Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:1999:AA3622

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-06-1999
Datum publicatie
22-06-1999
Zaaknummer
WET 97/3272-S1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 1999/212

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: WET 97/3272-S1

Uitspraak

in het geding tussen

de vereniging Bewonersgroep Tegen Vliegtuigoverlast, gevestigd te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde mr P.H. de Bruin, advocaat te Rotterdam,

en

de minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

met als derde-partij

Tulip Air B.V., gevestigd te Rotterdam (hierna: vergunninghoudster).

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 27 februari 1997 heeft verweerder aan vergunninghoudster een vergunning verleend voor het uitvoeren van rondvluchten.

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 9 mei 1997 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 juli 1997 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 11 augustus 1997, aangevuld bij brief van 28 november 1997, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 27 januari 1998 een verweerschrift ingediend.

Daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld heeft vergunninghoudster als partij aan het geding deelgenomen. Vergunninghoudster heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 1999. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr I.P.G.M. Rijken. Vergunninghoudster heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Bij besluit van 27 februari 1997 heeft verweerder aan vergunninghoudster, naar aanleiding van haar aanvraag van 23 januari 1997, een vergunning verleend voor het uitvoeren van rondvluchten vanaf het luchthaventerrein Rotterdam met een luchtvaartuig met de registratie PH-TWY.

Namens eiseres is bij brief van 9 mei 1997 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit, welk bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit terecht ontvankelijk heeft geacht.

Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt, welke termijn ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

In het bestreden besluit is vermeld dat het primaire besluit op 27 februari 1997 aan vergunninghoudster is toegezonden. Hoewel zich bij de gedingstukken geen stukken omtrent deze toezending bevinden, ziet de rechtbank - mede gelet op hetgeen verweerder ter zitting terzake heeft verklaard - geen aanleiding de hiervoor bedoelde vermelding voor onjuist te houden. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het primaire besluit op 27 februari 1997 op de in artikel 3:41 (oud) van de Awb (thans: artikel 3:41, eerste lid, van de Awb) voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift ving derhalve aan op 28 februari 1997 en eindigde op 10 april 1997.

Vaststaat dat eiseres eerst op 9 mei 1997 - derhalve na afloop van de termijn - een bezwaarschrift heeft ingediend.

Ingevolge artikel artikel 6:11 van de Awb blijft niet- ontvankelijkverklaring van het bezwaar op grond van overschrijding van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De rechtbank dient derhalve te bezien of sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.

Verweerder heeft het primaire besluit ook - onverplicht - gepubliceerd in de Staatscourant van 27 maart 1997, nr. 61. Boven de publicatie is als kop geplaatst: "Vergunningverlening voor houden van rondvluchten". In de aanhef van de publicatie is de datum 27 februari 1997 vermeld. De thans van belang zijnde onderdelen van het primaire besluit luiden als volgt:

"Artikel 1 Algemeen Aan Tulip Air B.V. (...) wordt een vergunning verleend voor het uitvoeren van rondvluchten (...)".

"Artikel 7 Publicatie Deze beschikking zal worden geplaatst in de Staatscourant.".

"Artikel 8 Bezwaar Binnen 6 weken ingaand op de dag na de datum van bekendmaking van het bovenstaande besluit (kunt/kunnen) (u/belanghebbenden) daartegen een bezwaarschrift indienen (...)".

Vaststaat dat eiseres eerst door de publicatie in de Staatscourant op de hoogte is geraakt van het primaire besluit.

Anders dan eiseres heeft betoogd, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat zij uit de publicatie heeft mogen afleiden dat het primaire besluit eerst op 27 maart 1997 is bekendgemaakt. Daarvoor is - mede gelet op artikel 3:41 (oud) van de Awb (thans: artikel 3:41, eerste lid, van de Awb) - doorslaggevend dat in de tekst van het primaire besluit een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen publicatie en bekendmaking, terwijl voorts de term beschikking wordt gebruikt. Ook overigens - en daarin verschilt het onderhavige geval van het geval dat aan de orde was in de uitspraak van de president van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 18 februari 1998 (gepubliceerd in AB 1998, nr. 313) - heeft verweerder in de publicatie niet de indruk gewekt dat daarmee sprake zou zijn van bekendmaking. Eiseres mocht er gelet op het voorgaande dan ook niet van uitgaan dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aanving op 28 maart 1997 en - met inachtneming van de artikelen 1, eerste lid, en 3, eerste lid, van de Algemene Termijnenwet - zou eindigen op 9 mei 1997.

Volgens vaste jurisprudentie kan van belanghebbenden die eerst na het verstrijken van de bezwaar- of beroepstermijn op de hoogte raken van een besluit, in beginsel woren verwacht dat zij binnen twee weken bezwaar maken dan wel beroep instellen. Aansluiting zoekend bij die jurisprudentie, is de rechtbank - zoals zij reeds eerder heeft overwogen - van oordeel dat van belanghebbenden die eerst na de aanvang maar voor het verstrijken van de bezwaar- of beroepstermijn op de hoogte raken van een besluit terwijl de dan nog resterende termijn twee weken of meer bedraagt, in beginsel kan worden verwacht dat zij binnen de termijn bezwaar maken dan wel beroep instellen. In het onderhavige geval bedroeg de na de publicatie in de Staatscourant resterende termijn voor het indienen van een bezwaarschrift twee weken. Niet is gebleken van een beletsel om binnen de termijn bezwaar te maken.

Uit het voorgaande vloeit voort dat geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.

Verweerder heeft het bezwaar dan ook ten onrechte ontvankelijk geacht.

Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 6:11 van de Awb te worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op f 1420,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen inhoudt dat het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard,

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van f 420,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van f 1420,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr drs Th.G.M. Simons als voorzitter en mr C.W.J. Schoor en mr A.S.I. van Delden-Brouwer als leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Vermaat als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 1999.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiseres wordt begrepen -en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden