Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2000:AA8662

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
WET 99/596-DLD
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: WET 99/596-DLD

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: eerst mr R.J. Duttenhofer,

nu mr M.N.R. Nasrullah

en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Eiser heeft aan de Nederlandse ambassade te Accra (Ghana) de volgende documenten ter legalisatie aangeboden:

- een uittreksel ten behoeve van [kind 1], geboren op[…], registratiedatum 12 juli 1993, entrynummer 3037;

- een uittreksel ten behoeve van [kind 2], geboren op […], registratiedatum 12 juli 1993, entrynummer 1923.

Bij besluit van 23 september 1997 heeft verweerder de legalisatie van voornoemde documenten geweigerd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief, gedateerd 9 september 1997, doch ontvangen 14 oktober 1997, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 februari 1999 heeft verweerder het bezwaar onge-grond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 17 maart 1999 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 20 april 1999 een verweerschrift ingediend.

Bij deze brief heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Daarbij heeft verweerder de rechtbank verzocht ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op het door de Nederlandse ambassade te Accra ingestelde verificatieonderzoek toe-passing te geven aan artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in die zin dat uitsluitend de rechtbank van die stukken kennis zou mogen nemen.

Op 1 maart 2000 heeft de rechtbank, na kennisneming van de desbetreffende stukken, met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb, beslist dat beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Eiser heeft de rechtbank geen toestemming verleend om mede op grond van die stukken uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2000. Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr R. Geraedts.

2. Overwegingen

In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Dienaangaande zij het volgende overwogen.

Eiser is afkomstig uit wat verweerder noemt een "probleemland" op het gebied van schriftelijk bewijs. Aangezien in de praktijk is gebleken dat uit bepaalde landen afkomstige documenten niet altijd (of doorgaans niet) betrouwbaar zijn ten aanzien van hun inhoud, ook al zijn zij afkomstig van de bevoegde autoriteiten, heeft verweerder bij de "Aanwijzing probleemlanden op het gebied van schriftelijk bewijs" (Staatscourant 8 maart 1996, p.2, verder: Aanwijzing probleemlanden) bepaald dat per 1 april 1996 documenten uit een vijftal niet-westerse landen, waaronder Ghana, pas gelegaliseerd mogen wor-den nadat er een inhoudelijke verificatie heeft plaatsgevonden.

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de juistheid van de geboorteplaats opgenomen in één van de geboorteakten onjuist is. Voorts zijn in geraadpleegde onafhankelijke objectieve registers geboortedata aangetrofffen, die afwijken van de data als opgenomen in de uittreksels. Voorts heeft [kind 2] een foto, waarvan eiser had verklaard, dat hij goed lijkend was, van [kind 1] niet herkend. Ook hebben personen uit eisers directe omgeving tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de plaats waar de kinderen gewoond hebben. Tenslotte heeft het verificatieonderzoek niet geleid tot een bevestiging door onafhankelijke bronnen van de naam van de vader van de kinderen.

Eiser heeft hier tegenover gesteld, dat het onderzoek heeft plaatsgevonden door corrupte personen, die slechts tegen betaling van smeergeld bereid zouden zijn de authenticiteit van de documenten te bevestigen. Nu zijn familieleden op zijn verzoek betaling geweigerd hebben, is hij in een onmogelijke situatie gebracht, temeer omdat het belangrijkste deel van de bevindingen van de onderzoekers voor hem geheim gehouden wordt.

Zoals uit voormelde beslissing van deze rechtbank van 1 maart 2000 (toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb) reeds blijkt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat in dit geval zo weinig mogelijk gegevens betreffende het verificatieonderzoek in de openbaarheid dienen te komen.

Voorts kan de rechtbank slechts dan mede op de grondslag van de stukken, waarvan de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd wordt geacht, uitspraak doen indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. Onder deze omstandigheden wordt de eerlijkheid van de beroepsprocedure niet aangetast. Voorts valt op te merken dat ingevolge artikel 6 EVRM zekere beperkingen op de openbaarheid van de procedure zijn toegelaten. Voorzover de in artikel 8:29 van de Awb neergelegde regeling als een zodanige beperking moet worden opgevat, acht de rechtbank deze in het onderhavige geval aanvaardbaar.

De rechtbank overweegt voorts, dat verweerders beleid er - gelet op de Aanwijzing probleemlanden - op neer komt, dat de inhoud van een document slechts dan voor juist gehouden wordt, indien op grond van het verrichte onderzoek geen twijfel meer bestaat over herkomst en inhoud van de ter legalisatie aangeboden documenten. In beginsel rust daarbij op de aanvrager de plicht te bewijzen, dat zijn documenten deugdelijk zijn.

Alle omstandigheden in aamerking genomen kan dit beleid - volgens vaste rechtspraak - niet onredelijk genoemd worden

In het licht daarvan kan de enkele stelling, dat de onderzoekers geld hadden willen ontvangen om tot een juiste verklaring te komen, de rechtbank niet tot de conclusie brengen dat verweerder tot een ander besluit had behoren te komen. Datzelfde geldt voor de - op geen enkele wijze concreet onderbouwde en eerst in beroep geformuleerde - mededeling, dat de in Ghana ondervraagde personen geprovoceerd werden en gedwongen werden onjuiste informatie te verstrekken

De gemachtigde van eiser heeft ook ter zitting geen toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven om mede op de grondslag van de desbetreffende stukken uitspraak te doen.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden de thans beschikbare gedingstukken voldoende grondslag voor het oordeel van verweerder dat er gerede twijfel bestaat omtrent de juistheid van de in de ter legalisatie aangeboden documenten opgenomen gegevens.

De rechtbank geeft eisers gemachtigde toe, dat de weigering de gevraagde legalisatie te verlenen voor eiser pijnlijke consequenties met zich brengt. Zij kan daarin echter geen grond vinden om verweerder verplicht te achten om, ondanks de in beginsel bestaande en door het onderzoek niet weggenomen twijfel, toch van de juistheid van de in de documenten neergelegde gegevens uit te gaan.

Gelet op het vorenoverwogene kan verweerders weigering de beide uittreksels te legaliseren, de rechterlijke toetsing doorstaan.

Hieruit volgt dat het beroep van eiser ongegrond dient te worden verklaard.

De rechtbank merkt tenslotte op geen termen aanwezig te achten een der partijen te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr W.E. Doolaard.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr E. Kleingeld - Top als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 september 2000.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser begrepen wordt - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.