Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:1999:AF0411

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-05-1999
Datum publicatie
07-08-2006
Zaaknummer
99.206 EA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen poging ondernomen om via een minnelijke regeling tot een oplossing te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Rotterdam,

Enkelvoudige kamer

X.

wonende te P.

heeft op 4 mei 1999 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 12 mei 1999.

Bij het verzoekschrift is een verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 sub e Faillissementswet (hierna: Fw) gevoegd, welke niet meer bevat dan de personalia van verzoeker en, met betrekking tot de pogingen tot het treffen van een minnelijke regeling, de mededeling dat een en ander bij Modus Vivendi bekend is en dat de minnelijke regeling niet gelukt is omdat verzoeker zich op advies van een kennis heeft teruggetrokken. Gegevens omtrent verzoekers inkomsten, vaste lasten etc. en omtrent de schuldvorderingen en hun ontstaansgrond ontbreken.

Bij de stukken bevindt zich voorts een aan deze rechtbank gerichte brief d.d. 22 april 1999 van mevrouw G., budgetconsulent van het Projekt Schuldhulpverlening te Schiedam, waarin zij als aanvulling op vorengenoemde verklaring mededeelt dat verzoeker er op stond dat de Verklaring Schuldsanering werd afgegeven en het minnelijk traject niet zal worden gevolgd, waardoor zij niet in staat is de rechtbank de gegevens met betrekking tot inkomsten/uitgaven noch een overzicht van schulden te verstrekken.

Verzoeker zelf heeft ter zitting verklaard dat zijn schulden in totaal circa fl 39.000,00 bedragen. Verzoeker heeft voorts verklaard dat hij niet geprobeerd heeft om via een minnelijke regeling tot een oplossing te komen. Verzoeker heeft in eerste instantie verklaard dat een vriend hem geadviseerd heeft om, in plaats van met de schuldeisers tot een minnelijke regeling te komen, een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen. Verzoeker heeft iets later, zonder enige reden voor deze wijziging op te geven, verklaard dat hij het bovenvermelde advies van een medewerker van Modus Vivendi zou hebben gekregen.

Mede gelet op het feit dat in vorengenoemde verklaring ex artikel 285 lid 1 sub e Fw ook al vermeld staat dat verzoeker zich op advies van een kennis uit het minnelijk traject heeft teruggetrokken, acht de rechtbank de lezing omtrent het advies van de zijde van Modus Vivendi niet geloofwaardig.

Het moet er derhalve voor worden gehouden dat verzoeker zelf het mannelijk traject voortijdig heeft beëindigd zonder dat hiervoor een redelijke grond aanwezig was. Mitsdien is ook niet gebleken dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldsanering te komen. Aangezien in het stelsel van de wet besloten ligt dat, behoudens bijzondere omstandigheden die in casu noch gesteld noch gebleken zijn, die mogelijkheden worden onderzocht en beproefd én dat de schuldenaar hieraan naar vermogen zijn medewerking verleent, alvorens de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing kan worden verklaard, is, nu dit alles achterwege is gebleven, het verzoek reeds om deze reden niet toewijsbaar.

Daarbij komt nog dat de houding en gedragingen van verzoeker zoals deze zijn gebleken uit de stukken en uit de behandeling ter zitting (het voortijdig en zonder redelijke grond staken van het minnelijk traject, het door toedoen van verzoeker ontbreken van een volledige verklaring ex artikel 285 lid 1 sub e Fw, het afleggen van vage en tegenstrijdige verklaringen ter zitting), de gegronde vrees wettigen dat verzoeker tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn daaruit voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.

Het verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling dient derhalve te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Aldus gewezen door mr Buchner, lid van genoemde kamer, en, alvorens schriftelijk te zijn vastgelegd, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.