Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2000:AA8713

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AKW 98/2168-LAME
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr: AKW 98/2168-LAME

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. P.G.M. Lodder, advocaat te Utrecht,

en

de Sociale Verzekeringsbank, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 16 maart 1998 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij met ingang van het derde kwartaal 1992 geen recht op kinderbijslag heeft ten behoeve van de kinderen [kind 1], [kind 2] en [kind 3]. Verweerder heeft hierbij tevens medegedeeld dat de onverschuldigd betaalde kinderbijslag over het derde kwartaal 1992 tot en met het tweede kwartaal 1997 ad f 74.862,- wordt teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft eisers gemachtigde bij brief van 31 maart 1998 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 25 september 1998 (kenmerk 464.138.612) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eisers gemachtigde bij brief van 5 november 1998, aangevuld bij brief van 16 december 1998, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 20 april 1999 een verweerschrift ingediend.

De rechtercommisaris heeft op 5 november 1999 bij beslissing ex artikel 8:29 derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bepaald dat kennisneming van het door verweerder overgelegde vertrouwensrapport met bijlagen niet wordt toegestaan.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaats gevonden op 19 januari 2000. Gemachtigde van eiser heeft de rechtbank ter zitting toestemming gegeven mede op basis van de niet overgelegde stukken uitspraak te doen.

De rechtbank heeft aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en te verwijzen naar een meervoudige kamer.

Ter zitting van de meervoudige kamer van 6 april 2000 is het geding vervolgens opnieuw behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P. van Bommel.

2. Overwegingen

De rechtbank zal het gedeelte van het bestreden besluit, waarin is vermeld dat het niet mogelijk is om bezwaar aan te tekenen tegen een invorderingsvoorstel, op verzoek van verweerder lezen als een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift.

In dit geding dient de rechtbank vervolgens de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Verweerder heeft eiser op 1 februari 1994 verzocht gelegaliseerde akten over te leggen met betrekking tot zijn huwelijk met [echtgenote], en met betrekking tot de geboortes van de kinderen [kind 1] (geboren op [datum] 1979), [kind 2] (geboren op [daum]1980) en [kind 3] (geboren op [datum] 1982). Ten tijde van dit verzoek verbleven de kinderen in Pakistan.

Bij besluit van 28 oktober 1997 heeft verweerder het recht op kinderbijslag voor de drie genoemde kinderen met ingang van het derde kwartaal 1997 geschorst. Op basis van de door eiser verstrekte documenten en ontstane twijfels over de reeds voorhanden gegevens heeft verweerder nader onderzoek laten verrichten door een bij H.M. Ambassade te Islamabad geaccrediteerde Pakistaanse advocaat. Het rapport van deze zogenaamde vertrouwensadvocaat heeft verweerder ernstig doen twijfelen aan de rechtmatigheid van de uitgekeerde dan wel uit te keren kinderbijslag zodat een nader onderzoek noodzakelijk werd geacht. Hangende dit onderzoek is de kinderbijslag voor genoemde kinderen niet uitbetaald. Verweerder heeft eiser erop attent gemaakt dat ook de rechtmatigheid van de voor 1 juli 1997 uitbetaalde kinderbijslag onderzocht zal worden.

Bij besluit van 16 maart 1998 heeft verweerder het recht op kinderbijslag ten behoeve van de drie kinderen geweigerd met ingang van het derde kwartaal 1992 tot en met het tweede kwartaal van 1997 en tevens de onverschuldigd betaalde kinderbijslag ad f 74.862,- teruggevorderd.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 16 maart 1998 ongegrond verklaard. Verweerder heeft hierbij overwogen dat ter verificatie van door eiser overgelegde gegevens drie onderzoeken in Pakistan zijn verricht.

