Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:1999:AA4099

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-10-1999
Datum publicatie
11-11-1999
Zaaknummer
VTELEC 99/1726-SIMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Registratiebewijs voor machtiging radiozendamateurs is geen besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Telecommunicatiewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1999/313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMEENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

President

Reg.nr.: VTELEC 99/1726-SIMO

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen

A, wonende te B, verzoeker,

en

de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, verweerder.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 17 juli 1999 heeft verweerder aan verzoeker een registratiebewijs amateur-vergunning verstrekt met een geldigheidsduur tot 1 augustus 2000.

Bij brief van 19 juli 1999 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de geldigheidsduur van het registratiebewijs.

Bij brief van 9 augustus 1999, aangevuld bij brief van 25 augustus 1999, heeft verzoeker de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende ongeldigverklaring van het registratiebewijs.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat het geschil in de tussen partijen aanhangige procedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw) is voor het gebruik van frequentieruimte een vergunning van de minister van Verkeer en Waterstaat vereist, welke op aanvraag kan worden verleend.

Op grond van artikel 20.3, eerste lid, van de Tw wordt een machtiging die is verleend krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (hierna: Wtv) gelijkgesteld met een vergunning verleend krachtens artikel 3.3, eerste lid, van de Tw.

Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, tweede volzin, van de Tw kunnen -voorzover hier van belang - aan een vergunning voorschriften worden verbonden. Op grond van artikel 3.5, derde lid, van de Tw kunnen -voorzover hier van belang - ter zake daarvan bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld.

Ingevolge artikel 16.1, eerste lid, van de Tw worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de vergoeding van de kosten die is verschuldigd door degene ten behoeve van wie werkzaamheden of diensten zijn verricht ingevolge het bij of krachtens de Tw bepaalde voorzover de vergoeding verband houdt met deze werkzaamheden of diensten.

Op grond van artikel 20.4, eerste lid, van de Tw, wordt - voorzover hier van belang - het bepaalde bij of krachtens het Besluit radio-elektrische inrichtingen (hierna: Bri) gelijkgesteld met regels vastgesteld krachtens de hoofdstukken 3 en 16 van de Tw.

In artikel B.2.1 van het Bri is bepaald dat de voor de verlening van een machtiging verschuldigde vergoeding bij vooruitbetaling per periode van twaalf maanden wordt voldaan.

Op grond van artikel D.1.2, tweede lid, aanhef en onder m, van het Bri kunnen - voorzover hier van belang - de aan een machtiging te verbinden voorschriften betrekking hebben op een of meer bescheiden die bij de zendinrichting aanwezig moeten zijn.

In artikel 3, vierde lid, eerste volzin, van de - onder meer in artikel D.1.2 van het Bri haar grondslag vindende - Regeling van 12 augustus 1996, houdende voorschriften en beperkingen verbonden aan machtigingen voor zendinrichtingen voor het doen van onderzoekingen radiozendamateurs (hierna: de Voorschriften) is bepaald dat aan de machtiginghouder jaarlijks één registratiebewijs wordt verstrekt met een geldigheidsduur van twaalf maanden. Op grond van artikel 3, vierde lid, tweede volzin, van de Voorschriften dient dit registratiebewijs aanwezig te zijn bij de zendinrichtingen die zich niet op het vaste adres bevinden.

Op grond van CEPT-aanbeveling T/R 61-01 (hierna: de Aanbeveling) mag - kort gezegd - de houder van een door de bevoegde autoriteit in een van de lidstaten van de CEPT verleende machtiging in de andere lidstaten gebruik maken van zijn machtiging en is geen machtiging van de andere lidstaat vereist. Daartoe dient het door de bevoegde autoriteit verstrekte registratiebewijs aan bepaalde, in de Aanbeveling neergelegde, administratieve voorschriften te voldoen. De machtiginghouder is onder meer verplicht op verzoek van de toezichthoudende autoriteiten in de andere lidstaat zijn registratiebewijs te tonen.

Aan verzoeker is een machtiging als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wtv verleend.

Alle machtiginghouders betalen jaarlijks voor het desbetreffende kalenderjaar bij vooruitbetaling de in artikel B.2.1 van het Bri bedoelde vergoeding. In januari 1999 heeft verzoeker de vergoeding over het kalenderjaar 1999 voldaan.

Aan alle machtiginghouders wordt jaarlijks, in de maand juli, een registratiebewijs als bedoeld in artikel 3, vierde lid, eerste volzin, van de Voorschriften verstrekt met een geldigheidsduur tot 1 augustus van het daaropvolgende jaar. Op 17 juli 1999 is aan eiser een registratiebewijs verstrekt met een geldigheidsduur tot 1 augustus 2000.

Verzoekers bezwaar is gericht tegen het feit dat het aan hem verstrekte registratiebewijs deels geldig is voor een periode waarover de verschuldigde vergoeding nog niet is voldaan, te weten 1 januari 2000 tot en met 31 juli 2000. Eiser acht dit in strijd met artikel B.2.1 van het Bri en artikel 3, vierde lid, eerste volzin, van de Voorschriften.

Verweerder heeft uiteengezet dat om uitvoeringstechnische redenen jaarlijks de registratiebewijzen pas - collectief - worden verzonden nadat de incassoprocedure voor de vergoedingen is afgerond, hetgeen in verband met het grote aantal niet- of niet tijdige betalingen eerst in de maand juli het geval is. Teneinde niettemin te voldoen aan artikel 3, vierde lid, eerste volzin, van de Voorschriften worden vervolgens registratiebewijzen verstrekt met een geldigheidsduur die eindigt op 1 augustus van het daaropvolgende jaar. Verweerder acht de gevolgde handelwijze niet in strijd met de toepasselijke wettelijke voorschriften.

De president ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag of het bezwaar van verzoeker is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

De president is van oordeel dat, indien al zou moeten worden geoordeeld dat het verstrekken van een registratiebewijs (met een bepaalde geldigheidsduur) een schriftelijke beslissing is, deze in elk geval niet op rechtsgevolg is gericht. Het registratiebewijs is immers niet meer dan ' een bewijsstuk dat een machtiging (thans: vergunning) is verleend en heeft geen zelfstandige, rechtens relevante betekenis. Dat in artikel 3, vierde lid, tweede volzin, van de Voorschriften is bepaald dat het registratiebewijs aanwezig dient te zijn bij de zendinrichtingen die zich niet op het vaste adres bevinden, maakt dit niet anders. ook het bepaalde in de Aanbeveling - zoals hiervoor weergegeven - doet hieraan niet af, nu het registratiebewijs ook in dit verband slechts als bewijsstuk van de in Nederland verleende machtiging (thans: vergunning) dient.

Nu het bezwaar van verzoeker niet is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zal verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk dienen te verklaren, zodat het verzoek om voorlopige voorziening - reeds ~ om die reden dient te worden afgewezen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de president geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De president, recht doende: wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr drs Th.G.M. Simons als president. De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr A. Gerbrandy als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 1999.

De griffier: De president:

Afschrift verzonden op: 11 OKT. 1999