Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:1999:AA5512

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-12-1999
Datum publicatie
21-12-1999
Zaaknummer
WTV 98/1982-SIMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: WTV 98/1982-SIMO

Uitspraak

in het geding tussen

Dutchtone N.V., gevestigd te Den Haag, als rechtsopvolgster van Federa N.V. (hierna: Federa), eiseres,

gemachtigde mr G.J.M. Cartigny, advocaat te Rotterdam,

en

de staatssecretaris van Verkeer en waterstaat, verweerder,

gemachtigde mr A.B. van Rijn, advocaat te Den Haag,

met als derden-partijen

1. Koninklijke KPN N.V., gevestigd te Amsterdam (hierna: KPN), gemachtigde mr Q.R. Kroes, advocaat te Amsterdam;

2. Libertel N.V., gevestigd te Maastricht (hierna: Libertel),

gemachtigde mr J.M. Luycks, advocaat te Amsterdam.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluiten van 21 november 1997 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) aan respectievelijk KPN en Libertel aanvullende GSM-frequenties toegekend.

Tegen deze besluiten is namens Federa bij brief van 31 december 1997 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 september 1998 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 13 oktober 1998, aangevuld bij brief van 27 november 1998, beroep ingesteld.

Daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld hebben KPN en Libertel als partij aan het geding deelgenomen.

Verweerder heeft bij brief van 21 januari 1999 een verweerschrift ingediend.

Bij beslissingen van 11 maart 1999 en 5 juli 1999 heeft de rechtbank afgewezen verzoeken van respectievelijk Proximus B.V., gevestigd te Den Haag (hierna: Proximus), en Telfort B.V., gevestigd te Amsterdam (hierna: Telfort), om in de gelegenheid te worden gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Bij brief van 14 juni 1999 heeft Libertel een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Vervolgens heeft de rechtbank bepaald dat de zaak ter behandeling wordt gevoegd met de zaak met het reg.nr. WTV 98/1983-SIMO.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 1999. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, met bijstand van M. Adang en mr M. Alberts. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, met bijstand van mr J.M. van der Hoek. De derden-partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun respectieve gemachtigden.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de behandeling van de gevoegde zaken gesplitst.

2. Overwegingen

Met betrekking tot haar beslissingen van 11 maart 1999 en 5 juli 1999 overweegt de rechtbank allereerst als volgt.

Bij brief van 14 oktober 1998 is namens Proximus beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is aangegeven dat Proximus, indien haar beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard, in de gelegenheid wenst te worden gesteld als partij aan het onderhavige geding deel te nemen. Bij brief van 23 november 1998 is dit verzoek namens Proximus nader gemotiveerd. Bij uitspraak van 4 februari 1999 (reg.nr. WTV 98/2002-BB) heeft de rechtbank het beroep van Proximus wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 27 mei 1999 heeft Telfort verzocht in de gelegenheid te worden gesteld als partij aan het onderhavige geding deel te nemen.

Op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de rechtbank tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen. Voor toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb is derhalve - allereerst - nodig dat sprake is van een belanghebbende.

Het bestreden besluit behelst de niet-ontvankelijkverklaring van het namens eiseres gemaakte bezwaar tegen tot respectievelijk KPN en Libertel gerichte - primaire - besluiten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn anderen dan degene(n) tot wie een primair besluit is gericht en de indiener(s) van een daartegen gericht bezwaarschrift in het algemeen geen belanghebbende bij een besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan in de onderhavige gevallen anders zou moeten worden geoordeeld, is de rechtbank niet gebleken. Reeds om die reden kan zowel ten aanzien van Proximus als ten aanzien van Telfort geen toepassing worden gegeven aan artikel 8:26, eerste lid, van de Awb.

Met betrekking tot de vraag of verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van Federa terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard overweegt de rechtbank als volgt.

KPN en Libertel waren en zijn beide houdster van - kort gezegd - een vergunning voor GSM.

Bij besluiten van 21 november 1997 heeft de minister aan respectievelijk KPN en Libertel, in aansluiting op de bij besluiten van de minister van 15 maart 1995 reeds toegekende GSM-frequenties, aanvullende GSM-frequenties toegekend. Gelet op de artikelen 6:7 en 6:8, eerste lid, van de Awb eindigde de bezwaartermijn ten aanzien van de besluiten van 21 november 1997 op 2 januari 1998.

Op grond van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen zoals deze luidde na de inwerkingtreding van de Wet van 26 november 1997 (Stb. 566), houdende wijziging van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen in verband met de invoering van het veilen van schaarse frequenties voor systemen van digitale mobiele telecommunicatie (veilen frequenties mobiele telecommunicatie), de Wet van 26 november 1997 (Stb. 557) tot wijziging van de Wet van 26 november 1997, Stb 566, en de daarop gebaseerde - ministeriële - regelingen is de minister overgegaan tot (het treffen van voorbereidingen voor) een veiling van de beschikbare DCS 1800- en (E)GSM-frequenties.

Bij brief van 24 november 1997 deelde het consortium dat uiteindelijk zou resulteren in de oprichting van Federa, aan de minister mede dat het zich voorbereidde op het verkrijgen van een vergunning voor DCS 1800-frequenties.

De aanvraagprocedure voor toelating tot de veiling nam een aanvang op 1 december 1997. De termijn voor het indienen van een aanvraag eindigde op 7 januari 1998.

Op 24 december 1997 is Federa opgericht.

Federa heeft op 7 januari 1998 een aanvraag ingediend, waarna de minister bij brief van 2 februari 1998 aan Federa heeft bericht dat zij was toegelaten tot de veiling.

Onmiddellijk na de veiling, die plaatsvond van 12 februari 1998 tot en met 26 februari 1998, heeft de minister op 26 februari 1998 aan Federa een vergunning verleend voor DCS 1800-frequenties, gecombineerd met (E)GSM-frequenties.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het op 31 december 1997 namens Federa gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 21 november 1997 niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een voldoende actueel belang. Daartoe is overwogen dat Federa op 31 december 1997 nog geen vergunninghoudster was, terwijl op dat moment voor de minister ook nog niet duidelijk was of Federa een aanvraag om toelating tot de veiling zou indienen. Voorts is overwogen dat deelname aan de veiling geen garantie was voor het verkrijgen van een vergunning. Bij Federa kon dan ook niet meer dan een onzekere toekomstverwachting bestaan dat zij mogelijk een vergunning zou verwerven.

Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Zij is van mening dat de minister door de brief van 24 november 1997 wist, althans rekening had dienen te houden met de mogelijkheid, dat - het latere - Federa een aanvraag zou indienen. Voorts is van belang dat Federa op dat moment al voldeed aan de voorwaarden voor toelating tot de veiling. Derhalve was - ook - ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift wel degelijk sprake van een voldoende actueel belang, zodat verweerder niet tot niet-ontvankelijkheid had mogen concluderen. Subsidiair is eiseres van oordeel dat, nu zij ten tijde van het nemen van de beslissing op het bezwaar vergunninghoudster was, verweerder in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar in elk geval op grond van die actuele situatie niet tot niet-ontvankelijkheid had mogen concluderen.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Daarbij dient volgens vaste jurisprudentie sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, eigen (persoonlijk, individualiseerbaar) en voldoende actueel belang, dat bovendien rechtstreeks bij het desbetreffende besluit is betrokken.

Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 december 1996 (JB 1997, nr. 23) moet er voorts van worden uitgegaan dat de hoedanigheid van belanghebbende (uiterlijk) kan worden verkregen op de dag waarop de bezwaar- of beroepstermijn eindigt.

De rechtbank stelt vast dat Federa noch ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift noch aan het einde van de bezwaartermijn al een voldoende actueel belang had bij de besluiten van 21 november 1997. Op 31 december 1997 en ook op 2 januari 1998 was Federa geen vergunninghoudster en had zij zelfs nog geen aanvraag om toelating tot de veiling ingediend. De enkele, uit de brief van 24 november 1997 blijkende, mogelijkheid dat Federa een aanvraag zou indienen en vervolgens na de veiling wellicht vergunninghoudster - en daarmee concurrent van KPN en Libertel - zou kunnen worden, is niet toereikend om het vereiste voldoende actuele belang te kunnen aannemen. De verwijzing namens eiseres naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juni 1997 (JB 1997, nr. 191) leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat die uitspraak betrekking heeft op het vereiste dat sprake moet zijn van een rechtstreeks bij het desbetreffende besluit betrokken belang, verschilt de feitelijke constellatie die in die uitspraak aan de orde was wezenlijk van de onderhavige situatie.

Ook hetgeen van de zijde van eiseres subsidiair is aangevoerd kan niet worden gevolgd. Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb dient immers in bezwaar allereerst te worden beoordeeld of het bezwaar ontvankelijk is. Alleen indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt het bestuursorgaan toe aan heroverweging van het primaire besluit.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr drs Th.G.M. Simons als voorzitter en mr C.W.J. Schoor en mr W.E. Doolaard als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr A. Gerbrandy als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 december 1999.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiseres wordt begrepen -en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.