijkens de stukken is het bouwplan gesitueerd op gronden die volgens de Bebouwingsvoorschriften voor de bebouwde kom (BBK) de bestemmingen "bijzondere gebouwen" en "voortuinen" hebben. Het bouwplan overschrijdt op enkele plaatsen de bestemming "voortuinen". Blijkens artikel 25 van de BBK mag op gronden met deze bestemming niet worden gebouwd, zodat het bouwplan in strijd is met de BBK. Ter opheffing van deze strijdigheid heeft verweerder gebruik gemaakt van de in artikel 29, eerste, tweede en derde lid, alsmede artikel 30, vierde lid, van de BBK vervatte bevoegdheden. Deze bevoegdheden zien volgens verweerder naar huidig recht op de toepassing van de zogenaamde binnenplanse vrijstelling op grond van artikel 15 van de WRO.

Artikel 29 van de BBK, voorzover hier van belang, luidt als volgt:

“1. De Burgemeester is bevoegd nabij hoeken van bouwblokken het beloop van de grenzen der op de kaarten aangegeven bouwstroken te wijzigen, indien dit voor een rationele bebouwing van bestaande percelen wenselijk is.

2. De Burgemeester is bevoegd om toe te staan, dat de op de kaarten aangegeven grenzen der bouwstroken plaatselijk over een afstand van ten hoogste 2 m loodrecht op de weglijn gemeten, worden verplaatst.

3. De Burgemeester is bevoegd om enig onderdeel van de grens of de richting, van een straat nader vast te stellen. en dienovereenkomstig de vorm van een bouwblok, en voor zover nodig, de grenzen, de afmetingen en de plaats van een bouwstrook te wijzigen, wanneer bij definitieve uitmeting ter plaatse blijkt, dat enige afwijking voor aanpassing aan de bestaande toestand noodzakelijk is of wanneer voor de uitvoering van een ontworpen bouwplan zodanige wijziging in het belang van een behoorlijke bebouwing blijkt te zijn."

Artikel 30, vierde lid, van de BBK, voorzover hier van belang luidt als volgt:

4. Voor een gebouw, dat niet geheel of, gedeeltelijk tot woning(en) is ingericht, kan door de Burgemeester vrijstelling worden verleend van het bepaalde omtrent de diepte van de bouwstrook, indien daardoor de toetreding van licht en lucht tot de aangrenzende gebouwen niet wordt belemmerd.

op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn van de bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

Volgens artikel 11, eerste lid, van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen.

Ten aanzien van gronden die zijn ingebracht tegen de besluiten I, waarbij de beroepen tegen de bouwvergunning ongegrond zijn verklaard, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat de BBK vastgesteld is door de burgemeester van de gemeente Schiedam bij besluit van 8 augustus 1944. Volgens verweerder is de BBK vastgesteld op basis van artikel 43 van de Woningwet 1901, hetgeen ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Overgangswet ruimtelijke ordening en volkshuisvesting (OWROV) meebrengt dat zij geacht wordt een bestemmingsplan te zijn in de zin van de WRO en dat zij het rechtsgevolg behoudt dat zij bij de inwerkingtreding van de WRO had. Dit staat naar het oordeel van de rechtbank er niet aan in de weg dat wordt beoordeeld of de BBK, gelet op de specifieke wijze van totstandkoming in de bezettingsjaren van de Tweede Wereldoorlog, nog rechtsgeldig is en of alle bepalingen van de BBK voorschriften als bedoeld in artikel 43 van de Woningwet 1901 zijn.

Met betrekking tot de vraag of de BBK in dit geval thans als een rechtsgeldig bestemmingsplan kan gelden omdat zij tot stand is gekomen onder de werking van de Achtste verordening van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied betreffende bijzondere maatregelen op administratiefrechtelijk gebied van 12 augustus 1941, merkt de rechtbank op dat uit het Besluit bezettingsmaatregelen van 17 september 1944 en in het bijzonder artikel 11 niet valt af te leiden dat bezettingsregelingen van lagere organen, behoudens intrekking, schorsing of vernietiging ingevolge artikel 12~van dit Besluit, voorlopig niet van kracht zijn gebleven. ook in wet- en regelgeving terzake na de Tweede Wereldoorlog is zulks niet zonder meer vastgelegd ten aanzien van bezettingsbeslissingen als planologische maatregelen van provinciale en gemeentelijke bestuursorganen krachtens de Woningwet 1901. Zulks is van de zijde van eisers ter zitting in feite ook niet betoogd. De omstandigheid dat uit de parlementaire geschiedenis van die wet- en regelgeving wellicht de bedoeling van de Tweede Kamer zou kunnen worden afgeleid dat bedoelde regelingen en/of beslissingen zo spoedig mogelijk uit de Nederlandse rechtsorde zouden verdwijnen, maakt dit niet anders, zolang zulks niet uitdrukkelijk in wetgeving is vastgelegd. In elk geval heeft de wetgever ook niet bij gelegenheid van vaststelling van de OWROV of nadien specifieke voorschriften gegeven ten aanzien van de (beëindiging van) gelding van door de burgemeester onder de vlag van de hiervoor genoemde Achtste Verordening van de Rijkscommissaris vastgestelde komvoorschriften als bedoeld in artikel 43 van de Woningwet 1901.

Gelet op al het vorenstaande moet het er voor worden gehouden dat de BBK, voorzover deze voorschriften als bedoeld in artikel 43 van de Woningwet 1901 bevat, ingevolge artikel 10, eerste lid, van de OWROV sinds 1 augustus 1965 als bestemmingsplan in de zin van de WRO geldt.

De rechtbank is, anders dan eisers, voorts van oordeel dat, hoewel het - vanuit bestuurlijk oogpunt bezien - de voorkeur verdient dat ingrijpende planologische beslissingen tot stand komen op basis van actuele bestemmingsplannen, er rechtens geen belemmering is zodanige beslissingen te nemen op basis van een planologische regeling als bijvoorbeeld de BBK, ook al is deze, zoals van de zijde van verweerder op zichzelf ook is erkend, niet in alle opzichten meer actueel. Daartoe merkt de rechtbank op dat volgens artikel jo, derde lid, van de OWROV gemeenteraden weliswaar de in het eerste lid bedoelde maatregelen, zoals in dit geval de BBK, binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet met de WRO in overeenstemming brengen, doch deze termijn is geen fatale termijn en doet derhalve na afloop de gelding van deze maatregelen ingevolge artikel 10, eerste lid, van de OWROV niet vervallen. Wat betreft het karakter van de termijn geldt hetzelfde voor de in artikel 33, eerste lid, van de WRO neergelegde verplichting een bestemmingsplan - behoudens door gedeputeerde staten voor ten hoogste tien jaren verleende vrijstelling - ten minste eenmaal in de tien jaren te herzien.

Eisers hebben voorts betoogd dat de door verweerder op grond van artikel 29, eerste, tweede en derde lid, alsmede artikel 30, vierde lid, van de BBK toegepaste bevoegdheden zich niet verdragen met de systematiek van de regeling van het beloop van voor- en achtergevelrooilijnen in de Woningwet 1901. Zij hebben er daartoe op gewezen dat volgens artikel 2, eerste lid, van die wet de gemeenteraad ten aanzien van woningen en andere gebouwen ter bepaling van de voor- en achtergevelrooilijn voorschriften vaststelt, hetgeen is geschied bij de op 27 oktober - 1950 vastgestelde Bouwverordening, welke overigens - voor zover in dit geding van belang - overeenstemt met de door de burgemeester in 1944 vastgestelde bouwverordening. Voorts hebben eisers gewezen op artikel 2, tweede lid, van de Woningwet 1901, waarin is geregeld dat bij afzonderlijk besluit van de gemeenteraad ter uitvoering of aanvulling of in afwijking van de evenbedoelde voorschriften ook bijzondere voorschriften kunnen worden vastgesteld, en op de bijzondere procedure ter vaststelling van zodanig besluit, welke is vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Woningwet 1901.

De rechtbank kan eisers niet volgen in hun betoog. Weliswaar ontbreekt in de Woningwet 1901 een conflictenregeling, zoals is vervat in artikel 9, eerste lid, van de thans geldende Woningwet en welke inhoudt dat voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het bestemmingsplan de eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing blijven. Er kan echter niet aan worden voorbijgezien dat in artikel 11 van de evenbedoelde Bouwverordening, waarin is geregeld welke voorschriften gelden ten aanzien van de voorgevelrooilijnen, tevens het volgende is vastgelegd: “... onverminderd hetgeen ten aanzien van voorgevelrooilijnen voortvloeit uit voorschriften als bedoeld in artikel 43 dier wet ...” De rechtbank merkt hierbij op dat met de woorden "dier wet" onmiskenbaar is bedoeld de Woningwet 1901.

