Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:1999:AA3606

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-04-1999
Datum publicatie
29-04-1999
Zaaknummer
VDIVERS 99/947-P1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 1999, 193
Module Horeca 1999/507
JB 1999/159 met annotatie van F.A.M. S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

President

Reg.nr.: VDIVERS 99/947-P1

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

gedaan op 29 april 1999,

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen

A t/m D, allen gevestigd te E, verzoekers, gemachtigde mr K.L. ten Have, advocaat te Rotterdam,

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting op 29 april 1999 heeft de president onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Deze uitspraak luidt:

De president van de rechtbank te Rotterdam,

wijst het verzoek af.

Gronden

Bij besluit van 29 april 1999 heeft verweerder voor het gebied, nader aangegeven op een bij dat besluit behorende plattegrond, bevolen:

1) houders van horeca-exploitatievergunningen zoals bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van vrijdag 30 april 06.00 uur tot vrijdag 30 april 18.00 uur 1999 in of vanuit de inrichting geen alcoholhoudende drank te verstrekken zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, en

2) de dienstdoende politiefunctionaris, die constateert dat het bepaalde onder punt 1 niet wordt nageleefd, de desbetreffende horeca- inrichting tot 30 april 1999 18.00 uur te sluiten.

Bij brief van 29 april 1999 is namens verzoekers bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 29 april 1999 (verder: het bestreden besluit).

Bij brief van gelijke datum heeft de gemachtigde van verzoekers voorts de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Ter zitting van heden is verzoekers' gemachtigde verschenen, bijgestaan door M.T. Dijkhuis.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr T. Zanen en J.W.M. Velthuizen, bijgestaan door de heer Gelissen en de heer Heijmering.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover deze toetsing meebrengt dat het geschil in het tussen partijen aanhangige geding wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in dat geding.

In artikel 174 van de Gemeentewet is - voorzover hier van belang - bepaald:

"1.De burgemeester is belast met het toezicht op de openbaresamenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en de daarbij behorende erven.

2.De burgemeester is bevoegd bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn. ..."

Verweerder heeft met een beroep op artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet, het bestreden besluit genomen, onder de overweging dat: - zich rond de viering van Koninginnedag in Rotterdam vrijwel elk jaar ongeregeldheden voordoen;

- zich op 30 april 1998 rond de viering van Koninginnedag ongeregeldheden hebben voorgedaan waarbij inzet van de mobiele eenheid was vereist;

- zich op 25 april 1999 rond de huldiging van het eerst team van stichting Feyenoord zeer ernstige ongeregeldheden hebben voorgedaan in het centrum van Rotterdam;

- op bovengenoemde dagen door grote aantallen personen buitenspo rig veel alcoholhoudende drank wordt geconsumeerd, hetgeen een bedreiging vormt voor de openbare orde;

- het noodzakelijk is te voorkomen dat het toenemende negatieve effect van drankgebruik overdag, op het einde van de middag tot uiting komt in wangedrag;

- gezien de aard en omvang van de ongeregeldheden op 30 april1998 en 25 april 1999 de ernstige vrees bestaat dat deze ook op 30 april 1999 zullen ontstaan, en

- het daarom noodzakelijk voorkomt op 30 april 1999 een nadere ordening aan te brengen vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid.

Verzoekers hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat zij door de voorgenomen maatregel op onredelijke wijze worden benadeeld, aangezien zij, ook al door de recente incidenten op 25 april 1999, schade lijden, terwijl hen geen blaam treft.

Daarnaast is van de zijde van verzoekers gesteld dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is genomen.

Tenslotte is gesteld dat het bestreden besluit op onjuiste wijze bekend gemaakt is, aangezien slechts een aantal horecaondernemers dit besluit ontvangen hebben, en dat niet gezegd kan worden dat de door verweerder gehanteerde termijn voor afkondiging van het bestreden besluit redelijk is gelet op de grote belangen aan de zijde van de horecaondernemers.

Ter zitting is van de zijde van verweerder gesteld dat het bestreden besluit bekend gemaakt is door dit besluit heden rond 15.50 uur op het gemeentelijk publicatiebord aan de voorzijde van het stadhuis aan te plakken.

