Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2000:AA6715

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-06-2000
Datum publicatie
23-06-2000
Zaaknummer
WET 96/1733-SCR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijking van hoofdregel inzake processuele connexiteit in geval van bijzondere rechtsbeschermingsvoorziening.

Afwijzing verzoek om schadevergoeding i.v.m. polderpeilverlaging.

Ambtshalve oordeel Rechtbank over de ontvankelijkheid van het daartegen gerichte bezwaar; richtinggevend is de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) d.d. 06-05-1997 (LJN AA6762)

Primair besluit wordt door de Rechtbank aangemerkt als zelfstandig schadebesluit. Vaststaat dat de beide peilbesluiten naar het recht op de tijdstippen dat zij werden genomen, o.g.v. de toen geldende Waterstaatswet 1900 waren onderworpen aan de goedkeuring van GS, waarna beroep op de Kroon openstond. Aangezien destijds tegen de beide peilbesluiten en het besluit van GS omtrent de goedkeuring geen beroep bij de bestuursrechter openstond, zou zulks, beoordeeld overeenkomstig de door de Afdeling in de uitspraak van 6 april (lees: mei) 1997 uitgezette lijn, gelet op art. 7:1, eerste lid, aanhef, Awb tot de slotsom moeten leiden dat eiser geen (ontvankelijk) bezwaar kon maken tegen het besluit van 16-06-1995. De Rechtbank ziet echter aanleiding in het onderhavige geval tot een andersluidend oordeel te komen. In de uitspraak van de Rechtbank te Zutphen van 10-02-1998 (AB 1998, nr. 227; LJN AA6732) is als nuancering op de hoofdregel van de zogenoemde processuele connexiteit geformuleerd dat de Afdeling met haar uitspraak van 06-05-1997 geen wijziging heeft willen brengen in de jurisprudentie van de voormalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State onder de werking van de inmiddels vervallen Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (hierna: Wet Arob), welke erop neerkwam dat, na bezwaar, beroep bij de bestuursrechter kon worden ingesteld tegen een beslissing op een op beleidsregels gebaseerd verzoek om schadevergoeding. In het onderhavige geval gold evenwel voor het traject van besluitvorming door verweerder en GS op eisers verzoek om schadevergoeding een bijzondere, destijds de toepassing van de Wet Arob uitsluitende, rechtsbeschermingsvoorziening o.g.v. de artikelen 22 en 24 van de voormalige Waterstaatswet 1900. Op het beroep van eiser tegen het besluit van GS van 23-07-1991 is beslist door een administratieve rechter, namelijk de Afdeling (voor de geschillen van bestuur van de Raad van State; toevoeging Justex) ingevolge de Tijdelijke wet Kroongeschillen. Ook in een dergelijke situatie, welke de Rechtbank niet principieel verschillend acht van die waarover de Rechtbank te Zutphen uitspraak heeft gedaan, moet worden aangenomen dat het stelsel van de Awb niet beoogt te bewerkstelligen dat thans geen administratieve rechter meer zou kunnen oordelen over de vervolgprocedure na de vernietiging door de Afdeling (geschillen; toevoeging Justex) van het besluit van GS en het besluit van verweerder. Daarom dient ook in dit geval de hoofdregel van de processuele connexiteit te wijken.

Bezwaarschrift terecht ontvankelijk geacht.

De Verenigde Vergadering van het Waterschap De Brielse Dijkring, verweerder.

mr. drs. Th.G.M. Simons, mrs. C.W.J. Schoor, A.B.J. van der Ham

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: WET 96/1733-SCR

Uitspraak

in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr B.J.M. Veldhoven, advocaat te Amstelveen,

en

de Verenigde Vergadering van het Waterschap De Brielse Dijkring, verweerder, gemachtigde mr H.H. Luigies, advocaat te Rotterdam.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 16 juni 1995, verzonden op 3 juli 1995, heeft verweerder het verzoek van eiser om schadevergoeding in verband met een polderpeilverlaging afgewezen.

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft eiser bij brief van 8 augustus 1995 besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 maart 1996, verzonden op 27 maart 1996, heeft verweerder aan eiser alsnog een schadevergoeding van f 1.300,-- toegekend.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 6 mei 1996 beroep ingesteld.

Bij brief van 10 juli 1996 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 1999. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr R.G.P. Oudenaller, toenmalig kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, met bijstand van H.H. Spruit, secretaris van het Waterschap De Brielse Dijkring.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Bij brief van 11 maart 1999 heeft verweerder enkele nadere stukken ingezonden.

De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 1999. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door ing. P.Th.C. van Oyen, werkzaam bij de Dienst Water en Milieu van de provincie Zuid-Holland. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, met bijstand van prof. ir A.F. van Weele, werkzaam bij het Instituut voor Funderingsexpertise Foundacon B.V. te Gouda.

2. Overwegingen

2.1 Feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Verweerder heeft op 14 maart 1980 een regeling met de volgende inhoud vastgesteld:

"Indien en voor zover blijkt, dat een belanghebbende ten gevolge van de handhaving van het waterpeil zoals dit geschiedt ter uitvoering van een peilbesluit schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, kent de Verenigde Vergadering hem op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. De schadevergoeding kan worden bepaald in geld of op andere wijze.".

Verweerder heeft op 12 december 1980 het peilbesluit Putten vastgesteld. Dit peilbesluit ziet op het bemalingsgebied Putten, waarin de woning van eiser is gelegen. Op 3 september 1982 heeft verweerder voor zover hier van belang dit peilbesluit uitgebreid met de bepaling dat voor elke peilverandering de datum waarop de nieuwe peilen in een bepaald peilgebied worden ingevoerd, nader wordt vastgesteld door dijkgraaf en heemraden.

Bij besluit van 8 maart 1983 hebben gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: GS) de peilbesluiten van 12 december 1980 en 3 september 1982 goedgekeurd.

Bij besluit van 20 juli 1983, goedgekeurd bij besluit van GS van 27 september 1983, hebben dijkgraaf en heemraden de invoeringsdatum van de peilverandering voor onder meer de polder Simonshaven, waarin de woning van eiser is gelegen, gesteld op 1 oktober 1983. Voorts hebben zij bepaald dat de nieuwe peilen zodanig worden ingevoerd dat jaarlijks de peilverandering ten opzichte van het jaar daarvoor maximaal 20 cm bedraagt.

De daadwerkelijke polderpeilverlaging in deze polder vond plaats in november 1983.

Eiser heeft bij brief van 12 oktober 1984 aan verweerder medegedeeld dat als gevolg van verlaging van het waterpeil in november 1983 schade aan zijn huis en schuur is ontstaan door verzakking en het optreden van scheuren. Voorts heeft hij erop gewezen dat in juni 1984 een sloot is verlegd, waardoor het huis verder is verzakt en diepere scheuren zijn ontstaan. Eiser is van mening dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld en heeft erop gewezen dat tevoren geen metingen zijn gedaan of onderzoek is verricht naar de toestand van zijn huis. Hij verzoekt van verweerder te vernemen omtrent beperking dan wel herstel van de door hem gestelde schade.

Bij besluit van 7 december 1984 heeft verweerder het verzoek van eiser, door verweerder aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding op grond van de regeling van 14 maart 1980, afgewezen. Aan deze afwijzing ligt in hoofdzaak ten grondslag dat volgens verweerder niet is aangetoond dat, in aanmerking genomen het korte tijdsverloop tussen de effectuering van een geringe peilverlaging en het optreden van de gestelde ernstige scheurvorming, deze scheurvorming is te wijten aan de eventuele verlaging van de grondwaterstand ter plaatse van de woning van eiser als gevolg van de peilverlaging in de polder Simonshaven ter gedeeltelijke uitvoering van het peilbesluit Putten. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat de demping en verlegging van de sloot achter de woning van eiser in juni 1984 in het kader van eigendomsverhoudingen is uitgevoerd vanwege de Plaatselijke Commissie voor de Ruilverkaveling Voorne-Putten.

Bij brief van 5 januari 1985 heeft eiser op grond van artikel 22 van de toen geldende Waterstaatswet 1900 bij GS vernietiging gevraagd van het besluit van verweerder van 7 december 1984.

Bij besluit van 23 juli 1991 hebben GS het verzoek om vernietiging afgewezen. Aan deze afwijzing ligt ten grondslag dat een onoordeelkundig gebouwde fundering op staal, zoals bij de woning van eiser, in het algemeen een heilzame invloed ondergaat van een polderpeilverlaging. Deze heilzame werking treedt volgens GS echter niet op indien, zoals in dit geval, vroegere schade in de vorm van scheuren is gedicht met harde cementspecie in plaats van plastisch blijvende kit. Alsdan wordt het strekken van het gebouw belemmerd, doordat de scheuren niet smaller kunnen worden. In een dergelijke situatie heeft polderpeilverlaging een ongunstige uitwerking met mogelijk nieuwe schade als gevolg. Volgens GS is het waterschap ook in dit geval door het instellen van een peilverbetering rechtens als directe veroorzaker van de gestelde schade aan te merken en eiser als medeveroorzaker, omdat hij het "natuurlijk" incasseringsvermogen van zijn woning voor de peilverlaging door onoordeelkundig herstel van vroegere schade heeft verspeeld. Er is geen autonome causale relatie tussen de peilverbetering en een fractie van de ontstane schade, maar wel een conditionele. Eiser heeft, aldus GS, zelf de conditie geschapen voor het ontstaan van schade. Formeel valt verweerder wel aan te rekenen dat hij niet heeft overwogen compenserende maatregelen te treffen in de vorm van met name het hooghouden van het peil in de sloten in de directe omgeving van de woning van eiser en dat hij eiser niet heeft geïnformeerd omtrent het risico van schade bij de voorgenomen polderpeilverlaging. Alles afwegende achten GS evenwel onvoldoende termen aanwezig om de afwijzing van de schadeclaim van eiser door verweerder te vernietigen.

Op grond van artikel 24 van de Waterstaatswet 1900 in verbinding met artikel 1 van de toen geldende Tijdelijke wet Kroongeschillen heeft eiser bij brief van 16 augustus 1991 tegen het besluit van GS van 23 juli 1991 bij de toenmalige Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 3 november 1994 heeft de - inmiddels bevoegde - Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het besluit van GS van 23 juli 1991 en het besluit van verweerder van 7 december 1984 vernietigd. In deze uitspraak heeft de Afdeling ten aanzien van het door GS gemaakte onderscheid tussen een autonome en een conditionele causale relatie opgemerkt dat voor het al dan niet toekennen van schadevergoeding in een geval als dit een oorzakelijk verband is vereist tussen de gedraging - in dit geval het verlagen van het polderpeil - en de schade. Voorts overwoog de Afdeling het volgende:

"De stelling van verweerders dat voor honorering van een claim tot schadevergoeding een autonoom causaal verband moet kunnen worden aangetoond en dat een conditioneel causaal verband hiertoe ontoereikend is, kan de Afdeling niet zonder meer delen. Wanneer aangetoond kan worden dat appellant als medeveroorzaker aangemerkt moet worden, kan overwogen worden tot gedeeltelijke schadevergoeding over te gaan, maar deze situatie biedt op zichzelf geen grond tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding".

Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen, waarbij het verzoek van eiser om schadevergoeding in verband met de polderpeilverlaging opnieuw is afgewezen. Het bezwaar van eiser tegen het besluit van 16 juni 1995 heeft geleid tot het bestreden besluit, waarbij verweerder aan eiser alsnog een schadevergoeding van f 1300,-- heeft toegekend.

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen, nu naar zijn oordeel de toegekende schadevergoeding niet in overeenstemming is met de werkelijk door hem als gevolg van de polderpeilverlaging geleden schade.

2.2 De ontvankelijkheid van het bezwaar

De rechtbank ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag of verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit terecht ontvankelijk heeft geacht.

Voor de beantwoording van deze vraag acht de rechtbank ook in dit geval in beginsel richtinggevend de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 1997 (AB 1997, nr. 229).

Tussen partijen is niet in geschil dat het verzoek om schadevergoeding van eiser is gegrond op de regeling van 14 maart 1980, welke regeling niet op een specifieke wettelijke grondslag berust.

In dit verband wijst de rechtbank erop dat de schadevergoedingsregeling in verband met de uitvoering van een peilbesluit, zoals deze ingevolge het besluit van Provinciale Staten van Zuid-Holland van 21 juni 1984, nader gewijzigd bij besluit van 14 februari 1985 (goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 3 april 1985, nr. 57), in onder meer het Reglement voor het waterschap De Brielse Dijkring (hierna: het Reglement) is opgenomen met de invoeging van artikel 197b van het Reglement, ingevolge het besluit van GS van 21 mei 1985 eerst met ingang van 1 juli 1985 in werking is getreden. Dat tijdstip ligt derhalve na de indiening van het verzoek van eiser en de beslissing daarop van verweerder.

De regeling van 14 maart 1980 is naar het oordeel van de rechtbank te herleiden tot de algemene bevoegdheid tot regeling en bestuur van de huishouding van het waterschap, welke bevoegdheid in artikel 114, eerste lid, van het toen geldende Reglement aan verweerder was toegekend. Het ligt in de rede dat de regeling van 14 maart 1980 naar huidig recht als een beleidsregel zou worden aangemerkt.

Volgens de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 1997 is de schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade die veroorzaakt zou zijn binnen het kader van de uitoefening door dat orgaan van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, ook indien dat verzoek niet op een specifieke wettelijke grondslag is gebaseerd, een publiekrechtelijke rechtshandeling en derhalve een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Nu voorts eiser als oorzaak van de gestelde schade de onmiskenbaar als publiekrechtelijk aan te merken (uitvoering van de) beide peilbesluiten heeft gesteld, dient het primaire besluit dan ook te worden aangemerkt als een zogenoemd zelfstandig schadebesluit.

Vaststaat dat de beide peilbesluiten naar het recht op de tijdstippen dat zij werden genomen, op grond van de toen geldende Waterstaatswet 1900 waren onderworpen aan de goedkeuring van GS, waarna beroep op de Kroon openstond.

Volgens de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 1997 is de algemene dan wel de bijzondere bestuursrechter alleen dan bevoegd te achten tot kennisneming van een beroep tegen een zelfstandig schadebesluit, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Die laatste bevoegdheid van de bestuursrechter dient, zo kan uit uitspraken van zowel de Afdeling als de Centrale Raad van Beroep worden afgeleid, te worden beoordeeld aan de hand van het ten tijde van de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid geldende recht. Aangezien destijds tegen de beide peilbesluiten en het besluit van GS omtrent de goedkeuring geen beroep bij de bestuursrechter openstond, zou zulks, beoordeeld overeenkomstig de door de Afdeling in de uitspraak van 6 april 1997 uitgezette lijn, gelet op artikel 7:1, eerste lid, aanhef, van de Awb tot de slotsom moeten leiden dat eiser geen (ontvankelijk) bezwaar kon maken tegen het besluit van 16 juni 1995, zodat zou moeten worden geoordeeld dat verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte ontvankelijk zou hebben geacht.

De rechtbank ziet echter aanleiding in het onderhavige geval tot een andersluidend oordeel te komen.

