Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:1999:AA3775

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
VBOUW 99/1154-W2 VBOUW 99/1154-W2 BOUW99/739-W2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1999/211

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: VBOUW 99/1154-W2 BOUW 99/739-W2 (hoofdzaak)

Uitspraak van de president van de rechtbank te Rotterdam naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen:

A te B, verzoeker, tevens eiser (verder te noemen verzoeker),

gemachtigde mr X. Visscher, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpen aan den IJssel, verweerder,

Aan het geding heeft mede als partij deelgenomen C, vergunninghouder,

gemachtigde mr J.A.M. van der Velden, advocaat te Rotterdam.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 1 september 1998 heeft verweerder bouwvergunning verleend voor de bouw van een woning op het perceel naast W-plantsoen 1 te Ridderkerk aan den IJssel.

Bij schrijven van 12 oktober 1998 heeft verzoekers gemachtigde tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 16 februari 1999, verzonden op 23 februari 1999, heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoekers gemachtigde bij brief van 1 april 1999 beroep ingesteld.

Bij schrijven van 26 mei 1999 heeft verzoekers gemachtigde de president verzocht bij wege van voorlopige voorziening het bestreden besluit te schorsen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 15 juni 1999, alwaar verzoeker en vergunninghouder in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Namens verweerder is verschenen mr C.J.M. van der Ham.

2. Overwegingen

Ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk in de hoofdzaak uitspraak kan doen.

De president is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

Door verweerder en door vergunninghouder is primair aangevoerd dat wegens het ontbreken van de gronden het beroep niet- ontvankelijk verklaard dient te worden en daarom ook het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is.

De president overweegt dat in de hoofdzaak verzoeker door de rechtbank bij brief van 28 april 1999 gewezen is op het ontbreken van de gronden in het beroepschrift. Verzoeker is bij deze brief door de rechtbank in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. In reactie hierop heeft verzoeker bij brief van 18 mei 1999 voor de gronden van het beroepschrift verwezen naar het bezwaarschrift van 12 oktober 1998. Daarmee is het verzuim niet hersteld, doch het is vast gebruik van de rechtbank om in dergelijke gevallen een tweede mogelijkheid te bieden tot het herstellen van het verzuim. De brief waarin deze tweede mogelijkheid geboden zou worden was nog niet verzonden op het moment dat door verzoeker verzocht is een voorziening te treffen. Derhalve kan nog niet geconstateerd worden dat er van de tweede mogelijkheid om het verzuim te herstellen geen gebruik is gemaakt. Er is dan ook thans geen grond het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Naar het oordeel van de president is het in een dergelijk geval aangewezen bij de besluitvorming op het verzoek om een voorlopige voorziening van de ontvankelijkheid van het beroep uit te gaan.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van het ter plaatse geldende bestemmingsplan Kortland mogen per bestemmingsvlak niet meer hoofdgebouwen worden gebouwd dan er ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan bestonden. Het vierde lid van genoemd artikel geeft een vrijstellingsmogelijkheid, die gebonden is aan de voorwaarde dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet in onevenredige mate worden aangetast.

Voor de bouw van de in geding zijnde woning is een dergelijke vrijstelling verleend. Verweerder heeft bij zijn besluitvorming op het verzoek een aantal stedenbouwkundige randvoorwaarden in acht genomen, die waren aangedragen door het bureau Zandvoort, Ordening en Advies. Voorzover hier van belang zijn in verband met de bebou-wingskarakteristiek van de omgeving de volgende nadere eisen ge-steld: "het hoofdgebouw van de woning dient binnen de aangegeven bouwvlek (kaart TBK, afmetingen 10 meter breed x 11 meter diep) te worden gesitueerd. De woning dient daarbij op minimaal 4 meter uit de voorste erfgrens te worden gesitueerd. De afstand van de woning tot de kant van het langs de kavel gelegen water dient dan minimaal 6 meter te bedragen. De afstand tot de naastgelegen kavel dient minimaal 2,5 meter te bedragen."

Partijen verschillen allereerst van mening of het bouwplan voldoet aan deze door verweerder als richtsnoer voor de besluitvorming aangenomen nadere eisen.

Vast staat, dat het bouwwerk als geheel niet aan de aan het hoofdgebouw gestelde nadere eisen voldoet, maar dat is uitsluitend te wijten aan de in het bouwplan opgenomen serre aan de achtergevel, waarvan verweerder stelt, dat deze niet tot het hoofdgebouw behoort. Naar verweerders oordeel is de serre aan te merken als een uitbouw, die ingevolge het bepaalde in artikel 6, derde lid, onder j juncto i, van de bestemmingsplanvoorschriften in dit geval is toegelaten.

Verzoeker meent dat de serre deel uitmaakt van het hoofdgebouw, zodat de vrijstelling in strijd met de door verweerder gehanteerde nadere eisen verleend zou zijn. Verzoeker stelt bovendien, dat als hier al sprake zou zijn van een uitbouw, daarmee de totale oppervlakte van de uit- en bijgebouwen 50,3 m2 zou bedragen, hetgeen in strijd is met het bepaalde in genoemd artikel 6, derde lid, onder j, dat slechts 50 m2 toelaat.

Verweerder heeft zulks onder ogen gezien, doch van een dergelijke geringe overschrijding geen punt willen maken.

De president merkt allereerst op geen aanleiding te zien om de nadere eisen onredelijk of onjuist te achten.

Hij overweegt vervolgens, dat in artikel 1 van de voorschriften van het bestemmingsplan de van belang zijnde begrippen als volgt gedefi-niëerd zijn.

- Een hoofdgebouw is een gebouw, dat op een (bouw)perceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

- Een uitbouw is een aangebouwd gebouw dat in functioneel opzicht een onlosmakelijk onderdeel van het hoofdgebouw vormt.

- Een bijgebouw is een vrijstaand of aangebouwd gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

- Een woning is een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

Bij het antwoord op de vraag of de serre al dan niet tot het hoofd-gebouw behoort acht de president de visuele en de bouwkundige situ-atie beslissend. Uit de bouwtekeningen valt op te maken dat het gaat om een gebouw dat is aangebouwd aan het hoofdgebouw. Daaraan doet niet af - aangezien zulks planologisch geen verschil maakt - dat de uitbouw tegelijk met het hoofdgebouw gebouwd wordt. Weliswaar vormt de serre in functioneel opzicht een onlosmake- lijk onderdeel van het hoofdgebouw, maar constructief en architectonisch is het niet als een integraal onderdeel van het gebouw te beschouwen.

Hieruit volgt dat het bouwplan voldoet aan de door verweerder in acht genomen nadere eisen.

Nu de serre terecht als uitbouw is aangemerkt komt aan de orde de vraag of en in hoeverre daarvoor terecht vergunning verleend is.

In het kader van het vrijstellingsbesluit zijn hieromtrent geen ste-denbouwkundige randvoorwaarden gesteld, zodat de normale regeling van het bestemmingsplan "Kortland" van toepassing is.

In artikel 6, lid 3, aanhef en onder i en j van de voorschriften is bepaald dat op het perceel achter het hoofdgebouw een terrein van tenminste 25 m2 onbebouwd dient te blijven en dat achter (het verlengde van) de voorgevel van ieder hoofdgebouw 50 m2 aan uit- en bijgebouwen gebouwd mogen worden.

Het bouwplan omvat naast het hoofdgebouw een vrijstaande garage/berging in de achtertuin en een aangebouwde serre met een totale bebou-wingsoppervlakte van 50,3 m2. Hiermee is het in het hiervoor ge-noemde artikelonderdeel gegeven bebouwingsvoorschrift overschreden.

Op grond van artikel 20, aanhef en onder b, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Kortland" is verweerder bevoegd om vrijstelling te verlenen van de bepalingen van het plan indien het betreft het overschrijden van de bepalingen inzake ondermeer de oppervlakte van gebouwen met niet meer dan 10%.

Verweerder heeft deze vrijstelling niet verleend. Het bouwplan is derhalve in strijd met het bestemmingsplan. Op grond van artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet had verweerder derhalve de bouwvergunning moeten weigeren. Nu verweerder de bouwvergunning toch heeft verleend is er sprake van een onjuist besluit, want in strijd met de wet genomen.

Ter zitting is namens verweerder verklaard dat verweerder alsnog vrijstelling op grond van artikel 20, aanhef en onder b, van de bestemmingsplanvoorschriften waarschijnlijk zal willen verlenen.

In het licht daarvan acht de president het aangewezen het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen zodat verweerder opnieuw een besluit op bezwaar zal moeten nemen. De president wijst vervolgens het verzoek om een voorlopige voorzie-ning toe en schorst het besluit van 1 september 1998 waarbij bouw-vergunning is verleend totdat verweerder het nieuwe besluit op bezwaar heeft genomen.

De president ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken.

De president bepaalt de proceskosten op f 1.420,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben is de president niet gebleken.

3. Uitspraak

De president van de rechtbank te Rotterdam,

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift van verzoeker neemt met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde,

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het besluit van 1 september 1998 waarbij bouwvergunning is verleend tot dat verweerder opnieuw op het bezwaar heeft beslist,

bepaalt dat de gemeente Krimpen aan den IJssel het griffierecht ad f 450,-- aan verzoeker vergoedt,

veroordeelt verweerder in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek tot aan de uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten door de president zijn bepaald op f 1.420,--, en wijst de gemeente Krimpen aan den IJssel aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 1999,

door mr W.E. Doolaard, fungerend president,

in tegenwoordigheid van M.B. van Zantvoort als griffier.

De griffier: De fungerend president:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval verzoeker begrepen wordt - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak, voorzover betrekking hebbende op de hoofdzaak, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.