Voorts zijn de horecaondernemers in het betrokken gebied sinds 29 april 1999, 12.00 uur, door middel van een schriftelijke aankondiging van het (toen nog te nemen) bestreden besluit op de hoogte gesteld.

Voorts is van de zijde van verweerder gesteld dat verweerder wel degelijk rekening heeft gehouden met de belangen van de horecaondernemers in het centrum van Rotterdam, gelet op de, meer ingrijpende, alternatieven die verweerder voor ogen heben gestaan, zoals een algehele sluiting van de horeca in het centrum van Rotterdam op Koninginnedag 1999, zodat niet gesteld kan worden dat sprake is van een onredelijke dan wel onevenredige benadeling van de Rotterdamse horeca.

Tenslotte is van de zijde van verweerder gesteld dat de termijn waarop de bekendmaking van het bestreden besluit heeft plaatsgevonden gelet op de recente ongeregeldheden op 25 april 1999 geenszins onredelijk kan worden geacht.

De president overweegt als volgt.

Met verweerder is de president van oordeel dat de bekendmaking van het bestreden besluit middels aanplakking daarvan op het gemeentelijk publikatiebord past binnen hetgeen daaromtrent in artikel 3:41, tweede lid, van de Awb is bepaald. In dit oordeel heeft de president betrokken dat zowel middels deze wijze van bekendmaking als ook middels verweerders brief van 29 april 1999, gericht en - zo is ter zitting gebleken - op 29 april 1999 na 12.00 uur uitgereikt aan alle horecaondernemers in het betrokken gebied, waarin de inhoud van het (toen nog te nemen) bestreden besluit werd aangekondigd, belanghebbenden in voldoende mate in de gelegenheid zijn gesteld tijdig rechtsmiddelen tegen dit besluit aan te wenden.

De president is voorts van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit en het afkondigen daarvan geen redelijke termijn in acht heeft genomen. In dit oordeel heeft de president betrokken dat verweerder zich - blijkens het verhandelde ter zitting - (met name) na de ongeregeldheden op 25 april 1999 rond het landskampioenschap voetbal van Feyenoord heeft beraden over eventueel te treffen bestuurlijke maatregelen op Koninginnedag en dat daarover reeds op maandag 26 april 1999 en dinsdag 27 april 1999 overleg is geweest met Horeca Nederland en diverse horecaondernemers in het centrum van Rotterdam.

Anders dan verzoekers is de president van oordeel dat de motivering van het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden als voldoende dient te worden aangemerkt en daarenboven niets aan duidelijkheid te wensen over laat, gelet op het feit dat in de overwegingen van het bestreden besluit wordt verwezen naar de ongeregeldheden die zich op 30 april 1998 hebben voorgedaan en naar de recente ongeregeldheden naar aanleiding van de viering van het landskampioenschap van Feyenoord op 25 april 1999. De president kan verzoekers dan ook niet volgen in hun standpunt dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert.

De president merkt op dat de bevoegdheid die verweerder op grond van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet heeft discretionair van aard is, hetgeen inhoudt dat verweerder een bepaalde beleidsvrijheid ter zake is gelaten. De gebruikmaking van verweerders bevoegdheid dient derhalve door de president terughoudend te worden beoordeeld.

Uitgaande van deze beperkte toetsing is de president, met name gelet op de gebeurtenissen op 30 april 1998 en op 25 april 1999, van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat verweerder bevoegd was een bevel als bedoeld in artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet te geven. Niet gezegd kan worden dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het bestreden besluit. Verweerder heeft naar het oordeel van de president voldoende rekening gehouden met de belangen van de horecaondernemers in het centrum van Rotterdam door het bevel te beperken tot een deel van de dag, namelijk van 06.00 uur tot 18.00 uur.

Gelet op het voorgaande ziet de president dan ook geen aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de president evenmin aanleiding.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door mr J.P.G. Poell, president,

en mr C.W. van der Wal-de Jong als griffier is ondertekend.

De griffier: De president:

Afschrift verzonden op: