Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2000:AA5349

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-01-2000
Datum publicatie
27-01-2003
Zaaknummer
VAPV 00/3-GSS VAPV 00/9-GSS
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

President

Reg.nrs.: VAPV 00/3-GSS

VAPV 00/9-GSS

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen

1. A te B,

2. C te D, en

3. E te F, verzoekers,

gemachtigde mr M.P.P.M. Weerts, advocaat te Rotterdam,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 23 april 1997, uitgereikt 16 juli 1997, is aan verzoekers een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam (hierna: APV) verleend voor het exploiteren van een sexclub in het pand aan de […]wal 149 te D, genaamd X.

Op 24 februari 1999 heeft verweerder aan verzoeker 1 nachtontheffing ter zake van vorengenoemde inrichting verleend.

Bij brief van 10 december 1999 heeft de korpschef van de politieregio Rotterdam-Rijnmond de burgemeester van de gemeente Rotterdam verzocht gebruik te maken van zijn bevoegdheid om X gesloten te verklaren voor een periode van 1 jaar en de aan verzoekers verstrekte exploitatievergunning alsmede de aan verzoeker 1 verstrekte nachtontheffing in te trekken.

Bij besluit van 24 december 1999 (hierna: besluit I) heeft verweerder aangaande vorengenoemde inrichting de algehele sluiting met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd bevolen.

Bij besluit van dezelfde datum (hierna: besluit II) heeft verweerder de exploitatievergunning en de nachtontheffing ingetrokken.

Bij brief van 5 januari 2000 heeft de gemachtigde van verzoekers bezwaar gemaakt tegen de besluiten I en II.

Voorts heeft de gemachtigde van verzoekers bij brief van 5 januari 2000 de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van de besluiten I en II.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2000. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, die werd vergezeld door J.W.P. Segeth. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr E. van Lunteren en mr W.A.G. Hillenaar.

2. Overwegingen

2.1 Algemeen

Ingevolge het eerste lid van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Grondslagen van de besluiten

Verweerder heeft, mede gelet op hetgeen daarover ter zitting is verklaard, de intrekking van de exploitatievergunning gebaseerd op de hem bij artikel 2.3.6, vierde lid, onder c en d van de APV gegeven bevoegdheid.

De sluiting van de inrichting heeft verweerder gebaseerd op de hem bij artikel 2.3.7, eerste lid, van de APV gegeven bevoegdheid.

De intrekking van de nachtontheffing is gebaseerd op artikel 2.3.9, vierde lid, van de APV.

Verweerder heeft in (de aanbiedingsbrief van) de bestreden besluiten onder meer - zakelijk weergegeven en samengevat - overwogen dat:

- alle exploitanten en eigenaren van seksinrichtingen bij brief van 13 oktober 1998 door de korpschef in kennis zijn gesteld van de op handen zijnde wetswijziging die zich richt op het opheffen van het bordeelverbod en het verbod op souteneurschap;

- bij de brief van 13 oktober 1998 exploitanten er nadrukkelijk op zijn gewezen dat regelmatig gecontroleerd zal worden of men zich aan de vereiste (horeca)vergunningen houdt. Tevens zal het gedogen dan wel (mede)plegen van strafbare feiten met name op het gebied van mensenhandel, het gelegenheid geven tot prostitutie door minderjarigen en vreemdelingen tot maatregelen leiden;

- verzoekers uitvoerig zijn gewaarschuwd over de gevolgen van de door hen voorgestane wijze van exploitatie;

- dat exploitanten de waarschuwingen van politie en bestuur willens en wetens naast zich neer hebben gelegd en dat een bestuurlijke maatregel in het vooruitzicht is gesteld;

- dat het bevel tot sluiting c.a. is gebaseerd op het verzoek van de korpschef van 10 december 1999 waarbij wordt verwezen naar de bijgevoegde ambtsberichten en waarin de volgende voorvallen worden gerelateerd:

