Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BY8111

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
AWB 12 / 406
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:173, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De zaak maakt deel uit van een reeks van beroepen betreffende een horecabedrijf te Reuver. Deze procedure gaat over een omgevingsvergunning voor binnenplanse afwijking op grond van de Wabo om de functie van een ruimte achter het café te wijzigen van privégebruik naar horecadoeleinden.

De rechtbank heeft de beroepsgronden van de bewoners van de aanpandige woning verworpen. Onder meer is geoordeeld dat aan de wettelijke eis van het Bouwbesluit 2003 voor luchtgeluidisolatie wordt voldaan voor “andere bijeenkomsten” maar niet voor geluidsbelastende bijeenkomsten en dat verweerder er terecht van uitgegaan is dat de functiewijziging geen geluidsbelastende bijeenkomsten betreft. De rechtbank heeft voorts onder meer van belang geacht dat verweerder rapporten heeft overgelegd van controlemetingen in de periode vanaf 14 oktober 2011, waarbij steeds is geconstateerd dat de maximaal toegestane geluidsniveaus van het Barim niet worden overschreden. De rechtbank is verder van oordeel dat de aan de vergunning verbonden beperkende voorschrift voldoende duidelijk en handhaafbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 406

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 december 2012 in de zaak tussen

[naam 1], [naam 2] en ir.[naam 3], te Reuver, eisers

(gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen),

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Beesel, verweerder

(gemachtigde: mr. X.P.C. Wynands),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 4], te Reuver.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten eerste , van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), hierna te noemen omgevingsvergunning voor binnenplanse afwijking, verleend ten behoeve van gebruikswijziging van een woonvertrek in een ruimte bij het bestaande café om te vergaderen, kleinschalige recepties te houden en te darten.

Bij besluit van 17 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder wederom op het bezwaar van eisers beslist.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben naar aanleiding van het verweerschrift de gronden van het beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2012, gevoegd met de beroepen van eisers in de zaken [procedurenummers]. Van eisers zijn daar verschenen [naam 1] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. M.W.G. Gommans-Janssen. Derde-partij is in persoon verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 17 augustus 2009 is aan derde-partij als exploitant van café [naam] te Reuver op grond van de toenmalige Wet op de Ruimtelijke Ordening, met toepassing van de daartoe aanwezige binnenplanse bevoegdheid, vrijstelling van het bestemmingsplan “Centrum Reuver” verleend alsmede een bouwvergunning. Dat besluit betrof dezelfde functiewijzing en bouwwerkzaamheden als de thans in geding zijnde omgevingsvergunning voor binnenplanse afwijking. Aan de destijds verleende vrijstelling en vergunning is door derde-partij uitvoering gegeven. Bij besluit van 7 december 2009 heeft verweerder het bezwaar van eisers, die het naastgelegen pand bewonen, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 juni 2010 heeft deze rechtbank het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

2. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 16 maart 2011 in hoger beroep, voor zover in dezen van belang, overwogen dat verweerders aan zijn besluit van 7 december 2009 geen concrete, objectieve gegevens ten grondslag heeft gelegd waaruit volgt dat aan de in het Bouwbesluit opgenomen grenswaarden voor zowel lucht- als contactgeluid wordt voldaan. De Afdeling heeft daaraan de conclusie verbonden dat onduidelijk is op grond waarvan verweerder het aannemelijk heeft geacht dat het bouwplan in overeenstemming is met artikel 3.18 van het Bouwbesluit. Het door eisers overgelegde akoestisch onderzoek bood naar het oordeel van de Afdeling aanknopingspunten voor het oordeel dat de met dit bouwplan aangevraagde isolatie ontoereikend is om de gebruiksmogelijkheden van het aangrenzende pand van eisers te waarborgen. De Afdeling is daarom tot het oordeel gekomen dat het besluit op bezwaar van 7 december 2009 in zoverre onzorgvuldig was voorbereid. De Afdeling heeft in haar uitspraak tevens overwogen dat de te verwachten geluidsoverlast vanwege de uitbreiding van het café deel uitmaakt van de belangenafweging bij het verlenen van vrijstelling. Nu de volgens het akoestisch onderzoek te treffen voorzieningen niet overeenkomen met de volgens de bouwtekening genomen maatregelen, dient naar het oordeel van de Afdeling te worden betwijfeld of aan de in het Barim opgenomen geluidnormen kan worden voldaan. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat, anders dan verweerder had aangenomen, in het vrijstellingsbesluit niet verzekerd was dat de te verwachten geluidsoverlast beperkt zal zijn tot geluid afkomstig van slechts een vergader- en dartruimte met achtergrondmuziek. De Afdeling is tot de slotsom gekomen dat verweerder in zijn besluit op bezwaar van 7 december 2009 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bouwplan niet zodanige inbreuk maakt op de belangen van eisers dat de vrijstelling hierom geweigerd moest worden.

3. Naar aanleiding van die uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2011 heeft verweerder het bezwaar van eisers alsnog gegrond verklaard, de bij besluit van 17 augustus 2009 verleende bouwvergunning en vrijstelling herroepen en de daaraan ten grondslag liggende aanvraag van 16 januari 2009 alsnog afgewezen.

4. Derde-partij heeft vervolgens op 23 juni 2011, aangevuld op 18 juli 2011, een aanvraag voor omgevingsvergunning voor binnenplanse afwijking op grond van de Wabo gedaan met als doel de reeds gerealiseerde gebruikswijziging te legaliseren. Derde-partij heeft zijn aanvraag onderbouwd met een akoestisch onderzoek van 16 juni 2011 en een aanvullend akoestisch onderzoek van 18 juli 2011, beide uitgevoerd door Grouls adviesburo.

5. Ter voorbereiding van het besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning heeft verweerder vervolgens bureau DHV BV opdracht gegeven ter plaatse geluidsmetingen te verrichten. De bevindingen daaruit zijn neergelegd in een rapport van 16 augustus 2011 en zijn aanleiding geweest om de gevraagde omgevingsvergunning bij besluit van 26 september 2011 te verlenen met daarbij het voorschrift dat de achterzijde van het pand van café [naam], voor zover het bouwplan daarop betrekking heeft, uitsluitend mag worden gebruikt voor horecadoeleinden als behorende tot de categorie “Horecabedrijf I” van het vigerende bestemmingsplan, met dien verstande dat gebruik als bijeenkomstfunctie voor geluidsbelastende activiteiten niet is toegestaan. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat geen omgevingsvergunning is vereist voor de activiteit bouwen, omdat het bouwplan betrekking heeft op het veranderen van een bouwwerk en aan de eisen van het Besluit Omgevingsrecht (Bor) om dit vergunningvrij te doen, wordt voldaan. De heroverweging van het primaire besluit op basis van het bezwaar van eisers is aanleiding geweest om het in het primaire besluit aan de vergunning verbonden voorschrift aan te vullen met de bepaling dat het in de ruimte te produceren geluid beperkt blijft tot geluid afkomstig van een vergader-, dart- en kleinschalige receptieruimte met achtergrondmuziek.

6. Als eerste beroepsgrond hebben eisers aangevoerd dat het bestreden besluit onrechtmatig is wegens vooringenomenheid verweerder. De rechtbank volgt hen daarin niet, reeds omdat hetgeen zij daartoe hebben aangevoerd onvoldoende objectieve gegevens bevat om tot schending van artikel 2:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te concluderen.

7. Eisers hebben voorts betoogd dat er sprake is van strijd met de rechtszekerheid en het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden ten opzichte van de weigering van binnenplanse vrijstelling in het na de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2011 genomen nieuwe besluit op bezwaar. De rechtbank verwerpt dat betoog. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de bevoegdheid om artikel 4:6 van de Awb toe te passen, waarop eisers kennelijk het oog hebben, discretionair van aard is zodat ook bij het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden een nieuwe aanvraag inhoudelijk mag worden beoordeeld. Bovendien is de thans in geding zijnde aanvraag gedaan onder een nieuw wettelijk stelsel, namelijk de Wabo en de daarop berustende wetgeving.

8. Eisers hebben nog naar voren gebracht dat verweerder er in het bestreden besluit ten onrechte van uit is gegaan dat, anders dan voorheen, onder vigeur van de Wabo voor het bouwen geen omgevingsvergunning vereist is omdat het om een ondergeschikte verandering zou gaan in de zin van artikel 3 van bijlage II bij het Bor. Eisers hebben daartoe verwezen naar artikel 5, tweede lid, van bijlage II bij het Bor, inhoudende dat de artikelen 2 en 3 van bijlage II niet van toepassing zijn op een activiteit die plaatsvindt in, aan, op of bij een bouwwerk dat illegaal is gebouwd of wordt gebruikt.

8.1. Alvorens aan bespreking van die beroepsgrond te kunnen toekomen, dient de rechtbank allereerst in te gaan op het ter zitting door de gemachtigde van verweerder opgeworpen verweer dat deze grond ingevolge artikel 6:13 van de Awb buiten beschouwing zou moeten worden gelaten, omdat eisers in bezwaar de activiteit bouwen niet aan de orde hebben gesteld, terwijl in het primaire besluit wel is beslist dat de aanvraag voor die activiteit niet in behandeling wordt genomen omdat de voorgenomen bouwactiviteiten vergunningvrij zijn. De rechtbank verwerpt dat verweer nu in het bezwaarschrift van eisers van 21 november 2011 weliswaar niet het onder 8 omschreven betoog is opgenomen maar wel strijdigheid van het bouwplan met het Bouwbesluit 2003 is ingeroepen. Derhalve is niet staande te houden dat het bezwaar geen betrekking had op de activiteit bouwen.

8.2. De rechtbank volgt evenwel eisers niet in hun beroep op artikel 5, tweede lid, van bijlage II bij het Bor. Immers juist door de bij het primaire besluit verleende vergunning voor binnenplanse afwijking is er geen sprake meer van een activiteit die plaatsvindt in, op of bij een bouwwerk dat illegaal wordt gebruikt.

9. Ook het betoog van eisers dat er voor de beoogde gebruikswijziging tevens een omgevingsvergunning voor het veranderen van een milieu-inrichting nodig zou zijn, honoreert de rechtbank niet. Het café van derde partij is namelijk geen inrichting die milieuvergunningplichtig en derhalve is ook geen veranderingsvergunning nodig.

10. Eisers hebben een aantal gronden aangevoerd met de strekking dat de functiewijziging van de ruimte achter het café een onaanvaardbare geluidsbelasting binnen de woning van eisers veroorzaakt. De rechtbank overweegt daarover als volgt

10.1. In het rapport betreffende metingen die DHV BV in opdracht van verweerder heeft verricht is geconcludeerd dat wordt voldaan aan de wettelijke eis voor contactgeluidisolatie van het Bouwbesluit 2003 zowel in het geval van “andere bijeenkomstfunctie”, als voor geluidsbelastende bijeenkomsten en dat aan de wettelijke eis voor luchtgeluidisolatie wordt voldaan voor “andere bijeenkomsten” maar niet voor geluidsbelastende bijeenkomsten. Door eisers zijn daar geen concrete meetgegevens tegenover gesteld, maar is slechts bij herhaling gesteld dat zij overlast ervaren en met name dat zij in hun nachtrust worden gestoord. Nu DHV is te beschouwen als deskundig op het gebied van akoestisch onderzoek en eisers daar geen deskundigenonderzoek tegenover hebben gesteld, houdt de rechtbank het er daarom voor dat de conclusies van DHV juist zijn. De subjectieve ervaring van overlast door eisers kan daaraan niet afdoen. Ook het beroep dat eisers hebben gedaan op normen van de Wereldgezondheidsorganisatie leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat die normen de wettelijke bepalingen van het Bouwbesluit 2003 niet opzij kunnen zetten.

10.2. Eisers hebben nog betoogd dat verweerder er ten onrechte van uit is gegaan dat sprake is van “andere bijeenkomstfunctie” in de zin van het Bouwbesluit 2003 omdat bijvoorbeeld dartwedstrijden met geluidsoverlast door geschreeuw, gejoel en geluid gepaard gaan. Verweerder heeft in reactie daarop verwezen naar het praktijkboek Bouwbesluit 2003 van het Ministerie van VROM, waarin is toegelicht dat van een bijeenkomstfunctie voor geluidsbelastende activiteiten sprake is als bijvoorbeeld muziek (als van live artiesten) wordt gemaakt of een film (als in een bioscoop) wordt vertoond. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op die toelichting heeft mogen baseren en dat de daarin gegeven voorbeelden van geluidsbelastende activiteiten niet op een lijn zijn te stellen met de activiteiten waarop de in geding zijnde vergunning betrekking heeft. Het betoog van eisers slaagt niet.

10.3. De rechtbank acht voorts van belang dat verweerder rapporten heeft overgelegd van een vijftal controlemetingen in de periode vanaf 14 oktober 2011, waarbij steeds is geconstateerd dat de maximaal toegestane geluidsniveaus van het Barim niet worden overschreden. Onder verwijzing naar de uitspraak van heden in het beroep van eisers in de zaak met nummer [procedurenummer] overweegt de rechtbank over die rapporten dat deze berusten op naar behoren verricht onderzoek, zodat er reeds daarom geen reden is om aan te nemen dat door de in geding zijnde functiewijziging de geluidsvoorschriften van het Barim worden overtreden. Eisers wijzen er - op zichzelf terecht- op dat de geluidsvoorschriften van het Barim niet allesbepalend zijn bij de beoordeling of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de door verweerder te verrichten belangenafweging. De rapporten van de controlemetingen duiden erop dat regelmatig, tot in de late uren, stemgeluid en contactgeluid uit het café in de woning van eisers is te horen. Er zijn evenwel geen aanwijzingen dat die geluiden juist in de betrokken achterruimte worden geproduceerd. Het is veeleer aannemelijk dat deze komen uit het bestaande, in overeenstemming met de bestemming gebruikte, café. Ook dit betoog van eisers faalt.

11. Eisers hebben voorts betoogd dat het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift onvoldoende concreet is en dus geen rechtszekerheid biedt. Ook vinden zij het voorschrift niet handhaafbaar nu binnen het horecabedrijf geen scheiding is aan te brengen tussen geluidsbelastende en andere activiteiten. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit op advies van de bezwarencommissie het in het primaire besluit aan de vergunning verbonden voorschrift heeft geconcretiseerd door dit aldus uit te breiden dat het gebruik beperkt moet blijven tot geluid afkomstig van een vergader- dart- en kleinschalige receptieruimte met achtergrondmuziek. De rechtbank acht dat voorschrift voldoende duidelijk en ook handhaafbaar en derhalve niet in strijd met de rechtzekerheid. Zij merkt daarbij op dat uit de voorhanden gegevens over de feitelijke situatie blijkt dat de verleende vergunning een afzonderlijke ruimte betreft die door een deur van het café is gescheiden. Het betoog van eisers treft dus geen doel.

12. Eisers hebben ten slotte betoogd dat in plaats van een voorschrift een beperking aan de verleende omgevingsvergunning had moeten worden verbonden. Artikel 2.22. van de Wabo kent evenwel het door eisers bedoelde onderscheid niet. Bovendien heeft het door verweerder gestelde voorschrift feitelijk een, op grond van artikel 2.22 van de Wabo geoorloofd, beperkend karakter. Het betoog faalt derhalve.

13. Uit het voorgaande volgt dat geen van de beroepsgronden van eisers doel treft. Het beroep is dus ongegrond.

14. Eisers hebben de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de door hen geleden schade als gevolg van de inbreuken op hun persoonlijke levenssfeer die zouden zijn ontstaan door de verleende omgevingsvergunning. Dat verzoek komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu artikel 8:73 van de Awb daarvoor als voorwaarde stelt dat het beroep gegrond is.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep ongegrond;

-wijst het verzoek van eisers om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout (voorzitter), en mr. A.W.P. Letschert en mr. P.J. Voncken, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2012.

w.g. mr. W.A.M. Bocken,

griffier

w.g. mr. T.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 december 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.