Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BY8100

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
AWB 12/120
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft eisers verzoek afgewezen om toekenning van een proceskostenvergoeding wegens de kosten van een in bezwaar overgelegd deskundigenrapport. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in dit geval niet om kosten die redelijkerwijs zijn gemaakt, zodat deze kosten ook niet voor vergoeding in aanmerking komen ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het betreft de kosten van een deskundigen rapport dat is uitgebracht nádat verweerder de waarde reeds had verlaagd. Met die waarde kon eiser zich verenigen, maar zijn gemachtigde stelde dat hij alvorens dat te kunnen concluderen een deskundige de nieuwe waarde heeft moeten laten beoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-0158
V-N Vandaag 2013/39
Belastingblad 2013/101
Belastingblad 2013/152

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 120

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2012 in de zaak tussen

[eiser], te Weert, eiser

(gemachtigde A. Oosters),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Weert, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2011 heeft verweerder krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ), de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: de woning) te Weert, per waardepeildatum 1 januari 2010 vastgesteld op € 179.000,= voor het tijdvak 1 januari 2011 tot 1 januari 2012.

De gemachtigde heeft namens eiser bij brief van 23 maart 2011 bezwaar ingediend tegen voornoemd besluit.

Bij uitspraak op bezwaar van 19 december 2011 heeft verweerder eisers bezwaar gegrond verklaard en de vastgestelde waarde verlaagd naar € 165.000,=.

De gemachtigde heeft namens eiser op 24 januari 2012 tegen dat besluit beroep ingesteld voor zover het betreft de toegekende proceskostenvergoeding.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2012. Namens eiser zijn verschenen A. Oosters en [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.J. Vecht.

Geschil en beoordeling

1. In geschil is uitsluitend het niet vergoeden door verweerder van de kosten van het in bezwaar overgelegde deskundigenrapport.

2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten van het deskundigenrapport ad € 380,80 (inclusief BTW) volledig voor vergoeding in aanmerking komen.

Eisers gemachtigde heeft ter zitting nader gemotiveerd dat hoewel verweerder naar aanleiding van het door eiser ingediende bezwaarschrift in de conceptuitspraak op bezwaar eisers bezwaar reeds gegrond heeft verklaard en de WOZ-waarde heeft verlaagd naar € 165.000,=, hij van mening was dat hij deze waarde toch nog op juistheid moest laten controleren door een door hem ingeschakelde taxateur. Eiser is van mening dat hij de waarde genoemd in een conceptuitspraak eerst dient te controleren, alvorens hij akkoord kan gaan met die waarde. Zodoende is eiser van mening dat hij de kosten van dit deskundigenrapport redelijkerwijs heeft gemaakt niettegenstaande het feit dat verweerder de waarde reeds had verlaagd. Dat uit dit deskundigenrapport vervolgens bleek dat verweerder de waarde in de conceptuitspraak correct had vastgesteld, doet hier volgens eiser niet aan af.

3. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat er in het geheel geen taxatiekosten vergoed dienen te worden aangezien deze kosten conform de overgelegde factuur opgaan in de kosten van gemachtigde. Daarnaast stelt verweerder dat de kosten van het taxatierapport eveneens niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat dit taxatierapport niet heeft bijgedragen aan de verlaging van de waarde van eisers woning. Eiser heeft het taxatierapport namelijk pas op 28 juli 2011 in de procedure gebracht. Dit is nadat verweerder op 8 juli 2011 al aan eiser een conceptuitspraak op bezwaar had toegezonden. In de definitieve uitspraak op bezwaar van 19 december 2011 heeft verweerder de WOZ waarde uit de conceptuitspraak op bezwaar gehandhaafd. Tenslotte stelt verweerder dat, indien toch wordt overgegaan tot vergoeding van de kosten van het deskundigenrapport, een tijdbesteding van 4 uur redelijk is tegen een uurtarief van € 50,= wat resulteert in een vergoeding van € 238,= (inclusief BTW).

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

6. Ingevolge artikel 8:75 van de Awb is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

7. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de redenering dat de kosten van een deskundige in een zaak als de onderhavige reeds opgaan in de kosten van de gemachtigde als zodanig niet opgaat. Zowel de kosten van een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent als de kosten van een door deze gemachtigde ingeschakelde deskundige kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. Bij de beantwoording van de vraag of gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen geldt echter een redelijkheidstoets. De allereerst te beantwoorden vraag is derhalve of de kosten zoals die waarvoor een vergoeding wordt gevraagd in het concrete geval redelijk zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in onderhavige zaak niet het geval. Het in opdracht van eiser opgemaakte deskundigenrapport is pas na de conceptuitspraak op bezwaar overgelegd. Daarna heeft verweerder de definitieve uitspraak op bezwaar aan eiser toegezonden, met daarin dezelfde WOZ-waarde genoemd als in de conceptuitspraak op bezwaar.

Eiser is vervolgens enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding in de uitspraak op bezwaar in beroep gegaan, en was het dus eens met de vastgestelde WOZ-waarde in zowel de conceptuitspraak als de definitieve uitspraak op bezwaar, naar achteraf kan worden geconstateerd. Op grond van vorengaande acht de rechtbank de door eiser gemaakte kosten wegens het inschakelen van een deskundige, geen redelijkerwijs gemaakte kosten die ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking komen. Immers, het deskundigenrapport heeft geen bijdrage geleverd aan de uitkomst van het primaire geschil, te weten de hoogte van de WOZ-waarde van eisers woning. Naar het oordeel van de rechtbank mag van een deskundige gemachtigde verwacht worden dat, indien een bestuursorgaan tegemoet komt aan een bezwaar ter zake van een WOZ-waarde, deze ook zelf een inschatting kan maken, al dan niet in overleg met zijn opdrachtgever, of de nader te bepalen waarde wel juist wordt geacht. De rechtbank merkt in dit verband op dat de gemachtigde van eiser, naar haar bekend is op grond van mededelingen dienaangaande door die gemachtigde, ook zelf over taxatiekundige kennis beschikt. De rechtbank heeft in haar oordeel ook betrokken dat verweerder er voor heeft gekozen in het onderhavige geval te werken met een concept-uitspraak op bezwaar. Indien verweerder dat niet had gedaan, had eiser zich moeten afvragen of hij in beroep wenste te gaan tegen de verlaagde waarde. Indien in dat geval een deskundige zou zijn ingeschakeld om de verlaagde waarde (nader) te laten toetsen zouden de kosten van die deskundige ook niet voor vergoeding in aanmerking zijn gekomen indien alsdan het beroep niet zou zijn gehandhaafd of niet zou zijn ingesteld. Wat van dit laatste echter ook moge zijn, primair acht de rechtbank de onderhavige kosten in een geval als dat aan haar voorligt niet redelijkerwijze gemaakt. Het beroep van eiser is derhalve ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling in beroep bestaat geen aanleiding. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.H. Machiels, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van Rie, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2012.

w.g. mr. E. van Rie,

griffier w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 december 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.