- op 9 december 1997 zijn bij controle 14 illegale dames aangetroffen die noch over een vergunning tot verblijf noch over een vergunning om arbeid in Nederland te verrichten beschikten;

- op 1 maart 1998 zijn wederom 14 illegale dames in de inrichting aangetroffen;

- op 7 april 1998 zijn de exploitanten schriftelijk gewaarschuwd;

- op 23 april 1998 zijn 16 illegale dames in de inrichting aangetroffen;

- op 12 mei 1998 volgt wederom een schriftelijke waarschuwing aan de exploitanten;

- op 2 juni 1998 is de advocaat van exploitanten gewezen op het feit dat verdere overtredingen tot strafrechtelijke en bestuurlijke maatregelen zullen leiden;

- op 4 juni 1998 zijn er 4 illegale dames in de inrichting aangetroffen;

- op 6 oktober 1998 zijn 5 illegale dames in de inrichting aangetroffen;

- op 3 december 1999 zijn wederom 9 illegale dames en een minderjarige dame in de inrichting aangetroffen;

- deze waarschuwingen blijken geen effect te hebben gehad op de door verzoekers voorgestane wijze van exploitatie;

- op 2 november 1999 is de onderneming A&Y Frang Holdings B.V. - bestuurder van X - door de politierechter te Rotterdam veroordeeld tot een geldboete van f 15.000,= ter zake van overtreding van artikel 2, eerste lid van de Wet arbeid vreemdelingen;

- verweerder een beroep op associatieverdragen niet kan volgen nu de aangetroffen dames werkzaam zijn in de prostitutie en illegaal in Nederland waren.

- genoegzaam is gebleken dat de, in de inrichting van verzoekers, aangetroffen dames niet beschikken over een geldige tewerkstellingsvergunning noch dat sprake zou zijn van arbeid als zelfstandige;

- het als houder van een inrichting plegen van strafbare feiten valt onder artikel 2.3.6., vierde lid onder d, van de APV;

- de nachtontheffing staat op naam van A, welke bij controles door de politie nimmer is aangetroffen. Hij heeft erkend dat hij niet vaak in de inrichting aanwezig is. Daarmee wordt een aan de nachtontheffing verbonden voorwaarde overtreden en wordt de inrichting gedurende de nachtelijke uren feitelijk illegaal geëxploiteerd;

- de stelling dat het verhoor van de prostituees niet op de juiste wijze is afgenomen doet niets af aan de inhoud van de verklaringen;

- ten gevolge van de vorengenoemde strafbare feiten wordt de openbare orde op ontoelaatbare wijze aangetast;

- vanwege de gebleken, met prostitutie door illegaal hier te lande verblijvende buitenlandse prostituees gepaard gaande misstanden, de daarmee samenhangende vrouwenhandel en de ongewenste aantrekkingskracht op andere vormen van criminaliteit dient te allen tijde terstond te worden opgetreden;

- gelet op de voorgeschiedenis is de vrees voor herhaling reëel.

2.3 De standpunten van verzoekers

Verzoekers hebben - kort samengevat en gegroepeerd weergegeven - de volgende argumenten aangevoerd tegen de bestreden besluiten en geconcludeerd dat de gevraagde voorziening op basis daarvan verleend dient te worden en de bestreden besluiten geschorst dienen te worden, subsidiair dat de president een zodanige voorziening zal treffen dat verzoekers de exploitatie van de inrichting kunnen hervatten.

2.3.1

Er is niet sprake van strafbare feiten als bedoeld in artikel 2.3.6, lid 4 aanhef en onder d, van de APV omdat:

- geen sprake is van illegaal verblijf en tewerkstelling van vrouwen in de sexclub van verzoekers aangezien de vrouwen voor zover die uit Oost-Europese landen afkomstig waren waarmee associatieverdragen van kracht zijn een rechtstreeks verblijfsrecht kunnen ontlenen aan die verdragen en voorheen geen tewerkstellingsvergunning nodig is omdat ze in het kader van een zelfstandige onderneming werkzaam zijn;

- de aanwezigheid van (zelfs illegaal in Nederland verblijvende) vrouwen in de sexclub geen strafbare feiten oplevert terwijl (bij de laatste controle) niet is aangetoond dat de aanwezige vrouwen in de club werkzaamheden verrichtten en er ook op het onderzoek nog kritiek mogelijk is;

- het tewerkstellen van illegale buitenlandse vrouwen geen toestaan of gedogen oplevert.

2.3.2

Er is niet sprake van strijd met artikel 2.3.6, lid 4 aanhef en onder c van de APV omdat:

- geen sprake is van een concrete bedreiging van woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

- geen sprake is van aanwijzingen voor mensenhandel waarop de waarschuwing van de zijde van verweerder onder meer betrekking had, en

- illegaliteit van prostituees op zich geen effect heeft op de openbare orde.

2.3.3

Er is niet sprake van strijd met artikel 2.3.6, lid 4 aanhef en onder c van de APV omdat:

- geen sprake is van een concrete bedreiging van woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

- geen sprake is van aanwijzingen voor mensenhandel waarop de waarschuwing van de zijde van verweerder onder meer betrekking had, en

- illegaliteit van prostituees op zich geen effect heeft op de openbare orde.

Er is strijd met het motiveringsbeginsel omdat verweerder onvoldoende heeft geantwoord op de verweren betreffende de associatieverdragen en omdat ongemotiveerd is afgeweken van het advies de inrichting te sluiten voor 1 jaar.

2.3.4

Er wordt gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

2.3.5

Er wordt gehandeld in strijd met het proportionaliteitsbeginsel.

2.3.6

Er is sprake van détournement de pouvoir.

2.3.7

De intrekking van de nachtontheffing is strijdig met artikel 2.3.9 van de APV.

2.4 Het oordeel van de president

2.4.1 Het wettelijk kader

De bestreden besluiten, voor zover betrekking hebbend op de exploitatievergunning en de sluiting van de inrichting, zijn met name gebaseerd op artikel 2.3.6, vierde lid, aanhef en onder c en d van de APV.

In artikel 2.3.6, vierde lid aanhef en onder c en d is het volgende bepaald:

"4. De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen:

c. indien aannemelijk is, dat de houder van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

d. indien de houder van de inrichting toestaat dan wel gedoogt, dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd."

Op grond van artikel 2.3.7, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de APV kan de burgemeester een inrichting - al dan niet voor bepaalde duur - gesloten verklaren:

b. indien die inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

c. indien de burgemeester oordeelt, dat een van de in artikel 2.3.6, vierde lid genoemde situaties waarin intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet.

2.4.2 Van belang zijnde feiten en omstandigheden

Bij een controle op 9 december 1997 zijn in de inrichting van verzoekers 14 illegale dames in de inrichting aangetroffen die noch over een vergunning tot verblijf noch over een vergunning om arbeid in Nederland te verrichten bleken te beschikken.

Bij een controle op 23 april 1998 zijn 16 (door verweerder als illegaal bestempelde) dames in de inrichting aangetroffen.

Bij een controle op 11 juni 1998 zijn 4 (door verweerder als illegaal bestempelde) dames in de inrichting aangetroffen.

Bij een controle op 6 oktober 1998 zijn 5 (door verweerder als illegaal bestempelde) dames in de inrichting aangetroffen.

Bij een uitspraak van de economische politierechter van 2 november 1999 is A&Y Frang Holdings B.V. - bestuurder van X- veroordeeld inzake overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen - waarin is bepaald dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

De waarschuwingen waarvan verweerder in zijn aanbiedingsbrief van 24 december 1999 spreekt zijn feitelijk ook aan verzoekers verzonden. Zij betwisten niet die te hebben ontvangen.

Blijkens het proces-verbaal van de districtsrecherche nummer 003/12/1999-85 zijn op 3 december 1999 in X bij een controle een aantal vrouwen aangetroffen. Daaronder was een meerderheid van vrouwen afkomstig uit Litouwen, Slowakije en Tsjechië. Deze vrouwen waren allen meerderjarig. Onder die vrouwen bevonden zich voorts Y, geboren op […] 1970 in Sierra Leone en met de nationaliteit van dat land; Z, geboren op […] 1948 op de Dominicaanse Republiek en met die nationaliteit; W, geboren op […]1970 in Nigeria en V, geboren op […] 1970 in Brazilië, met die nationaliteit; U, geboren […] 1983 in Liberia en met die nationaliteit.

Van deze laatstgenoemde vrouwen heeft in elk geval Y verklaard als prostituee werkzaamheden te verrichten in X terwijl voor Z, W en V op grond van de omstandigheden zoals kleding en plaats van aantreffen, uit het proces-verbaal voorshands volstrekt aannemelijk is dat ook zij in de club werkzaamheden verrichtten als prostituee.

2.4.3 Beoordeling van de verweren

De bevoegdheden van verweerder om de inrichting te sluiten en de exploitatievergunning in te trekken zijn discretionair van aard, hetgeen inhoudt dat verweerder ter zake beleidsvrijheid is gelaten. De gebruikmaking van verweerders bevoegdheden dient door de president terughoudend beoordeeld te worden.

Het op 3 december 1999 aantreffen van de vrouwen zoals hiervoor omschreven is voor verweerder aanleiding geweest tot en, in het licht van de hiervoor ook geschetste geschiedenis, ook dragend element voor de bestreden besluiten. Thans moet aan de orde komen of dat ook terecht is gebeurd.

2.4.4

Ten aanzien van de eerste groep van argumenten van verzoekers (zie onder 2.3.1) laat de president in deze zaak in het midden welke de status is van de vrouwen uit de associatielanden aangezien, zoals hiervoor is weergegeven, voor tenminste 4 andere vrouwen, te weten Y, Z, W en V volstrekt aannemelijk is dat zij daar toen werkzaamheden als prostituee hebben verricht zonder tewerkstellingsvergunning en ook zonder daartoe anderszins de vereiste vergunning te hebben gehad. De president ziet geen enkele reden te twijfelen aan de inhoud van het proces-verbaal.

De president is van oordeel dat daar waar artikel 2.3.6, vierde lid aanhef en onder d, van de APV spreekt van intrekking van de vergunning indien de houder van de inrichting stafbare feiten toestaat of gedoogt, die intrekking a fortiori kan geschieden indien komt vast te staan dat die houder zich zelf schuldig maakt aan het plegen van strafbare feiten.

Op grond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is evident dat sprake is geweest van toestaan, gedogen of plegen van strafbare feiten door verzoekers. Verzoekers wisten dat ook ingevolge de veroordeling van A&Y Frang Holdings B.V. door de economische politierechter op 2 november 1999, waarvan verzoekers kennis hadden. Zij waren meermalen en ernstig gewaarschuwd.

Uit de geschetste geschiedenis blijkt ook dat verweerders vrees voor herhaling zeer reëel geacht moet worden.

2.4.5

Inzake de argumenten hiervoor vermeld onder 2.3.2 overweegt de president het volgende.

