Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2000:AA5351

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
WET 97/2695-DLD
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: WET 97/2695-DLD

Uitspraak

In het geding tussen

het Waterschap Land van Nassau, gevestigd te Zevenbergen, eiser

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat, de hoofdingenieur - directeur van de Rijkswaterstaat, directie Zeeland, verweerder.

1. Overwegingen

Bij besluit van 29 februari 1996 heeft verweerder het peilregime voor het Volkerak/Zoommeer vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 april 1996 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 april 1997 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 15 mei 1997 bij de rechtbank te Breda beroep ingesteld.

Het beroepschrift is daar op 20 mei 1997 ontvangen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:8 van de Algemene wet bestuursrecht is de zaak ter behandeling overgedragen aan de rechtbank te Rotterdam, waar het Waterschap Goeree - Overflakkee op 15 mei 1997 tegen hetzelfde besluit beroep had ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 18 augustus 1997 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 1999. Namens eiser waren aanwezig drs P.P.M. Geelen en mr A.M.W.J.H. Merks. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. van Hoek, ir J.A.W. Verweij en B.A. Hitijahubessy.

2. Overwegingen

Verweerder heeft op 25 september 1995 onder andere aan eiser een ontwerppeilbesluit, als bedoeld in artikel 16 van de Wet op de Waterhuishouding (hierna: de WWH), betreffende het Volkerak/Zoommeer toegezonden.

In het kader van de openbare voorbereidingsprocedure ingevolge afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht heeft eiser bij schrijven van 25 oktober 1995 zijn zienswijze terzake kenbaar gemaakt.

Hij heeft erop gewezen, dat de voorgenomen verlaging van het zomerpeil een tijdelijke maatregel zou moeten zijn, waarna teruggekeerd wordt naar NAP. Voorts heeft hij aangegeven, dat de inlaatwerken bij verlaging van het zomerpeil aanpassing behoeven.

De in de aan het ontwerpbesluit ten grondslag liggende beschouwingen over de situatie als het waterpeil in Brabant incidenteel boven de +0,50 m NAP zouden komen heeft hij als te lichtvaardig bestempeld.

Tenslotte heeft hij gewezen op de aan een zomerpeil van -0,10 m NAP verbonden kosten van f 1,2 miljoen gulden, exclusief eventuele consequenties voor hoge peilen, en hij heeft het standpunt ingenomen, dat de kosten voor 100% door het Rijk vergoed zullen moeten worden op grond van de Deltawet.

Verweerder heeft in zijn besluit van 29 februari 1996 met betrekking tot onder andere de door eiser naar voren gebrachte bezwaren overwogen:

" dat de kosten voor herstel waterinlaat (....)door het Rijk op grond van redelijkheid en billijkheid zullen worden vergoed.

Voor overige kosten voortvloeiend uit het peilbesluit zal eenzelfde gedragslijn worden gehanteerd. Met betrekking tot het verlenen van een eventuele schadevergoeding kan overigens worden opgemerkt, dat artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht, respectievelijk artikel 40 van de Wet op de waterhuishouding daartoe de nodige waarborgen biedt. Daarbij bepaalt laatstgenoemd artikel, dat aan degene die als gevolg van het vaststellen van een peilbesluit schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet op an-dere wijze voldoende is verzekerd, op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding wordt toegekend."

en

" Extra afvoer van water in geval van calamiteiten zal middels een in overleg met belanghebbende vast te stellen draaiboek verlopen. In dit draaiboek zal worden vastgelegd onder welke omstandigheden voor wat betreft het peil op het meer en in de West-Brabantse rivieren Rijkswaterstaat over zal gaan tot extra afvoer.

Lopend onderzoek door beheerders geeft mogelijk meer inzicht in de relatie meerpeil - noodpeil Breda".

In het door eiser op 10 april 1996 ingediende bezwaarschrift heeft hij onder andere aangevoerd.

" .. dat bij toepassing van het besluit peilen boven +0,15 m met grotere frequentie zullen optreden dan in het verleden en voorts dat hogere peilen op het meer gevolgen hebben voor de waterstanden op de Brabantse rivieren.

