Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2000:AA5908

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-01-2000
Datum publicatie
21-01-2000
Zaaknummer
APV 98/929-DLD
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:82
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: APV 98/929-DLD

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr P. de Jonge

en

het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis, verweerder,

gemachtigde: mr D.C. Vissers.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 13 maart 1997 heeft eiser bij verweerder vergunning aangevraagd om op donderdag en vrijdag bij de ingang Kimbellplein van het winkelcentrum "De Struytse Hoeck" standplaats in te nemen voor de straathandel in [product].

Bij besluit van 2 oktober 1997 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 6 november 1997 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 april 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit van 2 oktober 1997 gehandhaafd.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 11 mei 1998 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 23 juli 1998 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 1999. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr R.M. van den Brand.

2. Overwegingen

Ingevolge het bepaalde in artikel 87, zesde lid, van de Algemene Politieverordening, vastgesteld door de raad van de gemeente Hellevoetsluis op 24 maart 1994 (hierna: de APV), kan een vergunning tot het innemen van een standplaats als door eiser gevraagd worden geweigerd:

"a. in het belang van de openbare orde;

b in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

c. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;

e. wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgings niveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;

f. vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan."

Verweerder heeft op basis van het in hoofdzaak met artikel 87 APV overeenstemmende artikel 239 van de voordien geldende Algemene Politieverordening Hellevoetsluis in 1992 een notitie over het standplaatsenbeleid opgesteld, die door de raad in zijn vergadering van 19 november 1992 is vastgesteld: de "Deelnotitie Standplaatsen beleid" (hierna: de Deelnotitie).

Eisers vergunningaanvraag, die betrekking heeft op een standplaats op de toegang naar het winkelcentrum "De Struytse Hoeck" is op basis van de beleidskeuzes zoals neergelegd in de Deelnotitie afgewezen.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld, dat verweerder de weigering van de vergunning concreet zou moeten onderbouwen en zou moeten aantonen, dat het uiterlijk aanzien van de gemeente op de bewuste locatie door de door hem in te nemen standplaats daadwerkelijk geschaad wordt en dat de bezoekersstroom door de standplaats daadwerkelijk belemmerd zou worden.

Eiser vindt voor zijn standpunt steun in de - partijen bekende - uitspraak van de rechtbank van 22 maart 1996, AWB 94/3510-F1, waarin een eerder besluit van verweerder ten aanzien van een andere straathandelaar dat ook gebaseerd was op het beleid neergelegd in de Deelnotitie, wegens het ontbreken van een kenbare en draagkrachtige motivering vernietigd werd.

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de beantwoording van de vraag of de Deelnotitie geacht kan worden beleidsregels in te houden als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en heeft daartoe overwogen dat de vaststelling van de Deelnotitie dateert van voor de inwerkingtre ding van de Awb en de Gemeente wet per 1 januari 1994. Daarenboven voldoet de Deelnotitie niet aan de vereisten van artikel 148 van de Gemeentewet, waarin wordt bepaald dat de beleidsregels worden vastegelegd in een verordening die als zodanig is bekend gemaakt.

De consequentie van deze vaststelling is dat het bepaalde in artikel 4:82 van de Awb niet van toepassing is, zodat ter motivering van een op de Deelnotitie gebaseerde beslissing niet met een enkele verwijzing naar de Deelnotitie volstaan kan worden

Dit laat echter naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat het beleid zoals in de Deelnotitie is uiteengezet moet passen binnen het kader dat in de APV voor de beoordeling van standsplaatsaanvragen is vastgelegd. Dit houdt tevens in dat in het onderhavige geval in concreto moet worden aangegeven, waarom tegen de verlening van de gevraagde vergunning op grond van de in artikel 87, zesde lid, van de APV genoemde gronden bezwaar bestaat.

De rechtbank overweegt, dat in de Deelnotitie met betrekking tot locaties het volgende wordt opgemerkt:

" Het huidige winkelcentrum de Struytse Hoeck wordt op dit moment uitgebreid. Sprake is van een kwalitatief hoog winkelaanbod. Daarnaast worden voor het bestaande gedeel te plannen ontwikkeld om bij het kwaliteitsniveau van het nieuwe gedeelte aan te sluiten.

....

"Om recht te doen aan het voorgestane kwaliteitsniveau wordt het wenselijk geacht om op de toegangen naar de winkelcentra geen standplaatsen meer toe te wijzen. Bovendien zal de vernieuwing van het winkelcentrum de Struytse Hoeck leiden tot een toename van de bezoekers stroom, zodat ook om deze reden de toegangen zoveel mogelijk worden vrijgehouden.

Onder de toegang(en) van een winkelcentrum wordt verstaan de ruimte vanaf de doorgaande weg tot aan het voetgangersgebied in de winkelcentra. Dit zijn de zogenaamde aanlooproutes naar de winkels.

....

" Aan de locaties worden de volgende eisen gesteld:

- de toegangen naar de winkelcentra moeten vrijblijven van standplaatsen.

- De standplaatsen moeten verschillende branches vertegenwoordigen.

- Ter voorkoming van overlast wordt maximaal een standplaats per locatie uitgegeven voor bakken en braden (exclusief de tijdelijke standplaatsen).

- Binnen een straal van 200 meter van een standplaatslocatie mag geen nieuwe standplaatslocatie ontstaan.

- Nabij het hoofdwinkelcentrum mogen maximaal 4 standplaatsen worden toegewezen (uitgezonderd de tijdelijke standplaatsen).

- Nabij steunwinkelcentra mogen maximaal 2 standplaatsen per locatie worden toegewezen (uitgezonderd de tijdelijke standplaatsen).

- Op de overige locaties mogen maximaal 2 standplaatsen per locatie worden toegewezen.

- Op parkeerplaatsen worden geen standplaatsen toegewezen."

Uit het vorenstaande begrijpt de rechtbank, dat de hier toegepaste aan de Deelnotitie ontleende gemeentelijke beleidskeuze, dat de toegangen van winkelcentra vrij moeten blijven van standplaatsen, gebaseerd is op de criteria, die in artikel 87, zesde lid, van de APV onder c en d worden genoemd, te weten:

c. uiterlijk aanzien : de wens om de kwaliteit van de buiten ruimte van de winkelcentra te handhaven

en

d. verkeersvrijheid : de wens om de bezoekersstromen naar de winkelcentra ongehinderde doorgang te verlenen.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, waar ook foto's van de betrokken locatie getoond zijn, stelt de rechtbank vast dat verweerder zonder tot een concrete beoordeling van de individuele aanvraag te komen, dus zonder zelfs maar exact de door eiser gewenste locatie te bepalen, verlening van de gevraagde straat handelsvergunning voor twee dagen per week als een aantasting van de kwaliteit van de buitenruimte en daarmee van het uiterlijk aanzien van de gemeente heeft aangemerkt.

Dat impliceert, dat straathandel - in welke vorm en op welke tijd ook - op of bij de toegang tot het Kimbellplein altijd als een zodanige aantasting gezien wordt.

Nu de in aanmerking komende locatie uit welstandsoogpunt in redelijkheid niet als van bijzondere betekenis kan worden aangemerkt acht de rechtbank die zienswijze feitelijk niet houdbaar.

Evenmin acht de rechtbank de bewering houdbaar dat het op donderdag en vrijdag innemen van een standplaats in de straathandel ter plekke bij iedere denkbare invulling tot een zo ernstige belemmering van de voetgangersstroom zou leiden, dat om die reden tot weigering van de vergunning besloten zou moeten worden. De rechtbank heeft op basis van het verhandelde ter zitting stellig de indruk, dat er plekken zijn, waar standplaats kan worden ingenomen, zonder dat dit een doorgaande voetgangersstroom noemenswaard zou kunnen hinderen.

Gelet op het vorenstaande moet de rechtbank constateren, dat het bestreden besluit, voorzover steunend op de in de APV genoemde weigeringsgronden, een voldoende concrete feitelijke onderbouwing mist. Het kan dan ook wegens strijd met het motiveringsvereiste, voor de hier aan de orde zijnde situatie neergelegd in artikel 7:12 van de Awb, niet in stand blijven.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op f 1420,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrek king kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak,

bepaalt dat de gemeente Hellevoetsluis aan eiser het door hem betaalde griffierecht van f 210,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van f 1420,- en wijst de gemeente Hellevoetsluis aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr W.E. Doolaard als voorzitter en mrs L.C.P. Goossens en E.I. van den Bos - Boomsma als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr A.J.J. van der Vlist als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2000

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.