Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2000:AA7567

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
128783 / HA ZA 99-2478
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

A R R O N D I S S E M E N T S R E C H T B A N K T E R O T T E R D A M

Zaaknr/rolnr : 128783 / HA ZA 99-2478

Uitspraak : 12 oktober 2000

VONNIS van de enkelvoudige kamer

voor de behandeling van

burgerlijke zaken

in de zaak van:

[eiser],

[woonplaats],

procureur mr. C.W.F. Jansen,

advocaat mr. E.G.M. van Daal-Doppen,

- t e g e n -

[gedaagde],

[woonplaats],

procureur mr. M.S. van Dijk.

1. De processtukken

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

dagvaarding d.d. 7 november 1999;

conclusie van eis, met producties;

conclusie van antwoord, met producties;

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 17 februari 2000;

proces-verbaal van de op 4 april 2000 gehouden comparitie van partijen, alsmede het daaraan gehechte stuk;

conclusie van repliek, met een productie;

conclusie van dupliek, met producties.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties en hetgeen bij gelegenheid van de comparitie van partijen naar voren is gebracht, staat tussen partijen -voorzover van belang- het volgende vast:

1. Bij mondelinge overeenkomst heeft gedaagde op 27 augustus 1999 aan eiser een paard verkocht voor de prijs van fl.11.500,=, inclusief vervoer van het paard van gedaagde naar eiser. Het gaat hier om een zogenaamd Friesch paard, een hengst (Sjaard 320), genaamd Nico (hierna: "het paard").

2. Op 31 augustus 1999 heeft gedaagde het paard bij eiser, in Friesland, afgeleverd en heeft eiser aan gedaagde het overeengekomen bedrag van fl.11.500,= betaald.

3. Kort daarna heeft eiser bij gedaagde geklaagd over gebreken van het paard. Het paard is door de lokale dierenarts, [getuige 1], onderzocht, die adviseerde het paard voor verder onderzoek door te sturen naar de faculteit diergeneeskunde van de universiteit van Utrecht.

4. Een schriftelijke verklaring d.d. 10 september 1999 van [getuige 1], dierenarts te [plaats], luidt, voorzover thans relevant, als volgt:

"(...)

Ondergetekende (...) verklaart op 1 september op verzoek van [eiser] (...) de friese hengst Nico, geboren 2 juli 1996 (...) te hebben onderzocht.

(...)

Bij onderzoek in rust viel op dat de linkerhelft van het hoofd enigszins verdikt was zodat het hoofd asymmetrisch was. Gedacht werd aan een ontsteking van de kaakboezem, percussie van sinus en kiezen leverde geen verdere informatie op. Tijdens longeren bleek de hengst bij zowel in- als expiratie veel teveel ademgeluiden te maken en ging het dier al snel in verzet tegen de gevraagde arbeid. Bij staken van de arbeid stond het dier nog geruime tijd met opengesperde neusgaten te ademen met een gierend geluid uit beide neusgaten.

De hengst werd doorverwezen naar de faculteit Diergeneeskunde te Utrecht en daar klinisch, endoscopisch en röntgenologisch onderzocht. De diagnose: bilaterale vernauwing van de neusgangen op 20 cm. Het bomberen van de linker voorhoofdsholte beek te berusten op een anatomisch afwijkende plaatsing van gebitselement P3 in de bovenkaak. (...)

Deze aandoeningen waren volgens de overtuiging van ondergetekende aanwezig vóór de koop en waren verborgen bij de koop. Daarmee bezit het dier niet de eigenschappen die voor een normaal gebruik van het dier als rijpaard nodig zijn (...)"

5. Blijkens een brief d.d. 10 september 1999 van dr. [getuige 2] van de universiteit van Utrecht, is het paard op 6 september 1999 in Utrecht onderzocht. [getuige 2] berichtte als volgt:

"(...)