Artikel 12 van de Bouwverordening, dat ziet op achtergevelrooilijnen, bevat een vergelijkbaar voorbehoud. Deze artikelen bevatten derhalve zelf, zij het in geheel andere bewoordingen dan de conflictenregeling in de huidige Woningwet, een wat betreft resultaat hiermee op een lijn te stellen regeling.

Niet valt in te zien dat deze in de artikelen 11 en 12 van de Bouwverordening neergelegde voorbehouden in strijd zouden zijn met het systeem van de Woningwet 1901, hetgeen eisers overigens niet nader onderbouwd hebben betoogd. Een en ander wordt nog onderstreept door artikel 6 van die Bouw-verordening dat aangeeft dat de bepalingen van deze verordening niet van toepassing zijn voorzover daarvan wordt afgeweken in onder andere voorschriften als bedoeld in artikel 43 van de Woningwet 1901.

Voorts volgt de rechtbank niet de stelling van eisers dat voorschriften ingevolge artikel 43 van de Woningwet 1901 geen afwijkende bepalingen omtrent de ligging van voor- en achtergevelrooilijnen zouden mogen bevatten, omdat dergelijke voorschriften uitsluitend op basis van artikel 2, tweede lid, van die wet kunnen worden gegeven. De redactie van laatstgenoemd artikellid wijst op een territoriaal gezien beperkt toepassingsbereik, terwijl artikel 43 van de Woningwet 1901 het mogelijk maakte voor de gehele bebouwde kom voorschriften vast te stellen. Overigens gelden op grond van artikel 10, eerste lid, van de OWROV ook voorschriften als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Woningwet als bestemmingsplan.

De rechtbank is al met al van oordeel dat de BBK in haar geheel het ter plaatse geldende bestemmingsplan is. Uit artikel 10, eerste lid, van de OWROV vloeit naar het oordeel van de rechtbank onder andere voort dat moet worden bezien of de in de artikel 29, eerste, tweede en derde lid, alsmede artikel 30, vierde lid, van de BBK gegeven bevoegdheden alle naar huidig recht kunnen worden beschouwd als bevoegdheden tot verlening van een zogenaamde binnenplanse vrijstelling op de voet van artikel 15 van de WRO.

In de jurisprudentie (onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 juni 1994, AB 1994,948) is ten aanzien van artikel 15, eerste lid, aanhef en a, van de WRO overwogen dat blijkens de wetsgeschiedenis met dit artikel wordt beoogd burgemeester en wethouders de bevoegdheid te geven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Uit deze bepaling vloeit, aldus deze jurisprudentie, voort dat de in een bestemmingsplan vervatte vrijstellingsregeling er slechts toe kan strekken dat vrijstelling kan worden verleend van de planvoorschriften en niet van de op de plankaart aangegeven bestemmingen. Een vrijstellingsregeling mag evenmin tot effect hebben dat de bestemming van de grond wordt gewijzigd. Voor het wijzigen van de bestemming op ondergeschikte onderdelen is toepassing van een wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 van de WRO het geëigende instrumentarium. Voorts geldt in de jurisprudentie ten aanzien van zowel artikel 15 als artikel 11 van de WRO dat de bevoegdheid van deze artikelen aan objectieve begrenzingen gebonden moet zijn.

Zoals hiervoor reeds is overwogen brengt het bouwplan mede dat ook, zij het op beperkte schaal, in de bestemming "voortuinen" zal worden gebouwd. Vaststaat dat deze bestemming bebouwing niet toelaat. Met het oog hierop heeft verweerder met toepassing van de evengenoemde planvoorschriften voor het bouwplan de zogenaamde binnenplanse vrijstellingen verleend.

Gelet op de inhoud van artikel 29, eerste, tweede en derde lid, alsmede artikel 30, vierde lid, en in aanmerking genomen evengenoemde jurisprudentie was verweerder hiertoe in dit geval niet bevoegd. De hierbedoelde drie bevoegdheden van artikel 29 strekken, mede gelet op de omschrijving van het begrip bouwstrook in artikel 1, onder g, van de BBK mede tot wijziging van de in de BBK aan de grond gegeven bestemming. Ten aanzien van de bestemming "voortuinen" heeft de toepassing van deze drie bevoegdheden voor het in geding zijnde bouwplan ook feitelijk een zodanige werking. Voor een beperkte bestemmingswijziging als hier aan de orde is de procedure tot wijziging van de bestemming op de voet van artikel 11, eerste lid, van de WRO het aangewezen kader. Hetzelfde geldt overigens ook voor de vrijstelling van artikel 30, vierde lid, van de BBK. In beginsel is deze vrijstelling immers niet begrensd door de grenzen van de bestemming.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de bestreden besluiten I, nu daarbij bouwvergunning is gehandhaafd met toepassing van de in artikelen 29, eerste, tweede en derde lid, alsmede artikel 30, vierde lid, van de BBK vervatte bevoegdheden, wegens strijd met de artikelen 11 en 15 van de WRO voor vernietiging in aanmerking komen.