Uit de eerste onderzoeken is naar voren gekomen dat de overgelegde geboorte-akten op fraude berusten, maar wel zijn bijgeschreven in het Union Council register. Uit het derde onderzoek is gebleken dat eiser inderdaad is gehuwd met [echtgenote] en dat uit dit huwelijk zes kinderen zijn geboren. De eerdergenoemde kinderen [kind 1], [kind 2] en [kind 3] zijn echter geen kinderen van eiser of zijn echtgenote. Verweerder heeft overwogen geen aanleiding te zien om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen uit het onderzoek van de vertrouwensadvocaat naar voren is gekomen. De door eiser aangevoerde argumenten doen geen afbreuk aan de resultaten van de verrichte onderzoeken. Op grond van de voorliggende gegevens heeft verweerder met ingang van het derde kwartaal 1992 kinderbijslag geweigerd ten behoeve van [kind 1], [kind 2] en [kind 3], zodat over het derde kwartaal 1992 tot en met het tweede kwartaal 1997 een bedrag van f 74.862,- onverschuldigd aan kinderbijslag is betaald welk bedrag van eiser wordt teruggevorderd.

In beroep heeft eiser doen aanvoeren dat de kinderen [kind 1], [kind 2] en [kind 3] wel degelijk zijn eigen kinderen zijn. Niet duidelijk is waarop de conclusie is gebaseerd dat de akten valselijk zijn opgemaakt en om welke akten het gaat. Niet valt na te gaan of de verrichte onderzoeken zorgvuldig zijn geschied en wie de vertrouwensadvocaat die de rapporten opmaakt controleert. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende rapporten niet worden overgelegd. Op grond van de beschikbare gegevens is het niet mogelijk tegen het bestreden besluit verweer te voeren. Eiser wenst de personen die door de vertrouwensadvocaat zijn ondervraagd te horen. Per geval zou naar de mening van eiser bekeken moeten worden of de stukken aan een betrokkene dienen te worden onthouden. Eiser betwist dat er gegevens in het dossier aanwezig zijn die van dien aard zijn dat zij voor hem niet ter inzage mogen zijn. Eiser heeft tenslotte aangevoerd dat door de toepassing van artikel 8:29 van de Awb artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) is geschonden.

De rechtbank overweegt eerst het volgende ten aanzien van eisers grief dat het niet verstrekken van de volledige inhoud van de rapportages in strijd is met het bepaalde in artikel 6 van het EVRM.

Verweerder heeft terzake gesteld dat - verkort weergegeven - artikel 6 van het EVRM toepassing mist omdat kinderbijslag slechts is te beschouwen als een tegemoetkoming in de kosten van levensonderhoud zodat het weigeren van kinderbijslag het bestaansnivo dan wel het bestaansminimum niet raakt.

De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. De desbetreffende opvatting die verweerder doet steunen op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) inzake Schuler-Zgraggen (RSV 1994/69), valt immers niet te rijmen met de in dezelfde uitspraak voorkomende zinsnede waarin het Hof vooropstelt dat de rechtsontwikkeling na eerdere uitspraken van het Hof inzake o.a. Feldbrugge (RSV 1987/23) en Deumeland deze is dat "the general rule is that Article 6 § 1 does apply in the field of social insurance, including even welfare assistance". Weliswaar wordt vervolgens als een van de aspecten die tot toepasselijkheid van artikel 6 van het EVRM leiden genoemd dat Schuler "suffered an interference with her means of subsistence", maar het Hof laat daarop direct volgen: "she was claiming an individual, economic right". Vrijwel dezelfde koppeling tussen de twee hier genoemde aspecten is te vinden in r.o.37 van de uitspraak inzake Feldbrugge. Opmerking verdient dat de in laatstbedoelde uitspraak nog wel voorkomende overweging omtrent de vergelijkbaarheid (van hetgeen in die zaak aan de orde was) met de particuliere verzekering, in de uitspraak inzake Schuler ontbreekt.

De rechtbank kan in de hier genoemde uitspraken derhalve geen expliciete beperking lezen als door verweerder bepleit. De opvatting van verweerder zou overigens - nu het weigeren van kinderbijslag voor veel personen wel het bestaansnivo direct raakt -betekenen dat steeds per geval zou moeten worden bezien of artikel 6 van het EVRM van toepassing is.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank, in elk geval voor de beantwoording van de hierna volgende vraag met betrekking tot artikel 8:29 van de Awb, minimaal veronderstellenderwijs zal uitgaan van de toepasselijkheid van artikel 6 van het EVRM.

De rechtbank acht de toepassing van artikel 8:29 van de Awb niet in strijd is met artikel 6 van het EVRM. In dit verband overweegt de rechtbank dat de in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde beginselen van behoorlijke rechtspleging in het Nederlandse recht zijn geïncorporeerd. Tot deze beginselen behoort evenzeer het door verweerder ingeroepen belang van privacybescherming en de daarmee samenhangende bronbescherming. Niet kan worden gezegd dat aan deze door artikel 8 van het EVRM beschermde rechten op zich een geringer gewicht toekomt dan aan de rechten die artikel 6 van het EVRM beoogt te beschermen. Waar zich een botsing tussen de bedoelde rechten voordoet is het de taak van de rechter deze zoveel mogelijk in evenwicht te brengen (zie o.a. CRvB 15 februari 1995, RSV Actueel maart 1995, nr. 3). Een dergelijk evenwicht is ook gepoogd op te nemen in artikel 8:29 van de Awb, nu de verwerende partij de mogelijkheid toekomt om een beroep te doen op het eerste lid van dit artikel en de wederpartij de mogelijkheid heeft om de in het vijfde lid bedoelde toestemming te weigeren.

De rechtbank ziet in het voorgaande voldoende reden om artikel 8:29 van de Awb niet wegens strijdigheid met artikel 6 van het EVRM buiten toepassing te laten

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

Ingevolge artikel 7 van de AKW heeft de verzekerde overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor een eigen kind, een aangehuwd kind en een pleegkind dat jonger is dan 18 jaar en door hem in belangrijke mate wordt onderhouden.

Voor de uitvoering van de AKW is essentieel dat de belanghebbende verzekerde, desverlangd, betrouwbare en valide documenten verstrekt terzake van het bestaan en de afstamming van de kinderen voor wie hij aanspraak maakt op kinderbijslag. In het onderhavige geval heeft eiser op een daartoe strekkend verzoek documenten overgelegd - en deze doen legaliseren - teneinde aan te tonen dat de kinderen [kind 1], [kind 2] en [kind 3] die in Pakistan zijn geboren, de kinderen zijn van hem en [echtgenote] met wie hij in 1978 in Engeland in het huwelijk is getreden. De door eiser overgelegde geboorte-akten van eerder genoemde kinderen zijn echter blijkens de rapportages van de onderzoeken ter plaatse, waarvan door verweerder een korte samenvatting aan gemachtigde is overgelegd, inhoudelijk niet juist en de identiteit van deze kinderen is niet te achterhalen.

De rechtbank ziet geen aanleiding een ander standpunt dan verweerder in te nemen. In dit verband acht de rechtbank van belang dat eiser heeft aangegeven dat de late registratie van de kinderen, in november 1991, te wijten was aan de plaatselijke Chowkidar, die de geboorten van de kinderen niet had doorgegeven aan de Union Council. Deze werkwijze is echter al geruime tijd afgeschaft zodat eisers verklaring niet aannemelijk voorkomt. Daar komt nog bij dat de onderzoeken in het dorp dat eiser als zijn adres in Pakistan heeft opgegeven, niet hebben geleid tot de conclusie dat [kind 1], [kind 2] en [kind 3] kinderen van eiser zijn, doch veeleer aanwijzigingen geven dat het kinderen zijn van anderen.

Met betrekking tot eisers grief dat niet is na te gaan op welke wijze en hoe zorgvuldig de rapportages van de vertrouwensadvocaat zijn opgemaakt merkt de rechtbank dat drie rapportages zijn opgemaakt en dat in het laatste rapport de resultaten van het tweede rapport nogmaals worden bevestigd. Dat de werkwijze niet geheel duidelijk is vermag de rechtbank niet in te zien nu aan eiser gedurende de bezwaarprocedure een samenvatting is verstrekt waaruit kan worden opgemaakt hoe het onderzoek in grote lijnen is verlopen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding de inhoud van de rapportages in twijfel te trekken.

Indien een bestuursorgaan met betrekking tot een door derden uitgebrachte rapportage een beroep doet op artikel 8:29 van de Awb, dient het zich te vergewissen van de in deze betrachte zorgvuldigheid. In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat verweerder hieraan heeft voldaan. Er zijn immers drie onderzoeken verricht teneinde zo veel mogelijk duidelijkheid te verkrijgen. Daarbij komt dat verweerder als gezegd, door een samenvatting te geven van hetgeen in de rapportages is weergegeven, eiser niet heeft geschaad in zijn verdediging.

De rechtbank is, gelet op het vorenoverwogene, dan ook van oordeel dat, nu betrouwbare documenten ontbreken met betrekking tot de kinderen [kind 1], [kind 2] en [kind 3] niet is komen vast te staan dat sprake is van " eigen" kinderen in de zin van de AKW. Er bestond derhalve geen recht op kinderbijslag ten behoeve van deze kinderen zodat de door verweerder betaalde kinderbijslag over het derde kwartaal van 1992 tot en met het tweede kwartaal van 1997 onverschuldigd is betaald.

Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerders besluit om de onverschuldigd betaalde kinderbijslag terug te vorderen, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

De rechtbank merkt terzake eerst op dat verweerder geen onderscheid heeft gemaakt tussen de tijdvakken gelegen voor en na 1 augustus 1996, de datum dat de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: Wet boeten) van kracht is geworden. Ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid van die wet wordt in de bevoegdheid van de Sociale Verzekeringsbank tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening van hetgeen voor die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging gebracht.

Het voorgaande impliceert dat het terugvorderingstijdvak gesplitst dient te worden. Voor zover de terugvordering ziet op het tijdvak vóór 1 augustus 1996 is artikel 24 van de AKW van toepassing zoals dat luidde voor die datum en voor zover de terugvordering ziet op het tijdvak ná 1 augustus 1996 is het dan geldende artikel 24 van de AKW van toepassing. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt in tijdvakken terzake van de terugvordering. Het bestreden besluit berust voorzover het de terugvordering na 1 augustus 1996 betreft op onjuiste grondslag. Het besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen is stand te laten, nu de toepassing van het gewijzigde artikel in het onderhavige geval niet leidt tot een ander resultaat.

De rechtbank overweegt voorts met betrekking tot de terugvordering als volgt.

Op grond van artikel 24 van de AKW - zoals deze bepaling luidde vóór 1 augustus 1996 - is verweerder bevoegd hetgeen op grond van de AKW onverschuldigd is betaald, van degene aan wie de betaling plaatsvond geheel of gedeeltelijk terug te vorderen gedurende vijf jaren na de dag van betaalbaarstelling, indien zij door toedoen van degene die ten onrechte aanspraak op kinderbijslag heeft gemaakt, onverschuldigd heeft betaald.

Gelet op het feit dat sprake is van onjuiste en onvolledige informatieverstrekking door eiser, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van onverschuldigde betaling aan eiser door zijn toedoen. Verweerder was daardoor bevoegd de onverschuldigd betaalde kinderbijslag over de periode van 1 juli 1992 tot 1 augustus 1996 terug te vorderen. De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop verweerder van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Op grond van artikel 24 van de AKW - zoals de bepaling luidt vanaf 1 augustus 1996 - is de Sociale Verzekeringsbank verplicht hetgeen onverschuldigd is betaald als gevolg van het niet nakomen van inlichtingenplicht, terug te vorderen. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale Verzekeringsbank geheel of gedeeltelijk van terugvordering af zien.

Zoals hiervoor is overwogen heeft eiser niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenplicht. Geconcludeerd moet derhalve worden dat verweerder terecht het onverschuldigd betaalde aan kinderbijslag over de periode van 1 augustus 1996 tot en met 30 juni 1997 heeft teruggevorderd. Van dringende redenen die verweerder van terugvordering zouden hebben moeten doen afzien, is de rechtbank niet gebleken.

Overigens is de rechtbank niet gebleken van strijd met enig geschreven of ongeschreven rechtsregel. Beslist dient te worden zoals in het dictum is weergegeven.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op f 2130, -- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit voor zover de bezwaren tegen het primaire besluit, waarbij de kinderbijslag over de periode gelegen na 1 augustus 1996 van eiser wordt teruggevorderd, ongegrond zijn verklaard

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven,

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van f 55,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van f 2130,-- .

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Riphagen als voorzitter en mrs. R. Kruisdijk en M.J.L. Lamers-Wilbers als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.E. Delvaux als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2000.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.