Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:1999:AA3765

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-04-1999
Datum publicatie
10-11-2004
Zaaknummer
VMEDED 99/366-Sl
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Mededingingswet 17
Mededingingswet 102
Mededingingswet 6
Mededingingswet 103
Mededingingswet 6
Tijdelijk besluit vrijstelling prijsbinding dagbladen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

President

Reg.nr.: VMEDED 99/366-Sl

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen

de Vereniging de Nederlandse Dagbladpers, gevestigd te Amsterdam, verzoekster,

gemachtigde mr. J.A.M. Jonkhout, advocaat te Amersfoort,

en

de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit, verweerder,

gemachtigde mr B.M.J. van der Meulen.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 31 maart 1998 heeft verzoekster bij verweerder een aanvraag ingediend om ontheffing op grond van artikel 17 van de Mededingingswet (hierna: 'Mw') van het verbod van artikel 6, eerste lid, van de Mw ten aanzien van het bindend besluit cadeaustelsel.

Bij besluit van 9 februari 1999 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van verzoekster bij brief van 18 februari 1999 bezwaargemaakt.

Voorts heeft de gemachtigde van verzoekster bij brief van 22februari 1999 de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende "dat de werking van de bestreden beslissing van de Nederlandse Mededingingsautoriteit d.d. 9 februari 1999 wordt opgeschort, totdat twee maanden zijn verstreken nadat door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven onherroepelijk is beslist op het beroep van de appellanten, waaronder de NDP, aangaande het ontheffingsverzoek d.d. 19 juni 1993

Verweerder heeft bij brief van 10 maart 1999 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 1999.Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, met bijstand van W.F. de Pagter, voorzitter van de Vereniging de Nederlandse Dagbladpers, en R.F. Reyntjes, secretaris van de Vereniging het Nederlands Uitgeversverbond. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8: 81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbankberoep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorzieningtreffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover deze toetsing meebrengt dat het geschil in het tussenpartijen aanhangige geding wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in dat geding.

De president gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster is een vereniging waarbij de meeste van de uitgevers van Nederlandse dagbladen zijn aangesloten.

Op 29 juni 1993 heeft verzoekster de minister van Economische Zaken(hierna: de minister) verzocht ontheffing te verlenen van het verbod van artikel 1 van het - op artikel 1 0, eerste lid, van de Weteconomische mededinging (hierna: Wem) gebaseerde - Besluit horizontale prijsbinding (hierna: Bhp), dat met ingang van 1 juli 1993 inwerking is getreden. De aanvraag had betrekking op de volgende regelingen:

het bindend besluit inzake collectieve abonnementsprijsverhogingen;

het bindend besluit cadeaustelsel;

het bindend besluit inzake collectieve advertentieprijs- verhogingen;

het bindend besluit inzake gratis en gereduceerde abonnementen;

een aantal regelingen, opgenomen in de Regelen voor het Advertentiewezen.

Bij besluit van 13 oktober 1997 heeft de minister op het verzoek beslist. Daarbij is ten aanzien van het bindend besluit inzake collectieve abonnementsprijsverhogingen ontheffing verleend tot 1 juli 1998, is het verzoek om ontheffing ten aanzien van het bindend besluit cadeaustelsel niet-ontvankelijk verklaard en is ten aanzien van de overige regelingen het verzoek om ontheffing afgewezen.

Tegen dit besluit, behalve voorzover inhoudende de niet- ontvankelijkverklaring van het verzoek om ontheffing ten aanzien van het bindend besluit cadeaustelsel, heeft – onder anderen - verzoekster bij brief van 21 november 1997 bezwaar gemaakt.

Met ingang van 1 januari 1998 is de Mw in werking getreden en zijnde Wem en de daarop gebaseerde regelingen - waaronder het Bhp -ingetrokken. Tevens is met ingang van 1 januari 1998 het Tijdelijk besluit vrijstelling prijsbinding dagbladen (hierna: Tijdelijk besluit vrijstelling) in werking getreden, dat voorziet in vrij stelling van het verbod van artikel 6, eerste lid, van de Mw ten aanzien van "individuele verticale prijsbinding voor dagbladen" tot 1januari 2003 en ten aanzien van "collectieve verhoging abonnementdagblad" tot 1 juli 1999. Als gevolg van de inwerkingtreding van het Tijdelijk besluit vrijstelling is de door de minister tot 1 juli 1998 verleende ontheffing ten aanzien van het bindend besluit inzake collectieve abonnementsprijsverhogingen met ingang van 1 januari1998 vervallen. Bij brief van 13 januari 1998 heeft - onder anderen – verzoekster de president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het besluit van 13 oktober 1997voorzover in bezwaar aangevochten. Bij uitspraak van 2 februari 1998 heeft de president van het College, met toepassing van artikel 103, tweede lid, van de Mw, op het verzoek beslist. De president van het College heeft het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en daarbij bepaald "dat verzoeksters worden behandeld als ware ( ... ) ontheffing verleend(... ) tot het tijdstip waarop twee maanden zijn verstreken nadat door het College onherroepelijk uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan, dan wel de procedure anderszins zal zijn geëindigd".

Op 31 maart 1998 heeft verzoekster bij verweerder een aanvraag ingediend om ontheffing op grond van artikel 17 van de Mw van het verbod van artikel 6, eerste lid, van de Mw ten aanzien van het bindend besluit cadeaustelsel.