Verweerder zal derhalve nieuwe besluiten op de bezwaren van eisers dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

In dit verband merkt de rechtbank nog op dat zij niet uitsluit dat, indien verweerder bij het opnieuw voorzien in deze zaak met toepassing van de hierbedoelde artikelonderdelen van de BBK besluit tot wijziging van de BBK met toepassing van artikel 11 van de WRO, alsdan geoordeeld zou moeten worden dat in elk geval artikel 29, eerste en derde lid, niet voldoen aan artikel 11 van de WRO. De in deze leden gegeven kwalitatief omschreven begrenzing van de wijzigingsbevoegdheid voldoet immers niet aan de jurisprudentiële eis van een voldoende objectieve begrenzing daarvan.

Ten aanzien van de welstand overweegt de rechtbank ten overvloede het volgende.

Eisers hebben hun standpunt dat het bouwplan niet voldoet aan in redelijkheid daaraan te stellen eisen van welstand niet nader onderbouwd met een deskundigenadvies. Naar vaste jurisprudentie dient de advisering van de onafhankelijke en deskundige welstandscommissie gezien te worden als een waarborg voor een verantwoorde en - binnen zekere grenzen - geobjectiveerde beoordeling van de welstandsaspecten. Hoewel burgemeester en wethouders niet aan het advies van de commissie gebonden zijn en zij voor de beslissing verantwoordelijk zijn, mogen zij aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het volgen van het advies behoeft in de regel bovendien geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of, in voorkomende gevallen, een derde belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders, indien het advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat burgemeester en wethouders het niet - of niet zonder meer aan hun oordeel ten grondslag hadden mogen leggen. Nu eisers tegenover het advies van de Welstandscommissie uitsluitend hun eigen opvattingen hebben geplaatst en geen tegenadvies van een deskundige hebben overgelegd ter bestrijding van het advies van de Welstandscommissie en vooralsnog niet is gebleken dat dit advies op onjuiste wijze tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins gebreken kleven, mocht verweerder daarop afgaan. Wat dit laatste betreft wijst de rechtbank er nog op dat in het verweerschrift op bladzijde 13 en 14 is aangegeven dat eisers geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid zich over de bouwplannen te laten horen in de openbare vergadering van de Welstandscommissie van 12 juli 1999.

De snoei- en kapvergunning

Vernietiging van de in bezwaar genomen besluiten inzake de bouwvergunning zou mee kunnen brengen dat het belang aan de verleende snoei- en kapvergunning is komen te ontvallen. De rechtbank sluit echter niet uit dat verweerder bij de door hem opnieuw te nemen besluiten op bezwaar inzake de bouwvergunning de onjuist gebleken verlening van de binnenplanse vrijstelling zal kunnen herstellen en de bouwvergunning in stand zal kunnen laten. Hiervan uitgaande overweegt de rechtbank ten aanzien van de beroepen tegen de op bezwaar genomen besluiten inzake de snoei-en kapvergunning het volgende.

In artikel 4.4.2, eerste lid, van de APV is bepaald dat het is verboden om zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen anders dan bij wijze van dunning. Volgens artikel 4.4.1, tweede lid, wordt voor de toepassing van deze paragraaf onder vellen mede verstaan rooien, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben. In artikel 4.4.4 van de APV is bepaald dat burgemeester en wethouders de vergunning kunnen weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van de handhaving van het natuur-, landschaps- of stadsschoon of om andere redenen van milieubeheer.

Uit deze bepalingen volgt dat de beslissing op een verzoek om vergunning als bedoeld in artikel 4.4.2 van de APV berust op een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Dit houdt in dat verweerder binnen het kader van de bij de wet getroffen regeling een bepaalde beleidsvrijheid terzake is gelaten. De gebruikmaking van verweerders bevoegdheid dient door de rechtbank terughoudend getoetst te worden.

Het is de rechtbank gebleken dat verweerder naar aanleiding van het primaire besluit met betrekking tot de snoeivergunning -waartegen de ' inhoudelijke bezwaren van eisers met name zijn gericht - aan Copijn Utrecht B.V. advies heeft gevraagd. Uit dit advies van februari 2000 komt niet naar voren dat het voorgenomen snoeien onaanvaardbare en onherstelbare gevolgen voor de betreffende plataan zal hebben.

Ook overigens is niet gebleken dat de kap- en snoeivergunning op zich niet zouden kunnen worden verleend. verweerders besluiten waarbij de bezwaren tegen deze vergunningen ongegrond zijn verklaard doorstaan in zoverre dan ook de evenbedoelde toetsing.

Deze besluiten komen niettemin wegens strijd met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel voor vernietiging in aanmerking.

Verweerder heeft in die besluiten ook tot uitdrukking gebracht dat de primaire besluiten worden aangevuld met onder andere de voorschriften zoals deze zijn verwoord in de betreffende adviezen van Kamer II uit de Bezwaar- en Beroepschriftencommissie. Daarin is onder meer aangegeven dat ter zake van de kap- en snoeivergunning gemaakte afspraken als voorschriften aan de vergunningen dienen te worden verbonden. Ter zitting is gebleken dat het hierbij gaat om de in een bijlage bij het advies van Copijn Utrecht B.V. geformuleerde boombeschermingsmaatregelen tijdens de bouw en de op 4 oktober 1999 door de secretaris van het SIKO en de directeur van de Sint Jozef school gemaakte afspraken inzake instandhouding van bomen ter plaatse.

Indien verweerder van mening is dat bedoelde maatregelen en afspraken als voorschriften aan de in geding zijnde vergunningen dient te worden verbonden, dient hij uit een oogpunt van zorgvuldigheid en rechtszekerheid en in het licht van het bepaalde in artikel 4.4.4 van de APV nauwkeurig aan te geven welke van deze maatregelen en afspraken op welke wijze in de bestreden besluiten moeten worden opgenomen en kan hij niet volstaan met besluitvorming ter zake als hiervoor is aangegeven.

Zoals in rubriek 1 van deze uitspraak is vermeld, heeft de president van deze rechtbank de primaire besluiten met betrekking tot de bouw-, snoei- en kapvergunning geschorst zonder bepaling van het tijdstip waarop deze voorlopige voorziening vervalt. Volgens artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb vervalt de voorlopige voorziening in ieder geval zodra de rechtbank uitspraak heeft gedaan, tenzij bij de uitspraak een later tijdstip is bepaald. De bevoegdheid tot bepaling van een later tijdstip vindt de rechtbank in artikel 8:72, zesde lid, van de Awb.

In verband met de aan haar uitspraak op de beroepen tegen de bestreden besluiten ten grondslag gelegde overwegingen acht de rechtbank het aangewezen om met toepassing van laatstgenoemd artikellid te bepalen dat schorsing van de primaire besluiten van 24 november 1999, 19 januari 2000 en 16 februari 2000 met betrekking tot onderscheidenlijk de bouw-, snoei- en kapvergunning doorloopt tot zes weken na de verzending van de door verweerder opnieuw te nemen besluiten op de bezwaren van eisers.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen tot aan deze uitspraak redelijkerwijs hebben moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op f 2.130,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank merkt daarbij op dat, gelet op artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, niet meer dan drie afzonderlijke categorieën samenhangende zaken zijn te onderscheiden en dat per zaak 1 punt wordt toegekend voor het bijwonen van de zitting door een advocaat. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart de beroepen van eiseres Ia ongegrond,

verklaart het beroep van eiseres Ia, voorzover zij optreedt voor eiser IV, niet ontvankelijk, verklaart de overige beroepen gegrond, vernietigt de bestreden besluiten,

bepaalt dat de door de president bij zijn uitspraak van 30 maart 2000 getroffen voorlopige voorziening, inhoudende de schorsing van de besluiten van verweerder van 24 november 1999, 19 januari 2000 en 16 februari 2000, zes weken na de verzending van de door. verweerder opnieuw te nemen besluiten op de bezwaren van eisers vervalt,

bepaalt dat de gemeente Schiedam aan eisers Ib het door hun betaalde griffierecht van f 1.350,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van f 2.130,- - en wijst de gemeente Schiedam aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eisers Ib moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.J. Schoor, als voorzitter en mr. J.D.G.J. Dop en mr. A.P. Pereira Horta als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. van Zantvoort als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2000.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op: 17 oktober 2000

Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.