Deze verhogingen baren ons grote zorgen, temeer daar voor het door u inzetten van extra lozingsmiddelen nog geen concrete en bevredigende criteria zijn vastgelegd in overleg met het Hoog-heemraadschap van West-Brabant. Ons belang bij het inzetten van extra lozingsmiddelen is evident. Bij een, aan het peil van Volkerak-Zoommeer gekoppeld peil van het Mark-Vlietsysteem van NAP +0,50 m nabij de gemalen Visvliet, Oude Veer en Oude Prins-landse Polders, is de bemaling van 3300 ha akkerbouwgrond onmogelijk.

Daarnaast heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de financiële compensatieregeling, omdat hij - kort gezegd - meent dat de kosten dienen te worden vergoed op grond van de Deltawet, zodat verweerder ten onrechte verwijst naar de schadevergoedingsregeling op grond van de WWH.

Eiser heeft het bezwaarschrift doen toelichten op een hoorzitting op 21 juni 1996. Hij heeft naast enkele kanttekeningen over andere punten voornamelijk betoogd, dat het vóórkomen van peiloverschrijdingen van 25 cm en meer in het afvoerkanaal van het gemaal Oude Prinslandse Polders al tot zeer ongewenste situaties geleid heeft.

Daaraan voegde hij toe:

" Voorts zal, vanwege het voorkomen van hogere waterstanden, het Hoogheemraadschap van West-Brabant zich eerder genoodzaakt zien een maalstop voor het Mark-Vlietstelsel af te kondigen. De gevolgen van een maalstop voor het ca 13.500 ha grote gebied van het Waterschap Land van Nassau dat loost op het genoemde stelsel zal, afhankelijk van de duur van deze stop, enorm zijn.

en

" Voor wat betreft het voorkomen van deze hoge waterstanden onderschrijven wij de mening van het Hoogheemraadschap van West-Brabant geheel en dient ook naar onze mening de afvoercapaciteit van het Volkerak-Zoommeer in een eerder stadium te worden uitgebreid via de Krammersluizen naar de Oosterschelde."

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder andere het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 augustus 1996 (AB 1996/435) vastgehouden aan zijn stellingname dat de schade op basis van artikel 40 van de Wet op de waterhuishouding zou worden afgewikkeld, waarbij de procedure gevolgd zou worden van de Regeling Nadeelscompensatie Rijkswaterstaat van 19 december 1991.

Met betrekking tot de hoge waterstanden, die in het kader van het bezwaar tegen de peilverhoging naar voren gebracht zijn heeft hij overwogen:

" In overleg met het Hoogheemraadschap West-Brabant wordt een hoogwaterafvoerregeling opgesteld waarin de omstandigheden waaronder overgegaan kan worden tot spuien op andere wateren dan de Westerschelde bij extra hoge rivierafvoeren en daaruit voortvloeiende hoge waterstanden op Mark en het Volkerak/Zoommeer worden omschreven. Hierin wordt vastgelegd onder welke omstandigheden, in welke volgorde en welke lengte per spuiperiode de inzet van extra spuicapaciteit toegestaan wordt. Deze regeling sluit aan bij in het verleden getroffen maatregelen ter voorkoming van calamiteuze situaties."

In het beroepschrift herhaalt eiser zijn standpunt, dat op de vergoeding van te treffen voorzieningen de Deltawet van toepassing is.

Verweerder heeft aan zijn zienswijze in deze vastgehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt het gelijk aan verweerders zijde.

Allereerst merkt zij op, dat in artikel 1 van de Deltawet bepaald wordt, dat ter beveiliging van het land tegen hoge stormvloeden werken worden uitgevoerd, tot afsluiting van zeearmen en daarmee in verbinding staande wateren en tot versterking van hoogwaterkeringen.

Artikel 3, tweede lid, voegt daaraan toe, dat als als gevolg van de uitvoering van de werken bedoeld in artikel 1 van die wet voorzieningen moeten worden getroffen ter aanpassing van bestaande water-staatswerken of nieuwe werken tot stand gebracht moeten worden, zulks geschiedt door de beheerders of degenen, die daartoe uit anderen hoofde verplicht zijn.

Artikel 5 houdt dan een regeling omtrent betaling van de kosten van zulke werken in.

Eiser neemt het standpunt in, dat het hier gaat om een aanpassing van een deltawerk, omdat dit niet geheel naar wens functioneert. Verweerder is van mening, dat het peilbesluit weliswaar betrekking heeft op een situatie, die als gevolg van uitvoering van deltawerk is ontstaan, doch niet als uitvoering van de Deltawet kan worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling, dat het hier om een als gevolg van een deltawerk noodzakelijk geworden voorziening zou gaan niet houdbaar. De Deltawet heeft betrekking op een in beginsel eindig aantal werkzaamheden. Met de voltooiing van die werkzaamheden verliest de wet zijn betekenis. Nieuwe beslissingen over wenselijke aanpassingen van de door de Deltawet tot stand gebrachte toestand vallen niet onder de Deltawet, maar onder de WWH.

Voorzover eiser als gevolg van het peilbesluit schade lijdt welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, is verweerder op grond van artikel 40 van de WWH op zijn ver-zoek verplicht hem een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe te kennen.

Met de aan dit artikel te ontlenen aanspraak, die zonodig in rechte kan worden geëffectueerd, is in voldoende mate gegarandeerd, dat de voor eiser uit het peilbesluit Volkerak/Zoommeer voortvloeiende nadelige gevolgen in de zin van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht niet onevenredig zullen zijn in verhouding tot de met dat besluit gediende doelen.

Eiser heeft daarnaast in het beroepschrift een nader betoog opgenomen over de hoogwaterregeling. Hij stelt:

" In het besluit van 8 april 1997 wordt vermeld, dat in overleg met het Hoogheemraadschap van West-Brabant een hoogwaterafvoerregeling wordt opgesteld waarin de omstandigheden waar-onder overgegaan kan worden tot spuien op andere wateren dan de Westerschelde bij extra hoge rivierafvoeren en daaruit voortvloeiende hoge waterstanden op de Mark en het Volkerak/ Zoommeer worden omschreven. Hierbij wordt voor de wateren in West-Brabant een dreigend noodpeil van N.A.P. +1.70 m bij de trambrug te Breda aangehouden in combinatie met een waterstand op het Volkerak/Zoommeer van N.A.P. +0,15 m of hoger.

De situatie in Breda hoeft echter niet noodzakelijkerwijs samen te gaan met de situatie met betrekking tot het Volkerak/Zoommeer en derhalve het benedenpand van het Mark-Vlietsysteem. Daarom willen wij hier nogmaals benadrukken dat drie gemalen, te weten Visvliet, Oude Veer en Oude Prinslandse Polders bij een peil van het Volkerak/Zoommeer gekoppeld aan het Mark-Vlietsysteem van N.A.P. +0,50 m absoluut niet in staat zijn ca. 3300 ha akkerbouwgrond te bemalen hetgeen tot aanzienlijke schades zal leiden. Om stagnatie van de bemaling te voorkomen is het noodzakelijk om, voor het maximaal inzetten van spui-mogelijkheden op andere wateren dan de Westerschelde, eveneens een noodpeil van N.A.P. +0,30 m voor het benedenpand van het Mark-Vlietsysteem en/of het Volkerak/Zoommeer te hanteren, on-geacht de zich voordoende of dreigende waterstanden te Breda."

Ter zitting is eiser de vraag voorgehouden of en in hoeverre dit betoog geacht kon worden te strekken tot vernietiging van het bestreden besluit, dat in feite niet meer inhoudt dan vaststelling van zomer- en winterpeil van Volkerak/Zoommeer en een verwijzing van financiële claims naar artikel 40 WWH.

Eisers antwoord daarop heeft de rechtbank niet kunnen overtuigen.

Zij komt dan ook tot de conclusie, dat eiser zijn betoog dient in te brengen in het aanhangige overleg over de hoogwaterafvoerregeling, doch dat het aan de houdbaarheid van het hier bestreden besluit niet kan afdoen.

Het beroep van eiser moet nu dan ook ongegrond verklaard worden.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr W.E. Doolaard als voorzitter en mrs T.L. Tan en E.I. van den Bos - Boomsma als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr M. Traousis - van Wingaarden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2000

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.