Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2000:AA8392

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
10/180001-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

van de ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op 2 november 1949,

wonende [adres]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 november 2000.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding onder parketnummer 10/180001-00. Van deze dagvaarding is een kopie in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd A1 en A2).

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Zwaneveld heeft gerequireerd -zakelijk weergegeven- de bewezenverklaring van het onder feit 1 en het onder feit 2 primair ten laste gelegde en de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN DE VERVOLGING

Namens de verdachte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de officier van justitie heeft gehandeld buiten de grenzen van het opportuniteitsbeginsel. Volgens de raadsvrouw heeft het Openbaar Ministerie er voor gekozen de personen die in het centrum van de verweten gedragingen hebben verkeerd niet te dagvaarden, maar wel de personen die alleen in afgeleide zin betrokken zijn geweest. Dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging. De raadsvrouw verwijst hier naar HR 22 oktober 1991, NJ 1992/282.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Het arrest waarop de raadsvrouw zich beroept, ziet op een situatie waarin het Openbaar Ministerie ten aanzien van een grote groep verdachten een vervolgingsbeleid had ontwikkeld dat erop neerkwam dat vervolging slechts zou plaatsvinden in die gevallen waarin werd voldaan aan een eenduidig tevoren bepaald criterium. Vervolging in het geval dat niet wordt voldaan aan bedoeld criterium levert in dat geval strijd met het gelijkheidsbeginsel op. Een zodanige situatie doet zich hier niet voor. Het betreft hier een klein aantal betrokkenen, die -voor zover de rechtbank dat uit het onderhavige dossier kan opmaken- niet hebben gehandeld vanuit een gelijke positie en onder gelijke omstandigheden als verdachte.

De niet vervolgde politieambtenaren hebben immers informatie uit het HKS-systeem verstrekt aan iemand ([medeverdachte]) die op dat moment (formeel) nog politie-ambtenaar was en met wie zij lange tijd als zodanig hadden samengewerkt. De rechtbank acht het voorts aannemelijk dat deze politieambtenaren er bij het verstrekken van de informatie van uitgingen dat [medeverdachte] de informatie nodig had voor zijn werk als politieambtenaar en er geen rekening mee behoefden te houden dat [medeverdachte] de informatie zou verstrekken aan de directeur van zijn nieuwe werkgever, [verdachte] Bovendien is in dit geval geen sprake van een tevoren vastgesteld vervolgingsbeleid. Ook overigens zijn geen omstandigheden gebleken die tot de conclusie moeten leiden dat met de onderhavige vervolgingsbeslissing de officier heeft gehandeld in strijd met eerderbedoeld opportuniteitsbeginsel.

Nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

NIET BEWEZEN

Het onder feit 1 en onder feit 2 primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWEZEN

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als vermeld in de hierna ingevoegde bijlage (bladzijde genummerd B2), die van dit vonnis deel uitmaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte

moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJS

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaar-de heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

TOELICHTING OP DE BEWEZENVERKLARING

Namens de verdachte is door de raadsvrouw aangevoerd dat in casu geen sprake kan zijn van heling, daar gegevens uit computerbestanden niet kunnen worden aangemerkt als "een goed" in de zin van de artikelen 416 en 417 bis Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De artikelen 416 en 417bis Wetboek van Strafrecht geven geen definitie van de in deze bepalingen gebezigde term "goed". Ook de wetsgeschiedenis van deze bepalingen geeft hieromtrent geen duidelijkheid.

De rechtbank is van oordeel dat ook gegevens als de onderhavige vallen onder het begrip "goed" als bedoeld in de eerdergenoemde artikelen, nu dergelijke gegevens economische waarde hebben, en voorts het karakter dragen van overdraagbaarheid, reproduceerbaarheid en beschikbaarheid. Een andersluidende uitleg zou voorts leiden tot het maatschappelijk onaanvaardbare resultaat, dat vertrouwelijke overheidsgegevens straffeloos geheeld kunnen worden.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezen feit levert op:

Schuldheling, strafbaar gesteld bij artikel 417 bis van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAF

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het helen van gegevens uit het HKS-systeem van de politie. Hij heeft een brigadier van politie in dienst genomen als hoofd beveiliging van zijn bedrijf. Toen hij deze persoon meedeelde graag iets te willen weten over het verleden van zijn werknemers, kwam deze na enige tijd met justitiële gegevens van de personeelsleden. Verdachte heeft tezamen met bedoelde politie-ambtenaar enige van deze personeelsleden met de verkregen gegevens geconfronteerd en mede op basis van deze gegevens één van hen uiteindelijk ontslagen.

Verdachte is met de door hem verkregen gegevens, waarvan hij moest vermoeden dat ze geheim waren, niet prudent omgegaan. Door zo te handelen heeft verdachte zijn (ex-)werknemers schade toegebracht. Tevens heeft verdachte door zijn handelen het vertrouwen van het publiek in de politie geschaad. Burgers hebben recht op strikte geheimhouding van bepaalde gegevens, en moeten ervan kunnen uitgaan dat die gegevens nimmer zonder wettelijke grondslag aan derden worden verstrekt. Indien dit wel gebeurt, veroorzaakt dit onrust bij de burger en gevoelens van wantrouwen naar de overheid.

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens een op zijn naam gesteld uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 03 februari 2000 niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank houdt voorts rekening met de omstandigheid dat, zoals uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken, door de onderhavige strafzaak verdachte geruime tijd in zijn zakelijk functioneren is belemmerd.

De rechtbank is van oordeel dat op feiten als de onderhavige moet worden gereageerd met een gevangenisstraf van beperkte duur. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, om verdachte er van te weerhouden in het vervolg nogmaals strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat voormelde straf passend en geboden is.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is behalve op het reeds genoemde artikel gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

- verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder feit 1 en het onder feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte hiervan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals

hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste

is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan

vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte terzake van het bewezen verklaarde feit tot een

gevangenisstraf voor de tijd van drie (3) maanden en bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

- stelt daarbij een proeftijd vast en bepaalt dat deze twee (2) jaren bedraagt;

de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

* de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar

feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.G.L. den Os-Brand, voorzitter,

en mrs. M.J.L. Holierhoek en A.P. Schoonbrood-Wessels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Hamburg-Slabbekoorn, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 november 2000.