In de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 10 februari 1998 (AB 1998, nr. 227) is, met verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 1 augustus 1997 (AB 1998, nrs. 37 en 38) als nuancering op de hiervoor weergegeven hoofdregel van de zogenoemde processuele connexiteit geformuleerd dat de Afdeling met haar uitspraak van 6 mei 1997 geen wijziging heeft willen brengen in de jurisprudentie van de voormalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State onder de werking van de inmiddels vervallen Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (hierna: Wet Arob), welke erop neerkwam dat, na bezwaar, beroep bij de bestuursrechter kon worden ingesteld tegen een beslissing op een op beleidsregels gebaseerd verzoek om schadevergoeding.

In het onderhavige geval gold evenwel voor het traject van besluitvorming door verweerder en GS op eisers verzoek om schadevergoeding, zoals dat voorafging aan de uitspraak van de Afdeling van 3 november 1994, een bijzondere, destijds de toepassing van de Wet Arob uitsluitende, rechtsbeschermingsvoorziening op grond van de artikelen 22 en 24 van de voormalige Waterstaatswet 1900. Met de uitspraak van 3 november 1994 staat vast dat op het beroep van eiser tegen het besluit van GS van 23 juli 1991 is beslist door een administratieve rechter, namelijk de Afdeling ingevolge de Tijdelijke wet Kroongeschillen. Ook in een dergelijke situatie, welke de rechtbank niet principieel verschillend acht van die waarover de rechtbank te Zutphen uitspraak heeft gedaan, moet worden aangenomen dat het stelsel van de Awb niet beoogt te bewerkstelligen dat thans geen administratieve rechter meer zou kunnen oordelen over de vervolgprocedure na de vernietiging door de Afdeling van het besluit van GS en het besluit van verweerder.

Naar het oordeel van de rechtbank dient daarom ook in dit geval de hoofdregel van de processuele connexiteit te wijken. Bij gebreke van een bijzondere, andersluidende wettelijke regeling voor het onderhavige geval, geldt vervolgens ook daarvoor het algemene, in de Awb voorziene stelsel van rechtsbescherming. Verweerder heeft derhalve het bezwaar van eiser terecht ontvankelijk geacht.

De rechtbank merkt in dit verband ten slotte nog op dat aan de uitspraken van de Afdeling van 22 februari 2000 (AB-kort 2000, nr. 199) en 24 februari 2000 (H01.98.2036) wellicht zou kunnen worden ontleend dat de Afdeling de processuele connexiteit niet langer beoordeelt naar het recht ten tijde van het schadeveroorzakende handelen, maar naar het thans geldende recht. Voor zover dat inderdaad het geval mocht zijn, leidt zulks echter niet tot een andere dan de hiervoor getrokken conclusie.

2.3 Het verzoek om schadevergoeding

Het bestreden besluit, waarbij aan eiser een schadevergoeding van f 1300,-- is toegekend, berust op het advies van de Commissie voor de voorbereiding van de beslissing op bezwaren (hierna: de Commissie) van 23 februari 1996. In dit advies heeft de Commissie op blz. 8 onder 6.2.3 het volgende overwogen:

"Wij zijn van oordeel, dat niet is aangetoond dat de scheurvorming te wijten is aan de peilverlaging. Voorts is naar onze mening evenwel niet geheel boven iedere twijfel verheven, dat de scheurvorming niet mede door de peilverlaging is veroorzaakt dan wel dat dit in het algemeen niet tot de mogelijkheden behoort.".

De Commissie baseert zich daarbij op een tweetal rapporten van prof. ir A.F. van Weele van 29 mei 1995 en 11 oktober 1995, een rapport van Grondmechanica Delft van augustus 1986 en een rapport van G.O. van Zalingen van 5 april 1982.

In het rapport van Grondmechanica wordt in de samenvatting (blz. 19-20) onder meer gesteld dat de peilverlaging van 1983 aan het woonhuis zelf en aan de schuur geen en aan de uitbouw aan de achterzijde van het woonhuis alleen zeer lichte scheurvorming kan hebben toegebracht. Er wordt op gewezen dat andere schadeoorzaken, waaronder scheurvorming vóór de in geding zijnde peilverlaging, de overhand hebben, hetgeen het bepalen van de werkelijke schade bemoeilijkt. De verklaring voor de grote scheefstand en scheurvorming van de bebouwing moet worden gezocht in onvoldoende fundering in combinatie met ongelijkmatige funderingsdrukken, aldus dit rapport. Ten slotte wordt gewezen op vermoedelijke constructieve schade aan de uitbouw van het woonhuis als gevolg van het dempen van de sloot aan de noordkant van de bebouwing.

In het rapport van Van Weele van 29 mei 1995 komt als zijn visie naar voren dat maatgevend voor extra zakking van het erf en de panden van eiser niet het polderpeil maar de stand van het grondwater onder zijn erf is. De polderpeilverlaging bedroeg in 1984 en 1985 tot aan het najaar tussen 5 en 25 cm., welke als gevolg van de bodemgesteldheid ter plaatse slechts heel langzaam kon doordringen onder het erf. De gestelde scheurvorming is aldus niet aantoonbaar veroorzaakt door de peilverlaging in 1984 en 1985, maar door de ondiepe fundering op de bovenzijde van laag slap veen, waardoor het pand meer dan 40 cm. is gezakt en in de loop der tijd ongeveer 20 cm. zakkingsverschil heeft opgelopen. In het rapport van Van Weele van 11 oktober 1995 wordt gesteld dat de totale zakking van het pand in de periode 1928-1984 ten minste ongeveer 400 mm. en volgens de provincie 447 mm. heeft bedragen, en zijn als het aandeel van de peilverlaging waarden genoemd van 2,6 mm. volgens de meetmethode van Schothorst en ten hoogste 15 mm. volgens de provincie. In een nader rapport van 15 februari 1996 komt van Weele naar aanleiding van commentaar op zijn eerdere rapporten van de zijde van de provincie tot bepaling van de extra zakking op 4,5 mm., afgerond 5 mm., hetgeen 1,25% is van de totaal berekende zakking van ten minste 400 mm. in de genoemde periode.

Op basis van deze vaststelling en op basis van de totale schade aan de panden van eiser, die op blz. 48 e.v. van het rapport van ing. P.Th.C. van Oyen van juli 1989 is berekend op f 82.000,-- als gevolg van de peilverlaging van 1983, de slootdemping in 1984 en de slootpeilverhogingen in 1985-1986 (schade huis: f 65.000,--; schade schuur en tussenbouw: f 17.000,-- op basis van een taxatierapport uit december 1988), is de schade door de Commissie berekend op f 1025,--, hetgeen na indexering en afronding uitkomt op f 1300,--.

Eiser heeft in bezwaar en beroep zijn verzoek om schadevergoeding in hoofdzaak gebaseerd op het, in het kader van de behandeling door GS van het verzoek van eiser om vernietiging van het besluit van verweerder van 7 december 1984 uitgebrachte, rapport van Van Oyen. In dit rapport wordt gesteld dat vroegere zware scheurvorming in de woning in 1982 is hersteld door dichtzetten van forse scheuren met harde (cement)specie, waardoor de natuurlijke flexibiliteit van het gebouw ten aanzien van het heilzame strekkend effect van polderpeilverlagingen verloren ging, met alle schadelijke gevolgen vandien, onder andere bij de polderpeilverlaging in 1983 en de slootdemping. In dit rapport wordt de schade aan de woning van eiser als gevolg van de peilverlaging vervolgens berekend op f 32.225,--.

Ter zitting van 7 december 1999 heeft eiser, die overigens in de loop van de procedure telkens andere schadebedragen heeft genoemd, desgevraagd aangegeven dat hij zich wat de hoogte van zijn claim betreft aansluit bij het in het rapport van Van Ooyen berekende bedrag van f 32.225,--, vermeerderd met de wettelijke rente.

De rechtbank stelt voorop dat de door eiser genoemde schade als gevolg van de ook in de verschillende rapporten als mogelijke (gedeeltelijke) schadeoorzaak vermelde slootdemping in 1984 buiten het bestel van deze procedure valt, omdat deze demping een feitelijk handelen betreft ter uitvoering van een ruilverkaveling en niet (mede) inhoudt een uitvoeringshandeling van de eerdere peilbesluiten van verweerder uit 1980 en 1982.

De rechtbank is voorts van oordeel dat in het algemeen in aangelegenheden als deze, waarin een belanghebbende stelt schade te ondervinden als gevolg van de uitvoering van peilbesluiten, de gestelde schade en het vereiste oorzakelijk verband door de belanghebbende in redelijke mate aannemelijk moet worden gemaakt. Dat geldt temeer naarmate de gestelde schadeoorzaak, zoals in dit geval, verder in het verleden is opgetreden. Tegelijkertijd staat vast dat verweerder in dit geval om hem moverende redenen ervan heeft afgezien om voor het nemen van de peilbesluiten en/of de uitvoering daarvan rapport op te maken van de toestand van de panden in het betrokken gebied, waaronder die van eiser. Voor zover hier sprake is van een verzuim aan de zijde van verweerder, heeft dit geen gevolg voor de inmiddels rechtens onaantastbare (goedkeuring van de) meergenoemde peilbesluiten. De vraag of dit nalaten van verweerder gevolgen heeft voor de verdeling van de bewijslast in deze zaak, kan de rechtbank onbeantwoord laten. Zij overweegt daartoe dat op grond van al de rapporten waarop beide partijen zich beroepen, (enig) oorzakelijk verband tussen de peilverlaging en de gestelde schade, ondanks het feit dat ook andere schadeoorzaken zijn gesteld en deze ook de rechtbank niet onaannemelijk voorkomen, op zijn minst niet kan worden uitgesloten. Een andere conclusie ligt ook al in verband met het besluit van GS van 23 juli 1991 en in het bijzonder de uitspraak van de Afdeling van 3 november 1994 niet in de rede. De rechtbank merkt hierbij voorts op dat de onder meer ter zitting van 7 december 1999 door de gemachtigde van eiser betrokken stelling dat voor de polderpeilverlaging in 1983, behoudens lichte schade als gevolg van seismografisch onderzoek van Amoco in 1982 - welke overigens direct is hersteld - nimmer scheuren, verzakking of scheefstand zijn opgetreden, niet wordt ondersteund door de bevindingen in het rapport van Van Oyen.

Wat betreft de rapporten van Van Weele is ter zitting van 7 december 1999 desgevraagd door hem niet ontkend dat het daarin berekende aandeel van de in geding zijnde peilverlaging in de totale zakking van de panden van eiser in de loop van de tijd uitsluitend de uitkomst was van een rekenkundige benadering. Daarbij is geen rekening gehouden met de vraag of in de reeks van oorzaken van opgetreden zakkingen enige oorzaak op enig moment, mede ook gelet op al eerder opgetreden zakkingen, meer dan alleen haar rekenkundig gewicht in de schaal zou kunnen leggen. Anderzijds is naar het oordeel van de rechtbank in het rapport van Van Oyen en zijn reacties van 2 augustus 1995 en 17 januari 1996 op de rapporten van Van Weele onvoldoende aandacht besteed aan de door Van Weele besproken relatie tussen peilverlaging en concrete grondwaterstand onder het erf van eiser en het door hem genoemde feit dat een rapport van Schothorst uit 1976 waaruit van Oyen in zijn reactie van 2 augustus 1995 enkele rekenregels heeft aangehaald, betrekking had op veenweidegebieden, welke niet vergelijkbaar zijn met het gebied waarin de in geding zijnde peilverlagingen zijn doorgevoerd.

Mede gelet op deze vaststellingen ten aanzien van de rapporten van Van Weele en Van Oyen en in aanmerking genomen dat door het grote tijdsverloop het exacte aandeel van de peilverlagingen in de aan de panden van eiser opgetreden schade thans niet of nauwelijks meer is vast te stellen, kan niet worden uitgesloten dat het aan de peilverlaging toe te rekenen aandeel in de schade aan de woning van eiser wel degelijk groter is dan Van Weele heeft berekend en tegelijkertijd toch lager moet worden gesteld dan Van Oyen in zijn rapport van juli 1989 heeft aangegeven.

Gelet op al het hiervoor overwogene en in aanmerking genomen dat het bestreden besluit in hoofdzaak steunt op de in het kader van de primaire besluitvorming en de behandeling van het bezwaar van eiser uitgebrachte rapporten van Van Weele, komt de rechtbank tot de slotsom dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, eerste volzin, van de Awb te worden vernietigd.

Verweerder zal een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Die beslissing dient te worden genomen overeenkomstig de in artikel 7:10 van de Awb opgenomen regeling inzake de beslistermijn, waarbij de eerste dag van die termijn dient te worden gesteld op de dag na die waarop overeenkomstig artikel 8:19, eerste lid, van de Awb een afschrift van deze uitspraak aan partijen is gezonden.

De rechtbank merkt nog op dat de toe te kennen schadevergoeding in elk geval niet lager dient te worden vastgesteld dan op het gemiddelde van de bij het bestreden besluit toegekende vergoeding van f 1300,-- en het door Van Oyen berekende bedrag van f 32.225,--.

De rechtbank tekent met betrekking tot de wettelijke rente aan dat eerst in het aanvullend beroepschrift van 18 november 1991 tegen het besluit van GS van 23 juli 1991 door eiser een redelijke rentevergoeding is gevorderd vanaf de datum waarop om schadevergoeding is verzocht, te weten 12 oktober 1984. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit verzoek, gelet op alle overige gedingstukken waarin de (hoogte en reikwijdte van de) gevraagde schadevergoeding wordt besproken, redelijkerwijs te worden begrepen als een vordering in rechte van de wettelijke rente. Voorts is in deze zaak, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 november 1994 en deze uitspraak, in wezen aan de orde een voortzetting door verweerder van de tekortkoming die is gelegen in onrechtmatig bevonden besluitvorming van vóór 1 januari 1992. Dit laatste doet het - gelet op het stelsel van de Overgangswet NBW - aangewezen zijn voor de periode tot 1 januari 1992 aan te sluiten bij artikel 1286 van het Burgerlijk Wetboek (oud), hetgeen meebrengt dat de wettelijke rente ingaat op 18 november 1991. Uit de toepasselijkheid van het oude recht vloeit tevens voort dat, gelet op artikel 1287 van het Burgerlijk Wetboek (oud), in dit geval geen rente op rente is verschuldigd. Ten aanzien van de periode vanaf 1 januari 1992 ligt het in de rede aansluiting te zoeken bij artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek. Dit houdt in dat de berekening van de wettelijke rente vanaf 1 januari 1992 dient te geschieden over het bruto bedrag van de door verweerder toe te kennen schadevergoeding, welke telkens na afloop van het jaar waarover de wettelijke rente wordt berekend, wordt vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar tevens een besluit neemt omtrent de wettelijke rente.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op f 3195,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (wegingsfactor 1,5). Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak,

bepaalt dat het Waterschap De Brielse Dijkring aan eiser het door hem betaalde griffierecht van f 200,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van f 3195,-- en wijst het Waterschap De Brielse Dijkring aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr drs Th.G.M. Simons als voorzitter en mr C.W.J. Schoor en mr A.B.J. van der Ham als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr P. Hirschhorn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2000.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.