Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2000:AA5018

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-01-2000
Datum publicatie
13-01-2000
Zaaknummer
WOB 97/4300-DLD
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2000/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: WOB 97/4300-DLD

Uitspraak

in het geding tussen

Ohrex International Manufacturing Co, gevestigd te Sao Paulo, Brazilië, eiseres,

gemachtigde: mr M.M. van Leeuwen

en

de staatssecretaris van Financiën, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Salamander A.G., gevestigd te Kornwestheim, Duitsland,

gemachtigde: mr A.A.H. Bruinhof.

1. Ontstaan en loop van de procedure

De douane, district Rotterdam, is naar aanleiding van een op 9 oktober 1995 ingediend verzoek van Salamander AG (hierna: Salamander) overgegaan tot "aanhouding" van een aantal containers, waarvan de lading eigendom was van eiseres.

Bij fax-bericht van 8 november 1995 heeft eiseres verzocht haar een kopie te sturen van de beschikking met betrekking tot de aanhouding en de aanvraag op grond waarvan deze tot stand is gekomen.

Bij fax-bericht van gelijke datum heeft de douane geantwoord dat de containers zijn opgehouden naar aanleiding van een gehonoreerd verzoek op basis van de EG-verordening 3295/94. Tevens is medegedeeld dat aan eiseres gelet op de geheimhoudingsplicht geen informatie wordt verstrekt met betrekking tot de verleende beschikking.

Op 15 december 1995 heeft eiseres nogmaals verzocht om een afschrift van de aanvraag door Salamander AG tot aanhouden van goederen, de daarop genomen beschikking alsmede eventuele verdere op deze zaak betrekking hebbende stukken.

Bij besluit van 28 maart 1996 heeft verweerder het verzoek afgewezen. Bij brief van 8 mei 1996 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 12 juli 1996 is namens verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij brief van is namens eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Bij uitspraak van 8 oktober 1997 heeft de rechtbank, onder gegrondverklaring van het beroep wegens onzorgvuldige voorbereiding het besluit van 12 juli 1996 vernietigd.

Verweerder heeft op 24 november 1997 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 1 december 1997 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij ongedateerde brief, ontvangen 4 februari 1998, een verweerschrift ingediend.

Gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 11 juni 1998 gerepliceerd.

Verweerder heeft bij schrijven van 23 februari 1999 gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 1999. Namens eiseres was haar gemachtigde aanwezig. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.W.J. Swinkels. De derde-partij heeft zich, zoals tevoren aangekondigd, ter zitting niet doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Artikel 10, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) luidde ten tijde hier van belang:

"2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, eerste lid, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

d. inspectie, controle en toezicht door of vanwege bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden."

Bij het bestreden besluit is besloten:

- de aanvraag van Salamander tot attentstelling van de betreffende containers niet openbaar te maken;

- de beschikking van de douane op dat verzoek wel te verstrekken, zij het dat daarin bepaalde informatie gewist is;

- de beschikking van de douane inzake opschorting van de vrijgave wel te verstrekken, zij het dat naam en kenmerk van de geadresseerde daarin zijn gewist.

Voorts is overwogen, dat niet duidelijk is welke andere stukken eiseres ter inzage zou willen hebben.

In dit geding gaat het om de vraag of dat besluit in rechte stand kan houden.

Bij beantwoording van deze vraag kan echter niet voorbijgegaan worden aan hetgeen de rechtbank dienaangaande reeds in haar uitspraak van 8 oktober 1997 heeft overwogen. Nu partijen tegen deze uitspraak geen beroep hebben ingesteld, zijn de dragende overwegingen van die uitspraak tussen partijen in rechte komen vast te staan en kunnen voor het onderhavige geschil niet meer ter discussie gesteld worden.

Dat betekent, dat er in het onderhavige geding vanuit gegaan moet worden, dat:

- het verzoek betrekking heeft op een bestuurlijke aangelegenheid;

- de Wob op deze kwestie van toepassing is;

- uit het bepaalde in artikel 6 van de EG-verordening 3295/94 (de Namaakverordening) juncto artikel 220, eerste lid, van de Wet inzake de Douane slechts voor de bij de uitvoering van die verordening betrokken douaneambtenaren, doch niet voor verweerder als bestuursorgaan een geheimhoudingsplicht kan worden afgeleid;

- het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de Wob, onder c en d, de weigering om de gevraagde stukken ter inzage te geven, niet kan dragen.

Verweerder heeft vastgesteld, dat het verzoek betrekking heeft op drie onderwerpen:

- een kopie van de oorspronkelijke aanvraag van Salamander;

- de beschikking van de Douane naar aanleiding van de aanvraag;

- eventuele andere stukken.

De rechtbank merkt op, dat verweerder haar in de procedure leidend tot haar uitspraak van 8 oktober 1997 met toestemming van eiseres een aantal stukken ter vertrouwelijke kennisneming verstrekt heeft. Het geding heeft ook nu betrekking op die stukken, door de rechtbank te onderscheiden in enerzijds de stukken afkomstig van Salamander en anderzijds de door verweerder opgemaakte stukken.

Het bestreden besluit houdt in een weigering om de van Salamander afkomstige stukken te verstrekken, terwijl de door verweerder zelf opgemaakte stukken in geschoonde vorm wel verstrekt worden.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit de redenering ten grondslag gelegd, dat artikel 220 van de Wet op de Douane, zoals dat ten tijde hier van belang gold, wel van toepassing is, doch dat van de in dit artikel neergelegde geheimhoudingsplicht ontheffing verleend kan en moet worden, als voor geheimhouding in de Wob geen grond gevonden kan worden.

Reeds op grond van hetgeen hierboven is geconstateerd over de status van de in de uitspraak van 8 oktober 1997 neergelegde overwegingen wijst de rechtbank deze zienswijze af.

De rechtbank stelt echter met verweerder vast, dat inhoudelijk voor de houdbaarheid van het nu bestreden besluit beslissend is, of verweerder in het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de Wob een grond kan vinden om eiseres de kennisname van de door haar gevraagde informatie te onthouden.

In het bestreden besluit wijst verweerder het bepaalde onder de letters b, d en g van het genoemde artikellid aan als grond voor de weigering om de van Salamander afkomstige stukken te verstrekken.

Uit het voorgaande vloeit echter voort, dat het bepaalde onder letter d niet meer aan de orde kan zijn. Hetgeen verweerder dienaangaande aangevoerd heeft, moet hier buiten beschouwing blijven.

Verweerder voert aan dat het op de markt brengen van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen de interne markt benadeelt en onrechtmatig is en dat met bestrijding van fraude en namaak van goederen grote financiële en economische belangen van de Staat gemoeid zijn.

Bovendien voert verweerder aan dat Salamander er op mocht en mag vertrouwen dat de door haar aan de douane verstrekte gegevens niet aan derden worden verstrekt; door openbaarmaking zal Salamander in haar rechten, concurrentiepositie en vertrouwen worden geschaad.

De rechtbank overweegt met betrekking tot hetgeen verweerder aldus aan de toepassing van de grond genoemd onder letter b ten grondslag wil leggen, dat niet bepalend is of er een financiëel belang van de Staat gemoeid is met uitvoering van - kort gezegd - de Namaakverordening, doch of met geheimhouding van de hier aan de orde zijnde stukken een financiëel belang gemoeid is. Dat is echter op geen enkele manier aannemelijk geworden.

Met betrekking tot de toepasselijkheid van de grond genoemd onder letter g merkt de rechtbank op, dat zij niet kan inzien, waarom Salamander er op mocht vertrouwen, dat de door haar aan de douane verstrekte gegevens niet aan eiseres ter inzage gegeven zouden worden.

Tegenover het belang van ondernemingen in de positie van Salamander om efficient te kunnen optreden tegen - kort gezegd - namaak van hun goederen staat immers het belang van ondernemingen in de positie van eiseres om zich te kunnen verweren tegen op al te lichtvaardig geuite vermoedens gebaseerde aanhoudingen van goederen.

Daarom kan het niet zo zijn, dat met het enkel wijzen op het belang van Salamander de hier wettelijk aan de orde zijnde belangenafweging geheel voltrokken is.

Het bestreden besluit komt, nu het wel enkel op deze grond gebaseerd is, voor vernietiging in aanmerking.

Verweerder zal wederom op het bezwaar van eiseres dienen te besluiten.

Terzake van de weigering tot openbaarmaking van onderdelen van de beschikkingen van de douane, bestaande uit de inwilliging van het verzoek met attentstelling en de opschorting van de vrijgave, heeft verweerder het bestreden besluit doen steunen op artikel 10, eerste lid, onder f van de Wob.

Bij verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat abusievelijk sub f ten grondslag is gelegd in plaats van sub e. De rechtbank zal ter voorkoming van verdere verlenging van de procedure het bestreden besluit lezen zoals nu door verweerder voorgesteld.

Eiseres heeft aangevoerd, dat haar onduidelijk blijft wat er nu precies gewit is. Verweerder heeft daarop aangegeven, dat het gaat om de naam van de verzoekster, de namen van de betrokken ambtenaren, de naam van het motorschip en de nummers van de containers.

Gelet op het verhandelde ter zitting, stelt de rechtbank vast, dat er op dit punt geen concreet door haar te beslechten geschil meer bestaat.

De rechtbank ziet, gelet op de gegrondverklaring van het beroep voor wat betreft de weigering de van Salamander afkomstige stukken te verstrekken, aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op f 1775,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit, voorzover betrekking hebbend op de geheimhouding van de van Salamander afkomstige stukken,

bepaalt, dat verweerder binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak,

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van f 420,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van f 1755,- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr W.E. Doolaard als voorzitter en mrs T.L. Tan en E.I. van den Bos - Boomsma als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr A.J.J. van der Vlist als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2000.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.