Artikel 2.3.6, vierde lid aanhef en onder c van de APV maakt deel uit van hoofdstuk 2 van de APV betreffende openbare orde en veiligheid. Strafbare feiten vormen per definitie een inbreuk op de openbare orde. Hoewel daarmee nog niet is beantwoord de vraag of die strafbare feiten ook een gevaar opleveren in de zin van artikel 2.3.6, lid 4 aanhef en onder c, van de APV, is daarmee de plaats van de bepaling van artikel 2.3.6, lid 4 aanhef en onder d, van de APV afdoende verklaard. Voor zover het thans nog van belang zou zijn faalt het verweer derhalve. De president zal, nu de bestreden besluiten gedragen kunnen worden door het feitenmateriaal dat betrekking heeft op artikel 2.3.6, lid 4 aanhef en onder d, van de APV in het midden laten of sprake is van het hiervoor bedoelde gevaar, en of dat gevaar c.q. de bedreiging van de openbare orde in voldoende concrete zin aannemelijk zijn geworden.

2.4.6

Ten aanzien van de gestelde strijd met het motiveringsbeginsel kan de vraag of voldoende is gerespondeerd op de argumenten betreffende de associatieverdragen buiten bespreking blijven.

Over het afwijken van het gegeven advies heeft verweerder ter zitting verklaard dat verweerder te allen tijde bereid is, indien verzoekers een nieuwe exploitatievergunning aanvragen, zulks in overweging te zullen nemen, ook binnen dat jaar, waarna de sluiting ongedaan gemaakt kan worden om welke redenen een sluiting voor onbepaalde tijd geen zwaardere maatregel oplevert dan een sluiting voor 1 jaar.

Dat standpunt is, zeker in het licht van de omstandigheid dat de exploitatievergunning van verzoekers toch al afloopt medio 2000, verdedigbaar en juist.

2.4.7

Beweerdelijke strijd met het gelijkheidsbeginsel is niet aannemelijk geworden. Verzoekers hebben niet meer gedaan dan vagelijk aangeven dat ook in andere sexclubs illegale vrouwen zouden werken, welke clubs ongemoeid zouden worden gelaten, zonder evenwel feiten aan te dragen of zelfs maar man en paard te noemen.

2.4.8

Van gestelde strijd met het proportionaliteitsbeginsel is geen sprake.

Verweerder heeft ter zake van sluiting van de inrichting gesteld dat verblijf en tewerkstelling van illegale prostituees in een inrichting dienen te worden tegengegaan. Tot sluiting voor onbepaalde tijd is overgegaan om "de loop" naar een inrichting waar vorenstaande plaatsvindt er volledig uit te halen.

De president is van oordeel deze stelling - gericht op de voorkoming van strafbare feiten - de rechterlijke toets kan doorstaan en niet onevenredig is met het beoogde doel in relatie tot de voor verzoekers optredende gevolgen.

2.4.9

Van détournement de pouvoir is geen sprake omdat het tegengaan van strafbare feiten mede behoort tot hetgeen verweerder zich behoort aan te trekken en omdat zoals hierover hiervoor reeds is overwogen strafbare feiten mede behoren tot het domein van de openbare orde.

Ook overigens is niet gebleken van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel, zodat de bestreden besluiten betreffende de intrekking van de exploitatievergunning en de sluiting van de inrichting in bezwaar naar verwachting in stand zullen blijven.

2.4.10

Ten aanzien van besluit II, voor zover het ziet op de intrekking van de nachtontheffing, overweegt de president als volgt:

Een nachtontheffing is gekoppeld aan de houder van een inrichting die een inrichting mag exploiteren. Indien exploitatievergunning wordt ingetrokken komt daarmee de grond voor een nachtontheffing te vervallen.

Nu uit het vorenstaande volgt dat de intrekking van de exploitatievergunning en de sluiting van de inrichting naar het voorlopig oordeel van de president in stand kunnen blijven en verzoekers op die grond de inrichting niet kunnen exploiteren kan derhalve ook de beslissing tot intrekking van de nachtontheffing in stand blijven.

2.4.11

Voor het treffen van een voorlopige voorziening is derhalve geen aanleiding.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de president geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De president,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr L.C.P. Goossens als president.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr S.B.H. Fijneman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2000.

De griffier: De president:

Afschrift verzonden op: