Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2000:AA7780

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
10/041389-00 10/062462-98
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10/041389-00

Parketnummer van de vordering TUL VV: 10/062462-98

Datum uitspraak: 24 oktober 2000

Tegenspraak

VONNIS

van de ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [plaats]) op [datum],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting gedetineerd in de peniten-tiaire inrichting "Huis van Bewaring Den Haag (unit 1)" te 's-Gravenhage.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 oktober 2000.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaar-ding onder parketnummer 10/041389-00. Van deze dagvaarding is een kopie in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd 1A tot en met 1C).

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank de tenuitvoerlegging zal gelasten van de aan de verdachte bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 9 augustus 1999 onder parketnummer 10/062462-98 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Spoon heeft gerekwireerd - zakelijk

weergegeven - de vrijspraak van het onder 3 primair ten laste gelegde en de bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde en de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd dient te gedragen naar de aanwijzingen door of namens de reclassering gegeven, waarbij verdachte zich tevens onder psycho-therapeutische behandeling dient te stellen, voorzover dat noodzakelijk is naar het oordeel van de reclassering.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN DE VERVOLGING

Namens de verdachte heeft de raadsman aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging.

De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat [aangeefster] zich weliswaar tot de politie heeft gewend, doch dat zij heeft aangegeven dat zij geen aangifte wenste te doen. Zij heeft uitdrukkelijk tegen de agenten gezegd dat zij absoluut niet wilde dat verdachte de cel in zou gaan. Volgens de raadsman heeft de politie in deze zaak [aangeefster] totaal verkeerd voorgelicht. Er is naar het oordeel van de raadsman op ontoelaatbare wijze invloed op haar uitgeoefend, enkel en alleen om een verklaring tegen zijn cliënt te verkrijgen. Zulks zou ook blijken uit een door aangeefster op 13 september 2000 ten overstaan van een notaris afgelegde verklaring. Er is gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde; er is sprake van detournement de pouvoir, misbruik van bevoegdheid, nu de politie een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven, met het doel om een verklaring te verkrijgen, aldus de raadsman. Tevens is de raadsman van mening dat het vertrouwensbeginsel geschonden is, nu de politie het vertrouwen heeft opgewekt bij [aangeefster] dat er geen vrijheidsbeneming van verdachte zou plaatsvinden, indien zij haar verhaal zou doen.

De raadsman is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, subsidiair dat de verklaring van [aangeefster] en de vruchten ervan als onrechtmatig verkregen bewijs terzijde dienen te worden gesteld.

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende:

Uit de verklaringen van aangeefster tegenover de politie en tegenover de notaris is onvoldoende aannemelijk geworden dat zij niet daadwerkelijk aangifte tegen verdachte heeft willen doen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij weloverwogen en doordacht haar aangifte gedaan en is uit haar verklaringen slechts af te leiden dat zij niet heeft willen bewerkstelligen dat verdachte in hechtenis zou worden genomen en een gevangenisstraf zou krijgen opgelegd. Aangeefster heeft in geen enkele verklaring te kennen gegegeven, dat haar aangifte inhoudelijk onjuist zou zijn geweest.

Derhalve is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van het uitoefenen van druk op aangeefster voor of tijdens het afleggen van haar verklaringen noch is gebleken van het verstrekken van onjuiste informatie, zodat er geen sprake is van detournement de pouvoir, dan wel een schending het vertrouwensbeginsel.

Nu voor de rechtbank vast staat dat aangeefster de aangifte weloverwogen en doordacht heeft gedaan, doet de mogelijkheid dat aangeefster gedwaald zou hebben omtrent de gevolgen van deze aangifte, daaraan niets af.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank, nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

De verklaring van aangeefster, alsmede de vruchten daarvan, kunnen derhalve ook voor het bewijs worden gebezigd.

NIET BEWEZEN

Het onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWEZEN

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als vermeld in de hierna ingevoegde bijlage (bladzijden genummerd 2A tot en met 2C), die van dit vonnis deel uitmaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

BEWIJS

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft de rechtbank overwogen dat verdachte door het slaan, stompen en trappen van het slachtoffer welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij daardoor zwaar lichamelijk letsel zou kunnen veroorzaken. De verdachte heeft mitsdien gehandeld met het voor poging tot zware mishandeling vereiste opzet in de zin van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank is van oordeel dat het slechts aan omstandigheden die buiten de wil van verdachte liggen te danken is geweest, dat in deze niet daadwerkelijk sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is van oordeel dat het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel niet alleen afhankelijk is van de kracht waarmee geslagen dan wel geschopt wordt of van de manier waarop dit gebeurt, maar tevens afhankelijk is van tal van omstandigheden die buiten verdachte liggen.

STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 302 in verbinding met de artikelen 300 en 45 van het Wetboek van Strafrecht;

2 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 302 in verbinding met de artikelen 300 en 45 van het Wetboek van Strafrecht;

3 subsidiair:

Mishandeling, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 300 in verbinding met artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Namens verdachte heeft de raadsman aangevoerd dat indien het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit bewezen kan worden, dit feit niet strafbaar is. Verdachte is, voordat er daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel heeft kunnen optreden bij [aangeefster], immers uit eigen wil gestopt met het schoppen en slaan. De raadsman heeft in dit verband ter terechtzitting gesproken van een vrijwillige terugtreding en daarbij aangegeven, dat indien verdachte aangeefster zwaar lichamelijk letsel had willen toebrengen, dit snel gebeurd had kunnen zijn. Nu het feit op grond van het bovenstaande niet strafbaar is, dient verdachte volgens zijn raadsman te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende:

Nu de rechtbank van oordeel is dat bewezen kan worden verklaard dat er tweemaal een poging tot zware mishandeling door verdachte heeft plaatsgevonden en het niet aan verdachte te danken is geweest dat het daaruit voortvloeiend letsel niet daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel is geweest, wordt dit verweer van de raadsman verworpen. De verwerping vindt steun in de bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, zoals die hierboven zijn opgenomen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de straf-baarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAFFEN

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ten aanzien van verdachte is bewezen verklaard dat hij gedurende een periode van ruim anderhalf jaar zijn (ex-)vriendin, waarmee hij ook een tijd heeft samengewoond, heeft mishandeld. Daarbij is het tweemaal zodanig uit de hand gelopen, dat verdachte heeft gepoogd om haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Tijdens deze twee incidenten heeft hij het slachtoffer zodanig geslagen, gestompt en/of geschopt dat het niet aan de wil van verdachte te danken is geweest dat er bij het slachtoffer niet daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel is ontstaan.

Dit zijn ernstige strafbare feiten. Het feit dat verdachte als ex-

profbokser herhaaldelijk zijn zelfbeheersing heeft verloren dan wel zeer koel en berekenend - zoals de rechtbank de verklaringen van de verdachte terzake ter terechtzitting heeft verstaan - huiselijk geweld heeft ge-bruikt, dient hem extra zwaar te worden aangerekend. Door aldus te handelen heeft verdachte het slachtoffer niet alleen pijn en letsel toegebracht. De ervaring leert dat dit soort feiten voor het slachtoffer ook psychisch nadelige gevolgen kan hebben, waar zij nog lange tijd last van kan blijven houden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op dergelijke ernstige feiten in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging in het nadeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat verdachte - blijkens de door de officier van justitie gevorderde tenuitvoerlegging van de aan de verdachte bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 9 augustus 1999 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf - reeds eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en dat hij ten tijde van het plegen van de onderhavige delicten in een proeftijd liep terzake van die feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van het voorlichtingsrapport van de reclassering opgemaakt door [getuige-deskundige 1] d.d. 14 september 2000, van het rapport van de forensisch psycholoog drs. [getuige-deskundige 2] d.d. 25 september 2000 en van het rapport van klinisch en forensisch psychiater drs. [getuige-deskundige 3] d.d. 5 oktober 2000.

Zowel de forensisch psycholoog als de klinisch en forensisch psychiater concluderen dat er bij verdachte sprake is van een vroege emotionele ontwikkelingsstoornis cq borderline persoonlijkheidsstoornis waarbij hechting-onthechting problematiek en angst voor separatie centraal staan. De psycholoog is van mening dat de tenlastegelegde feiten, indien zij bewezen kunnen worden, aan verdachte op grond van zijn persoonlijkheidsproblematiek verminderd kunnen worden toegerekend. De psychiater geeft aan dat het niet mogelijk was voor hem uitspraken te doen omtrent de mate van toerekeningsvatbaarheid nu verdachte de tenlastegelegde feiten heeft ontkend.

Psychiater [getuige-deskundige 3] adviseert,in goed overleg met de mederapporteur, een individuele, langdurige, intensieve ambulante psychotherapeutische behandeling bij een instelling, die, naast een zekere mate van anonimiteit voor betrokkene, over een adequate 24-uurs opvang beschikt en tevens voldoende waarborgen en garanties biedt voor betrokkenes maatschappelijke belangen.

Beide deskundigen adviseren om als bijzondere voorwaarde bij een eventueel voorwaardelijk strafdeel, een ambulante psychotherapeutische behandeling op te leggen, te ondergaan bij [naam instelling] te [woonplaats], nu betrokkene te kennen heeft gegeven in de toekomst in [woonplaats] te gaan wonen.

De heer [getuige-deskundige 1] adviseert,indien aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, dat deze wordt omgezet in een werkstraf en om een verplicht reclasseringscontact op te leggen bij een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde, dat betrokkene zich onder behandeling stelt om een beter inzicht te krijgen in hoe hij met intieme relaties omgaat en in de achtergrond van het ontstaan van agressie binnen zijn relatie(s).

De rechtbank neemt de conclusie van [getuige deskundige 2], dat de feiten verdachte, gelet op zijn persoonlijkheidsproblematiek, slechts verminderd kunnen worden toegerekend, over en maakt die tot de hare.

In navolging van bovenstaande adviezen zal de rechtbank een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarde van reclasseringscontact en tevens de bijzondere voorwaarde van deelname aan een ambulante psychotherapeutische behandeling bij [naam instelling] te [woonplaats]. De rechtbank merkt hierbij op dat ook al heeft verdachte aangegeven dat hij gemotiveerd is om deze ambulante therapie aan te vangen en te voltooien, de rechtbank deze behandeling toch als bijzondere voorwaarde zal opleggen.

Daarnaast zal de rechtbank een deel van de straf voorwaardelijk opleggen, teneinde verdachte in de toekomst ervan te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen.

Gelet op de te verwachten lange duur van de, door verdachte te volgen, therapie zal de rechtbank de proeftijd bepalen op 3 jaar.

Gelet op de conclusies in het reclasseringsrapport en gelet op het aanbod ter zitting van verdachte om in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zinvol te willen werken, acht de rechtbank termen aanwezig om in plaats van het onvoorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf aan verdachte de straf van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte op te leggen. De rechtbank merkt hierbij op dat het de reclassering is die voor verdachte een project zal uitzoeken, alwaar verdachte de werkzaamheden dient te verrichten.

Alles afwegende acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

DE VORDERING TOT TENUITVOERLEGGING

Bij op tegenspraak gewezen vonnis van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte terzake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling veroordeeld -voor zover van belang- tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De proeftijd is op grond van artikel 14b, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht ingegaan op 24 augustus 1999.

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van genoemd vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd.

Zoals uit het bovenstaande blijkt, heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. De rechtbank vindt daarin aanleiding de tenuitvoerlegging te gelasten van de bij vonnis d.d. 9 augustus 1999 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met dien verstande dat de rechtbank termen aanwezig acht om in plaats daarvan het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 100 uren te gelasten, waartoe de verdachte zich bereid heeft verklaard.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straffen zijn behalve op de reeds genoemde artikelen gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 22b, 22c, 22d, 57, 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte terzake van de bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 (vijf) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

- stelt daarbij een proeftijd vast en bepaalt dat deze 3 (drie) jaren bedraagt;

de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

* de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

* de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland Arrondissement te Rotterdam, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt;

2. dat de veroordeelde zich onder ambulante behandeling stelt bij [naam instelling] te [woonplaats] zolang de behandelend gedragsdeskundige dit nodig acht;

- verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarden;

- legt de verdachte daarnaast op het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de tijd van 210 (tweehonderdentien) uren, zulks in plaats van 5 (vijf) maanden gevangenisstraf.

- bepaalt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde arbeid ten algemenen nutte in mindering wordt gebracht, volgens de maatstaf van twee uren per dag voor de eerste zestig dagen en één uur per dag voor de overige dagen, zodat na deze aftrek 51 (eenenvijftig) uren te verrichten arbeid ten algemenen nutte resteren;

- de te verrichten werkzaamheden dienen te bestaan uit: werkzaamheden voorkomend bij instellingen aangesloten bij de projectenbank van de Stichting Reclassering Nederland Arrondissement Rotterdam;

- de arbeid dient binnen drie maanden nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden te worden aangevangen en binnen twaalf maanden na aanvang te zijn verricht;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling;

Met betrekking tot parketnummer 10/062462-98:

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 9 augustus 1999 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 2 (twee) maanden; met dien verstande dat de rechtbank in plaats daarvan oplegt het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de tijd van 100 (honderd) uren;

- de te verrichten werkzaamheden dienen te bestaan uit: werkzaamheden voorkomend bij instellingen aangesloten bij de projectenbank van de Stichting Reclassering Nederland Arrondissement Rotterdam;

- de arbeid dient binnen drie maanden nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden te worden aangevangen en binnen twaalf maanden na aanvang te zijn verricht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. De Pauw Gerlings-Döhrn, voorzitter,

en mrs. Foy en Van Driel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van der Hoeff, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 oktober 2000.