Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2000:AA6186

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-06-2000
Datum publicatie
22-12-2003
Zaaknummer
10.162071/99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10.162071/99

Datum uitspraak: 13 juni 2000

Tegenspraak

VONNIS

van de ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM, meervoudige economische kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

A.V.R. -Chemie C.V.,

gevestigd te 3197 KK Rotterdam, Professor Gerbrandyweg 10,

verder te noemen verdachte vennootschap.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 en 30 mei 2000.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte vennootschap is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding onder bovenvermeld parketnummer. Van deze dagvaarding is een kopie in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd 1A tot en met 1C).

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Kaptein heeft gerekwireerd - zakelijk weergegeven - de bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde en de veroordeling van de verdachte vennootschap tot een geldboete van ƒ15.000,-. Daarnaast heeft zij openbaarmaking van het rechterlijk vonnis door publicatie in de landelijke dagbladen gevorderd.

DE GELDIGHEID VAN DE INLEIDENDE DAGVAARDING TEN AANZIEN VAN FEIT 2

In het licht van het verhandelde ter terechtzitting - onder meer de tot het dossier behorende fax van

22 december 1997 - is hetgeen de verdachte vennootschap wordt verweten onvoldoende duidelijk feitelijk omschreven, zodat de dagvaarding in zoverre nietig is.

BEWEZEN

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte vennootschap het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als vermeld in de hierna ingevoegde bijlage (bladzijden genummerd 1D en 1E), die van dit vonnis deel uitmaakt.

Hetgeen onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte vennootschap moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte vennootschap daardoor niet geschaad in de verdediging.

BEWIJS

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte vennootschap het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezen feit levert op:

overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer,

strafbaar gesteld bij artikel 1a, onder 1° van de Wet op de economische delicten, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE VENNOOTSCHAP

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte vennootschap uitsluiten. De verdachte vennootschap is strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAF

De straf die aan de verdachte vennootschap wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte vennootschap, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ten aanzien van het bedrijf Afvalverwerking Rijnmond, hierna te noemen AVR, zijn in het totaal zestien ernstige overtredingen van de milieu- en de arbeidsomstandighedenwetgeving bewezen verklaard. Twaalf

daarvan komen voor rekening van de houdstermaatschappij zelf, N.V. Afvalverwerking Rijnmond, één moet worden toegerekend aan een der dochtermaatschappijen AVR-Chemie C.V., één aan een andere dochter, AVR-Afvalverwerking N.V. en twee aan weer een andere dochtermaatschappij, AVR-Maritiem B.V..

De werkzaamheden van AVR bestaan uit de verwerking - via verbranding - van afval in de ruimste zin van het woord. Naast betrekkelijk onschuldig huishoudelijk afval wordt binnen het bedrijf ook gevaarlijk tot zeer gevaarlijk afval ingezameld, opgeslagen en verwerkt.

Het bedrijf voert zijn werkzaamheden uit in het Rotterdamse Botlekgebied, op locaties die omringd zijn door woonkernen. Het bedrijf beschikt over een uitgebreide en gedetailleerde vergunning, gebaseerd op de Wet milieubeheer en het is met grote regelmaat voorwerp van controles door instanties als DCMR, de milieu-inspectiedienst in het Rijnmondgebied.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat AVR zich in de bewezenverklaarde periode niet in alle opzichten veel gelegen liet liggen aan de bijzondere aspecten die zijn bedrijfsvoering en de situering van het bedrijf met zich meebrengen. Meermalen is gebleken dat na de constatering dat één of meer vergunningvoorschriften niet waren nageleefd, bij een vervolgcontrole onvoldoende aandacht was geschonken aan verbetering van de geconstateerde fouten en tekortkomingen. Daarnaast is het de rechtbank opgevallen dat meer dan eens vergunningvoorschriften werden uitgelegd op een wijze die er eerder op gericht lijkt de mazen van de regelgeving op te zoeken, dan dat te goeder trouw gepoogd wordt zo nauwgezet mogelijk de desbetreffende voorschriften, die tenslotte zijn opgelegd ter bescherming van de omgeving van het bedrijf in de ruimste zin van het woord, na te leven.

De thans bewezen misdrijven geven een veelomvattend en daardoor op onderdelen vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezien, onthutsend beeld van de gevoerde bedrijfsvoering. Deze overtredingen variëren van arbeidsongevallen, opslag van gevaarlijke stoffen op onvergunde plaatsen, onjuiste verwerking van opgeslagen gevaarlijke stoffen in de administratie, overschrijdingen van emissiewaarden, het onklaar maken van meetinstrumenten, het bewust opnemen van te lage en dus onjuiste meetresultaten in rapportages en lozingen van gevaarlijke of verontreinigende stoffen in het oppervlaktewater.

Met betrekking tot het delict dat AVR-Chemie C.V. moet worden aangerekend, moet nog het volgende worden opgemerkt.

Ten laste van deze vennootschap is bewezen verklaard dat zij opzettelijk tijdelijk gevaarlijke stoffen in emballage heeft opgeslagen op een locatie die daar niet voor was bestemd, namelijk een parkeerplaats voor vrachtwagens.

Dit is een ernstig feit.

De vennootschap heeft door gevaarlijke stoffen niet op de daarvoor speciaal ingerichte zogenaamde CPR-vloer op te slaan, onnodig het risico genomen dat de gezondheid van mensen in gevaar kon komen en dat er schade zou ontstaan voor het milieu. De kans dat er een ongewenste gebeurtenis zou optreden was zeker niet ondenkbeeldig, gelet op het feit dat de gevaarlijke stoffen waren opgeslagen op een parkeerplaats voor vrachtwagens en het derhalve mogelijk was dat deze gevaarlijke stoffen door een vrachtwagen zouden worden geraakt, met alle gevolgen van dien.

De rechtbank rekent de verdachte vennootschap dit feit te meer aan nu de vennootschap er al eerder door de DCMR op was geattendeerd dat deze situatie niet meer geaccepteerd zou worden. De vennootschap heeft hierop echter geen actie ondernomen en heeft de ongewenste situatie in stand gehouden terwijl er voorzieningen voorhanden waren, namelijk opslag bij derden, om de opslag van de gevaarlijke stoffen op daarvoor niet bestemde plaatsen te voorkomen.

In het voordeel van de verdachte rechtspersoon houdt de rechtbank bij de bepaling van de hoogte van de straf rekening met het feit dat de rechtspersoon niet eerder is veroordeeld. De rechtbank acht derhalve het opleggen van na te melden geldboete passend en geboden.

Mede gelet op de negatieve publiciteit die AVR ter zake van deze strafrechtelijke procedure reeds heeft ondervonden en die welke het bedrijf door dit vonnis nog zal ondervinden, ziet de rechtbank af van het opleggen van de door de officier van justitie gevorderde bijkomende straf van openbaarmaking van de uitspraak.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is behalve op de reeds genoemde artikelen gegrond op de artikelen 23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2, eerste lid en 6, eerste lid, aanhef en onder 1° van de Wet op de economische delicten.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft het onder 2 ten laste gelegde;

verklaart de dagvaarding voor het overige geldig;

verklaart bewezen, dat de verdachte vennootschap het onder 1 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte vennootschap onder 1 primair meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte vennootschap daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte vennootschap strafbaar;

veroordeelt de verdachte vennootschap ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit tot een geldboete van ƒ15.000,00 (zegge: VIJFTIENDUIZEND GULDEN).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. van Klaveren, voorzitter, en mrs. Hofmeijer-Rutten en Geeve, rechters, in tegenwoordigheid van Kouwenhoven, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 juni 2000.