Diagnose: bilaterale vernauwing der neusgangen op circa 20 cm

Bijzonderheden:

Tijdens arbeid (maar ook soms bij opwinding in rust) is er een hoogtonige in- en expiratoire stridor. Bij endoscopie der neusgangen bleek er op circa 20 cm een bilaterale (anatomische) vernauwing aanwezig te zijn, welke niet passabel bleek voor onze 13 mm endoscoop (uitwendig) en wel voor onze 8 mm endoscoop. Er was een weinig purulent exsudaat aanwezig in de luchtpijp. De lnn. met het hoofd als tributairgebied waren niet afwijkend. Tevens was er een bombering van de linker sinus maxillaris welke op basis van een röntgenfoto geassocieerd bleek met een anatomisch afwijkende plaatsing van P3. De sluiering van de linker sinus maxillaris is mogelijk passende bij de leeftijd. (...)"

3. De vordering en de grondslag daarvan

De vordering luidt om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

te verklaren voor recht dat de overeenkomst tussen eiser en gedaagde is ontbonden;

gedaagde te veroordelen tot terugbetaling van de koopprijs van het paard ten bedrage van fl.11.500,= onder terugname van het paard;

gedaagde te veroordelen tot betaling van het stallingsgeld ad fl.12,50 per dag tot de dag dat het paard zal zijn opgehaald, of welk bedrag de rechtbank in goede justitie zal bepalen;

gedaagde te veroordelen tot betaling van de dierenartskosten in totaal ten bedrag van fl.730,86, of welk bedrag de rechtbank in goede justitie zal bepalen;

gedaagde te veroordelen tot betaling van de door eiser gemaakte reiskosten, begroot op fl.250,= inclusief de huur van een paardentrailer, of welk bedrag de rechtbank in goede justitie zal bepalen;

gedaagde te veroordelen tot de wettelijke rente over de prijs van het paard, te rekenen vanaf 6 september 1999;

gedaagde te veroordelen tot de kosten van dit geding.

Aan deze vorderingen heeft eiser de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

1. Voorafgaande aan de koop heeft gedaagde eiser desgevraagd meegedeeld dat het paard 100% gezond zou zijn. Gedaagde heeft daarbij meegedeeld dat het paard klinisch was gekeurd en dat de dokter er anderhalf uur mee bezig was geweest. Uit de onderzoeken is gebleken dat het paard lijdt aan een gebrek aan de luchtwegen dat reeds voor de koop aanwezig was. Eiser heeft daarom mondeling aan gedaagde te kennen gegeven de overeenkomst te willen ontbinden, maar gedaagde heeft dat geweigerd.

2. Bij brief van 9 september 1999 is gedaagde door de raadsvrouw van eiser gesommeerd om binnen acht dagen daarna mee te delen of gedaagde het paard zou terugnemen, tegen restitutie van de koopprijs. Tevens is gedaagde in diezelfde brief aansprakelijk gesteld voor de stallingskosten van fl.12,50 per dag vanaf 31 augustus 1999, de dierenartskosten, de reiskosten en de kosten voor rechtsbijstand.

3. Gedaagde heeft ingestemd een deel van de kosten van het veterinair onderzoek te betalen.

4. Het verweer

Gedaagde concludeert dat de vordering dient te worden afgewezen, met veroordeling van eiser in de kosten van het geding.

Gedaagde heeft daartoe, zakelijk weergegeven en voorzover van belang, uiteindelijk het volgende aangevoerd:

1. Gedaagde betwist primair dat sprake is van een gebrek van het paard ten tijde van de verkoop. De diergeneeskundige verklaringen worden betwist.

2. Subsidiair ontkent gedaagde dat zij zou hebben geweten dat het paard een aangeboren afwijking heeft of zou hebben gehad ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Zij heeft het paard zelf slechts drie maanden in bezit gehad en heeft het maar twee weken bereden. Andere berijders van het paard en de privé rij-instructrice van gedaagde hebben nooit iets gemerkt van een gebrek aan het paard. Gedaagde heeft eiser meegedeeld wat zij wist en daarmee voldaan aan haar informatieplicht.

3. Gedaagde betwist dat zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst tegen eiser heeft gezegd dat het paard klinisch gekeurd was.

4. Bij de aflevering heeft eiser het paard nagekeken, losgegooid, laten rennen en daarna in de box gezet. Eiser heeft de koopprijs voldaan, zonder enig voorbehoud van goedkeuring van het paard door een veearts. Eiser heeft ook geen garantie van gedaagde verlangd.

Eiser heeft niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht en het gebleken gebrek van het paard komt voor zijn risico.

5. De beoordeling van het geschil

1. Eiser heeft in de onderhavige procedure een verklaring voor recht gevorderd dat de overeenkomst tussen eiser en gedaagde is ontbonden, daarmee kennelijk doelend ofwel op een mededeling van eiser aan gedaagde na het ontdekken van het gebrek, ofwel op de brief d.d. 9 september 1999 van de raadsvrouw van eiser aan gedaagde.

Buitengerechtelijke ontbinding vindt plaats door een schriftelijke verklaring. Voorzover thans gesteld en gebleken heeft eiser zelf gedaagde slechts mondeling aangezegd dat hij de overeenkomst ontbond.

In de brief van zijn raadsvrouw wordt niet vermeld dat de overeenkomst wordt ontbonden. Toch moet die brief worden beschouwd als een aan gedaagde gerichte verklaring, waarin gemotiveerd wordt aangegeven dat eiser zich wil bevrijden van zijn gebondenheid aan de overeenkomst. Het is hiermee een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring.

2. Niet gesteld of gebleken is dat nakoming van de overeenkomst nog mogelijk is. Of de overeenkomst door die verklaring ook rechtens is ontbonden, hangt daarom af van de vraag of sprake is van een tekortkoming aan de zijde van gedaagde.

Het verweer van gedaagde dat het paard ten tijde van de verkoop geen gebrek had, wordt verworpen. De door eiser ingeschakelde arts van de universiteit van Utrecht moet gezien worden als een onafhankelijke deskundige, hetgeen wordt bevestigd door het betoog van gedaagde dat (ook) zij zich wilde laten informeren door een dierenarts te Utrecht. Het door deze arts verrichte onderzoek en de daarvan door hem opgemaakte rapportage (zie hiervoor onder 2.5) zijn niet gemotiveerd door gedaagde betwist. Gelet op de geconstateerde anatomische afwijking staat daarmee vast dat het gebrek van het paard reeds ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestond.

3. Niet gesteld of gebleken is dat eiser het gebrek tijdens het door hem uitgevoerde eenvoudige onderzoek, bij aflevering van het paard, had kunnen opmerken.

Het paard diende geschikt te zijn voor normaal gebruik. Niet in geschil is dat normaal gebruik in het onderhavige geval inhoudt dat het paard bereden moest kunnen worden. De bewijslast dat voormeld gebrek van het paard tevens een tekortkoming in de zin van de overeenkomst oplevert, berust bij eiser.

Eiser heeft een verklaring van zijn dierenarts in het geding gebracht (geciteerd onder 2.4 in dit vonnis). Dat is niet zozeer een partijdige verklaring van een eenzijdig ingeschakelde dierenarts, maar een diergeneeskundige verklaring volgens een model, dat in het handboek Gerechtelijke Diergeneeskunde (red. prof. H.J. Breukink, 1995, blz. 54) wordt geadviseerd te gebruiken. De verklaring dient daarom niet buiten beschouwing te blijven. Uit de verklaring blijkt dat het paard niet de eigenschappen bezit waarover het als rijpaard diende te beschikken.

Met de twee geciteerde verklaringen heeft eiser zijn stelling voorshands bewezen. Gelet op haar gemotiveerde betwisting zal gedaagde worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, namelijk dat het paard (normaal) bereden kan worden. Daarbij kunnen de verklaringen van berijders van het paard, zoals die door gedaagde in het geding zijn gebracht, eventueel een rol spelen.

Met betrekking tot het tegenbewijs is niet denkbeeldig dat een deskundige zal moeten worden benoemd. De rechtbank zal daarom een comparitie van partijen gelasten. Op de comparitie bestaat de gelegenheid om over de benoeming van een deskundige te overleggen. Partijen dienen voorafgaande aan de comparitie voorstellen te doen over de naam en het aantal van de te benoemen deskundige(n), alsmede over de aan deze(n) voor te leggen vragen en het aan deze(n) te betalen voorschot.

Op deze comparitie kan tevens aan de orde komen of gedaagde (tevens) getuigenbewijs wenst te leveren.

4. Indien gedaagde erin slaagt het tegenbewijs te leveren, zullen de vorderingen van eiser worden afgewezen.

5. Indien gedaagde geen tegenbewijs levert, staat de tekortkoming vast en zal de gevorderde verklaring voor recht worden gegeven. Tevens zal gedaagde dan worden veroordeeld om de koopprijs aan eiser terug te betalen, onder de verplichting van eiser om het paard terug te geven. Ook zal in dat geval de vordering terzake van het stallingsgeld worden toegewezen, nu dit kosten betreft die ten behoeve van het behoud van het paard zijn gemaakt.

In verband met de gevorderde schadevergoeding is voorts van belang wie van beide partijen het risico draagt van het verborgen gebrek.

Het gaat hier om de verkoop van een ruim drie jaar oud paard dat gedurende drie maanden in bezit is geweest van gedaagde. Het gebrek aan de luchtwegen van het paard is aan de koper eerst enkele dagen na de aflevering gebleken uit een verricht diergeneeskundig onderzoek.

Vaststaat dat eiser het paard voorafgaande aan de koop en de levering niet heeft bekeken; eiser reageerde op een advertentie en de overeenkomst is telefonisch tot stand gekomen.

Eiser heeft niet betwist dat het gebruikelijk is om bij de koop van een paard een keuring te laten verrichten ofwel bij de koop een voorbehoud van goedkeuring te maken. Vaststaat dat eiser bij de koop geen deskundige heeft ingeschakeld teneinde de gezondheid van het paard te beoordelen, maar is afgegaan op zijn eigen oordeel, nu hij, naar eigen zeggen, in paarden is opgegroeid.

In dit geval heeft eiser ook geen gezondheidsverklaring ontvangen en hij heeft bij aflevering ook niet om zo’n verklaring gevraagd. Eiser heeft evenmin een garantie bedongen of een gezondheidsvoorbehoud gemaakt.

Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat eiser het van hem als koper te vergen onderzoek heeft verricht, zelfs al zou gedaagde hebben gezegd dat het paard was gekeurd en dat de dierenarts daar 1,5 uur mee bezig is geweest. Het risico van het later ontdekte gebrek berust daarom in beginsel bij eiser en gedaagde is in beginsel niet aansprakelijk voor de als gevolg van het gebrek ontstane schade van eiser.

Indien echter de stelling van eiser juist is dat gedaagde voorafgaande aan de verkoop aan eiser wist of had moeten weten dat het paard een zodanig gebrek had, dat het niet bereden kon worden, dient anders te worden geoordeeld. In dat geval is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat gedaagde zich zou kunnen beroepen op het achterwege blijven van voldoende onderzoek door eiser.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door gedaagde zal eiser overeenkomstig zijn aanbod -en om proceseconomische redenen reeds thans- worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling.

6. Indien eiser slaagt in het onder 5.5 bedoelde bewijs, komt daarmee vast te staan dat sprake is van een aan gedaagde toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een op haar rustende verplichting uit de koopovereenkomst.

Als eiser niet slaagt in het onder 5.5 bedoelde bewijs zullen de vorderingen tot vergoeding van de schade worden afgewezen.

6. De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen:

beveelt beide partijen in persoon, vergezeld door hun raadslieden, op woensdag 29 november 2000, van 13.15 tot 14.30 uur, te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter-commissaris mr. L.J. Saarloos, teneinde zich uit te laten over het aantal en de persoon van de mogelijk te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen en met de rechtbank te overleggen over het verdere verloop van de procedure, terwijl gedaagde zich dient uit te laten of zij (tevens) getuigenbewijs wenst te leveren;

laat gedaagde toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de stelling dat het paard ten tijde van de verkoop aan eiser leed aan een gebrek, zoals vastgesteld door dr. [getuige 2] te Utrecht, waardoor het niet (normaal) bereden kon worden;

laat eiser toe tot het bewijs van zijn stelling dat gedaagde voorafgaande aan de verkoop wist of had moeten weten dat het paard een zodanig gebrek had, dat het niet bereden kon worden;

bepaalt dat de eventuele getuigenverhoren zullen worden gehouden in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter-commissaris mr. L.J. Saarloos, op een dag en tijdstip die na overleg met de procureurs van partijen op voormelde comparitie van partijen zullen worden bepaald.

Dit vonnis is gewezen door mr. Saarloos.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

433