Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:1999:AA3947

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-04-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
VDIVERS 99/793-S1 VDIVERS 99/794-S1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

President

Reg.nrs.: VDIVERS 99/793-S1

VDIVERS 99/794-S1

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om opheffing van de schorsing als bedoeld in artikel 16, zevende lid, tweede volzin, van de Monumentenwet 1988, in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht van

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verzoeker.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 21 december 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het college) aan A en B, architecten te Gent (België), een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Wet) verleend voor het wijzigen en gedeeltelijk slopen van het pand [. . .] te Rotterdam.

Tegen dit besluit heeft mr J.C.G. Franken, advocaat te Rotterdam, als gemachtigde van C, huurster van een deel van het pand [. . .], bij brief van 28 januari 1999 bezwaar gemaakt.

Het college heeft bij brief van 29 januari 1999 de president verzocht de schorsing van het besluit op te heffen.

Bij brief van 29 januari 1999 heeft mr W.L. Stolk, advocaat te Rotterdam, als gemachtigde van Westersingel Holding B.V. (hierna: Westersingel), gevestigd in het pand Westersingel 84, bezwaar gemaakt tegen het besluit.

Bij uitspraak van 17 maart 1999 (reg.nr. VDIVERS 99/274-S1) heeft de president het verzoek om opheffing van de schorsing afgewezen, waarbij de president ervan is uitgegaan dat het college het verzoek in zijn hoedanigheid van vergunninghouder heeft gedaan.

Het college heeft bij brief van 29 maart 1999 de president - opnieuw - verzocht de schorsing van de werking van de vergunning op te heffen. Daarbij is vermeld dat de beslissingen op de bezwaren van C en Westersingel zullen worden nagezonden.

Bij besluit van 6 april 1999 heeft het college het bezwaar van Bookelaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van eveneens 6 april 1999 heeft het college het bezwaar van Westersingel ongegrond verklaard.

Op 8 april 1999 heeft het college de vergunning alsnog ten name van het college gesteld.

Bij brief van 8 april 1999, ontvangen op 12 april 1999, heeft het college de beslissingen op de bezwaren van C en Westersingel aan de president gezonden.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 16, zevende lid, eerste volzin, van de Wet wordt de werking van een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wet opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Artikel 16, zevende lid, tweede en derde volzin, van de Wet luidt:

"De vergunninghouder kan de president van de rechtbank, onderscheidenlijk de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken de opschorting op te heffen. Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.".

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De president stelt vast dat tegen de beslissingen op de bezwaren van C en Westersingel - nog - geen beroep is ingesteld. Derhalve is niet voldaan aan het in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste.

In artikel 16, zevende lid, derde volzin, van de Wet is titel 8.3 van de Awb uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing verklaard. Anders dan verweerder kennelijk meent, volgt uit het feit dat in artikel 16, zevende lid, tweede volzin, van de Wet - in aanvulling op artikel 8:81, tweede en derde lid, van de Awb - aan de vergunninghouder het recht wordt toegekend om opheffing van de schorsing te verzoeken, dan ook niet dat artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op een dergelijk verzoek niet van toepassing zou zijn.

Aanvaarding van de mogelijkheid dat een verzoek op grond van artikel 16, zevende lid, tweede volzin, van de Wet zou kunnen worden gedaan voordat bezwaar is gemaakt onderscheidenlijk beroep is ingesteld, zou overigens ook niet stroken met de bedoeling van artikel 16, zevende lid, eerste volzin, van de Wet.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, zodat de president, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, eerste volzin, van de Awb.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De president,

recht doende:

verklaart het verzoek om opheffing van de schorsing niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr drs Th.G.M. Simons als president. De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr P. Hirschhorn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 1999.

De griffier: De president:

Afschrift verzonden op: