Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:1999:AA5041

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-11-1999
Datum publicatie
16-11-1999
Zaaknummer
Gemwt 98/51-DLD
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 175
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1999/312
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: Gemwt 98/51-DLD

Uitspraak

in het geding tussen

Holland Fumigation B.V., gevestigd te Hekelingen, eiseres, gemachtigde: mr M.L. Niemöller

en

de burgemeester van Spijkenisse, verweerder.

1. Ontstaan en loon van de procedure

Bij besluit van 11 april 1997 heeft verweerder aan eiseres bevestigd, dat hij op 2 april 1997 aan twee medewerkers van eiseres op grond van artikel 175 van de Gemeentewet opdracht heeft gegeven bepaalde daar aanwezige stoffen af te laten voeren en toen aan dit bevel niet voldaan werd bevolen heeft afvoer en vernietiging van deze stoffen van gemeentewege te doen plaatsvinden.

Voorts heeft verweerder eiseres bij dit besluit medegedeeld de kosten van de uitoefening van de bestuursdwang, die een bedrag van ongeveer f 90. 000, - zouden belopen, geheel op eiseres te verhalen.

Bij brief van 22 mei 1997 is namens eiseres bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij brief van 10 juni 1997 is eiseres medegedeeld dat de totale kosten van de uitoefening van bestuursdwang zijn gesteld op f 105.382,75.

Bij besluit van 18 november 1997 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) is namens eiseres bij brief van 9 januari 1998, aangevuld bij brief van 27 maart 1998, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 29 mei 1998, verzonden 5 juni 1998, een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 1 april van 1999 en 21 juni 1999 heeft verweerder nadere vragen van de rechtbank beantwoord.

Bij brief van 20 september 1999 zijn namens eiseres nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 1999. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, die zich heeft laten vergezellen door A.M. de Waard, directrice van eiseres, A.F. de Boer, voorheen werkzaam bij de Gemeentelijk Ontsmettingsdienst van de gemeente Rotterdam, en L.C. Buswijller, werkzaam bij de Rijksverkeersinspectie Unit-West.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr I. J. Dorsman, werkzaam bij de gemeente Spijkenisse, die zich heeft laten vergezellen door F.A. Coehoorn en P.C.B. Crooijmans, beiden werkzaam bij de DCMR Milieudienst Rijnmond.

2. Overwegingen

Op 2 april 1997 waren op het terrein van eiseresses bedrijf restanten bestrijdingsmiddelen, waaronder fosfide, opgeslagen. Eiseres was voornemens deze met water en zeep te vermengen en dusdoende te neutraliseren en daarna de restanten via het riool af te voeren.

Eiseres heeft aangegeven, dat het hier om een op zichzelf geaccepteerde handelwijze met dergelijke bestrijdingsmiddelen gaat, zij het dat zij voor de voorgenomen werkzaamheden destijds geen vergunning had.

Er is toen iets misgegaan, waardoor een medewerker van eiseres, die de vaten opende, terstond naar het ziekenhuis moest worden afgevoerd en omwonenden in de naburige wijken Schenkel en Maaswijk zich ernstige zorgen maakten, omdat zij knallen of explosies hoorden, terwijl er een doordringende geur hing.

Naar aanleiding van de meldingen over explosies en stank door omwonenden is de inrichting van eiseres op de avond van 2 april 1997 rond 19.30 uur bezocht door de politie Rotterdam Rijnmond die vervolgens aanleiding zag medewerkers van het Bureau Chemisch Advies van de DCMR Milieudienst Rijnmond en de brandweer van Spijkenisse in te schakelen.

Na enig onderzoek hebben de bedoelde medewerkers geconcludeerd, dat sprake was van emissie van onder meer fosfine, een brandbaar en giftig gas.

Na telefonisch contact met verweerder zijn omstreeks 22.00 uur door één der politieagenten namens verweerder de ter plekke aanwezige medewerkers van eiseres gesommeerd de vaten af te (laten) voeren ter vernietiging naar een daartoe gespecialiseerd bedrijf.

Voorts is namens verweerder aan hen medegedeeld dat de kosten zouden worden verhaald op eiseres indien zij weigerden de vaten zelf ter vernietiging af te (laten) voeren.

Aangezien de betrokken werknemers zich niet bereid verklaarden op de aangegeven wijze aan het bevel te voldoen, is overgegaan tot toepassing van bestuursdwang en zijn de vaten verwijderd en afgevoerd door de firma Booy Clean. In verband met de voortdurende reactie van de stoffen in de vaten zijn de vaten eerst op 7 april 1997 vernietigd. De kosten van vervoer, opslag en vernietiging van de stoffen bedragen f 105.382,75, welke op eiseres worden verhaald.

Verweerder heeft zijn besluitvorming achteraf op 11 april 1997 schriftelijk aan eiseres bevestigd.

Eiseres voert in bezwaar beroep daartegen aan, dat de opslag en bewerking van stoffen ter plekke in het geheel niet gevaarlijk was, dat zij de bewerking - als verweerder haar dat had toegelaten - dan ook zonder noemenswaardige kosten ter plekke had kunnen afwikkelen en dat daarbij geen enkel gevaar te duchten was.

De rechtbank constateert, dat verweerder zich niet bevoegd geacht heeft om, de taken van burgemeester en wethouders waarnemende, bestuursdwang toe te passen terzake van het zonder vergunning ingevolge de wet milieubeheer verrichten van gevaar opleverende werkzaamheden.

In plaats daarvan heeft verweerder, oordelende dat er sprake was van een ramp of ernstige kans op het ontstaan daarvan, een noodbevel gegeven op grond van artikel 175 van de Gemeentewet en, toen daaraan geen gevolg gegeven werd, bestuursdwang toegepast.

Eiseres wordt nu geconfronteerd met de kosten van de bestuursdwang omdat zij het aan haar gerichte bevel niet heeft opgevolgd en zij dus als overtreder kan worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt, dat ingevolge het destijds geldende artikel 131 van de Gemeentewet, de overtreder de kosten van bestuursdwang verschuldigd is, tenzij deze redelijkerwijs niet te zijnen laste behoren te blijven.

De rechtbank is van oordeel, dat verweerder in de op dat moment voorliggende onduidelijke, maar naar redelijke inschatting zeer gevaarlijke, situatie op zichzelf bevoegd was een noodbevel op grond van artikel 175 van de Gemeentewet te geven.

Te betreuren valt, dat op basis van de door verweerder overgelegde stukken de exacte inhoud van het gegeven noodbevel niet gedetailleerd achterhaald kan worden.

Dat is daarom problematisch omdat bij de door verweerder gekozen juridische constructie eerst vastgesteld moet worden, dat eiseres aan het noodbevel niet voldaan heeft of uitdrukkelijk heeft geweigerd daaraan te voldoen. Immers pas daarmee of daarna is sprake van een overtreding, waartegen met bestuursdwang kan worden opgetreden.

De rechtbank acht echter toch wel voldoende aannemelijk geworden, dat verweerder afvoer en opslag door inschakeling van een terzake kundige derde heeft willen laten verrichten en zulks op enigerlei wijze in de verwoording van het aan eiseres gerichte bevel verwerkt heeft.

Juist omdat het stoffen betrof, die eiseres ingevolge haar milieuvergunning ter plaatse niet mocht verwerken, kan de rechtbank die optie ook wel billijken.

Eiseres heeft ontkend, dat de situatie als gevaarlijk kon worden aangemerkt en heeft zich bereid verklaard de door verweerder gewraakte situatie te beëindigen door de neutralisering te voltooien en de dan resterende afvalstoffen te verwijderen.

Verweerders vertegenwoordigers ter plaatse hebben haar daartoe niet de gelegenheid geboden, omdat hen, zoals gezegd, een heel andere handelwijze in deze, door hen als gevaarlijk gekenschetste, situatie voor ogen stond.

Op basis van de nu beschikbare gegevens kan de rechtbank niet eenduidig vaststellen, dat de door eiseres voorgestelde handelwijze geen adequate en toelaatbare oplossing voor het ter plaatse bestaande probleem zou hebben opgeleverd. Wel kan - ondanks de bestaande onduidelijkheid over de exacte inhoud van het gegeven bevel - zonder meer gezegd worden, dat met die handelwijze niet aan het noodbevel voldaan zou zijn.

Verweerder had echter vanuit zijn, niet op dat moment verwijtbaar onjuiste, perceptie van de situatie onvoldoende tijd om rustig te onderzoeken op welke wijze de gevaarlijk situatie het best beëindigd kon worden.

De rechtbank stelt vast, dat eiseres weliswaar een aantal plausibele argumenten heeft aangevoerd, die tot de conclusie zouden kunnen leiden, dat verweerder met een veel minder drastische en veel goedkopere ingreep had kunnen volstaan, maar dat eiseres door werkzaamheden te verrichten, die niet door de destijds verleende Hinderwetvergunning gedekt werden, zelf het risico genomen heeft, dat als er bij deze werkzaamheden iets mis zou gaan, zoals op 2 april 1997 zeker gebeurd is, verweerder zonder gedegen kennis van alle van belang zijnde feiten tot maatregelen zou moeten besluiten.

Als zulks dan uiteindelijk leidt tot het maken van kosten, die wellicht bij een in rustiger omstandigheden plaats gehad hebbende voorbereiding op een dergelijke calamiteit beperkt of voorkomen hadden kunnen worden, dient eiseres naar het oordeel van de rechtbank ook voor de gevolgen daarvan op te draaien.

Daarom kan de rechtbank niet tot de conclusie komen, dat verweerder had moeten oordelen, dat de kosten van bestuursdwang redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van eiseres gebracht hadden moeten worden.

Gelet op het voorgaande wordt eiseresses beroep ongegrond verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr W.E. Doolaard.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr A.J.J. van der Vliet

als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 NOV. 1999

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiseres wordt begrepen -en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.