Bij besluit van 28 september 1998 heeft de minister het bezwaar van21 november 1997 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft - onder anderen - verzoekster bij brief van2 november 1998 beroep ingesteld bij het College, waarop het College nog niet heeft beslist.

Bij besluit van 9 februari 1999 heeft verweerder de aanvraag van 31 maart 1998 afgewezen, welk besluit bij het bestreden besluit is gehandhaafd.

Verzoekster heeft het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening gebaseerd op de gestelde samenhang tussen het bindend besluitcadeaustelsel en de overige regelingen ten aanzien waarvan op 29 juni 1993 om ontheffing is verzocht. Het wegvallen van het bindend besluit cadeaustelsel zou het effect, de werking en de handhaving van in het bijzonder het bindend besluit inzake collectieve abonnementsprijsverhogingen en het bindend besluit inzake gratis enge reduceerde abonnementen zodanig aantasten, dat de met het geheel van de regelingen beoogde doelstellingen niet langer kunnen worden gerealiseerd. Naar het oordeel van verzoekster weegt het belang dat zij heeft bij schorsing van het bestreden besluit - veel - zwaarder dan het belang dat verweerder heeft bij onmiddellijke tenuitvoerlegging daarvan.

Bij dit alles gaat verzoekster ervan uit dat als gevolg van de door de president van het College getroffen voorlopige voorziening de desbetreffende regelingen nog geldend zijn en ook geldend zullen blijven tot twee maanden nadat het College uitspraak zal hebben gedaan op het beroep van 2 november 1998.

Verzoekster heeft ter zitting bevestigd dat zij niet beoogt in het kader van het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening een - voorlopig - oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit te verkrijgen.

Verweerder heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

De president overweegt als volgt.

Gelet op hetgeen verzoekster aan het verzoek om voorlopige voorziening ten grondslag heeft gelegd, ziet de president zich allereerst gesteld voor de vraag of inderdaad moet worden aangenomen dat als gevolg van de door de president van het College getroffen voorlopige voorziening de desbetreffende regelingen niet worden getroffen door het verbod van artikel 6, eerste lid, van de Mw. Uit de door de president van het College getroffen voorlopige voorziening vloeit voort dat verzoekster moet worden behandeld alsof ten aanzien van de desbetreffende regelingen ontheffingen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Wem waren verleend. De president van het College heeft uitspraak gedaan op 2 februari1998. Aangezien de Mw met ingang van 1 januari 1998 in werking is getreden, is (het overgangsrecht van) de Mw van toepassing. Artikel 102 van de Mw luidt: "Ontheffingen, verleend op grond van het bij en krachtens de artikelen 9g, eerste lid, en 12 eerste en tweede lid, van de wet economische mededinging bepaalde, worden aangemerkt als ontheffingen, bedoeld in artikel 17. De artikelen 22 en 23 zijn niet van toepassing."

Deze bepaling strekt ertoe, te verzekeren dat onder vigeur van de Wem verleende ontheffingen niet tegelijk met de intrekking van de wem en de daarop gebaseerde regelingen vervallen. Daartoe worden dergelijke ontheffingen geconverteerd in ontheffingen als bedoeld in artikel 17 van de Mw. Aldus worden onder vigeur van de Wem. verkregen rechten geëerbiedigd. op grond van artikel 10, vierde lid, van de Wem zou – gelet op artikel 7 van het Bhp - het Bhp vervallen met ingang van 1 juli1998. Daaruit volgt dat ook ontheffingen van het verbod van artikel1 van het Bhp met ingang van 1 juli 1998 zouden vervallen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat als gevolg van de door depresident van het College getroffen voorlopige voorziening de desbetreffende regelingen - met u Uitzondering van het bindend besluit inzake collectieve abonnementsprijsverhogingen voorzover' het Tijdelijk besluit vrijstelling daarop betrekking heeft - met ingang van 1 juli 1998 zijn getroffen door het verbod van artikel 6, eerste lid, van de Mw. De president vindt voor deze benadering steun in de uitspraak van het College van 10 februari 1999 (No. 96/0880/063/019), waaruit kan worden afgeleid dat verzoekster hoe dan ook met haar beroep bij het College van 2 november 1998 niet zal kunnen bereiken dat aan haar alsnog de op 29 juni 1993 verzochte ontheffingen (kunnen) worden verleend.

Anders dan verzoekster heeft betoogd kan uit de uitspraak van het College van 9 december 1998 (Nrs. AWB 971684, AWB 97/685, AWB 97/686en 9010) - wat daarvan overigens ook de reikwijdte is - in elk gevalniet a contrario worden afgeleid dat ten aanzien van de door depresident van het College getroffen voorlopige voorziening (het overgangsrecht van) de Mw niet van toepassing is.

op grond van het voorgaande dient het verzoek om voorlopige voorziening te worden afgewezen.

Het feit dat op grond van het Tijdelijk besluit vrijstelling ten aanzien van het bindend besluit inzake collectieve- abonnementsprijsverhogingen .- nog - tot 1 juli 1999 vrijstelling is verleend van het verbod van artikel 6,-'eerste lid, van de Mw leidt niet tot een ander oordeel.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de president tenslotte geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De president, recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. Th.G.M. Simons als president.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr P. Hirschhorn als griffier,

uitgesproken in het openbaar op 1 april 1999.

De griffier: De president:

Afschrift verzonden op: