Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BY7975

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
09-01-2013
Zaaknummer
AWB 12 / 985 en AWB 12 / 355
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om inzage in integriteitsmeldingen van wethouders en burgemeester in kader van de Wet openbaarheid van bestuur is gehonoreerd door toezending van een uittreksel. Afwijzing om de informatie te verstrekken in de vorm die is gevraagd is ondeugdelijk gemotiveerd. Rechtbank doet tussenuitspraak om gebrek te doen herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 2012 / 985

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 december 2012 in de zaak tussen

Media Groep Limburg B.V., te Sittard, eiseres

(gemachtigde: mr. J.L.J.E. Koster),

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond, verweerder

(gemachtigde: mr. J.D.E. van den Heuvel).

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2012 heeft verweerder aan Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad (verder: DDL/LD) een uittreksel verstrekt van de integriteitsmeldingen die burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond sedert 8 september 2010 hebben gedaan. Tegen dit besluit van 1 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft eiseres bij verweerder bezwaar ingediend, met het verzoek ten aanzien daarvan in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank. Verweerder heeft met dit verzoek ingestemd en het bezwaarschrift doorgezonden aan de rechtbank.

De zaak is gevoegd met de eveneens tussen partijen in geding zijnde zaak onder zaaknummer 12/355, en met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 juli 2012. Op deze zitting zijn namens eiseres verschenen haar gemachtigde, [naam 1], [naam 2] en [naam 3]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door haar hierboven genoemde gemachtigde en

L. van den Bongard. De ten tijde van de zitting nog als derde-partij gestelde, [naam 4], is eveneens ter zitting verschenen.

Bij brief van 10 september 2012 heeft verweerder gebruik gemaakt van de gelegenheid, die de rechtbank had geboden door haar tussenuitspraak van 31 juli 2012, door het besluit van

1 mei 2012 nader te motiveren en door inzending van nadere stukken. Ten aanzien van die nadere stukken heeft verweerder de rechtbank gevraagd om toepassing van het bepaalde in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. Tevens is te kennen gegeven dat de leden van verweerders college niet (meer) aan de procedure wensen deel te nemen als derde-partij.

Eiseres heeft schriftelijk gereageerd op verweerders brief van 10 september 2012 en gepersisteerd bij het beroep. De rechtbank heeft daarop op 18 december 2012 beslist dat beperkte kennisneming van de nader ingezonden stukken is gerechtvaardigd en eiseres heeft vervolgens erin toegestemd, dat uitsluitend de rechtbank kennis neemt van die stukken.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Awb het onderzoek gesloten op 29 november 2012 en bepaald dat uitspraak wordt gedaan binnen zes weken.

Overwegingen

1. Voor de feiten die hebben geleid tot de onderhavige procedure en voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van 31 juli 2012 (LJN: BX3997).

2. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen, dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit van 1 mei 2012 dient te worden vernietigd, omdat in dat besluit enige motivering over de wijze van informatieverstrekking ontbreekt.

In het kader van finale geschillenbeslechting en ter beoordeling van de in de loop van het beroep gegeven motivering van het bestreden besluit en van de daartegen gerichte gronden heeft de rechtbank door deze tussenuitspraak de bestuurlijke lus als bedoeld in artikel 8:51a van de Awb toegepast. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld tot een nadere en dan draagkrachtige motivering van het bestreden besluit ten aanzien van de vorm van openbaarmaking van de door eiseres gevraagde informatie dan wel tot een nader besluit op dit punt. Verweerder heeft hiervan gebruik gemaakt bij brief van 10 september 2012 met inzending van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het uittreksel dat aan eiseres ter beschikking was gesteld als reactie op haar verzoek om openbaarmaking

3. De rechtbank is door verweerders nadere motivering van het bestreden besluit en verder vooral door inzage van de door hem ingezonden stukken tot de overtuiging gekomen, dat verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB). De inhoud van deze stukken, voor zover die verband houden met het verzoek van eiseres om openbaarmaking van de integriteitsmeldingen, bevatten niet meer en niet wezenlijk andere informatie dan hetgeen is terechtgekomen op het aan eiseres verstrekte uittreksel. Hoewel er op zich genomen geen bezwaar tegen zou hebben bestaan om in plaats van of naast de registers de onderliggende meldingen zelf aan eiseres openbaar te maken, is naar het oordeel van de rechtbank ingevolge genoemde bepaling het verstrekken van informatie in de door verweerder gekozen vorm, dat wil zeggen via de registratieve uittreksels, geoorloofd en is verweerders weigering om deze stukken zelf die ten grondslag hebben gelegen aan het uittreksel aan eiseres te verstrekken dan ook niet onrechtmatig te noemen. Daarom, en vanwege het gegeven, dat de onderliggende, aan de rechtbank ter inzage gezonden, stukken verder informatie bevatten, die geen betrekking heeft op de aanvraag, maar op collegebesluiten over andere onderwerpen, was verweerder niet verplicht deze onderliggende stukken zelf te verstrekken of anderszins openbaar te maken.

4. De rechtbank komt tot de slotsom, dat het beroep van eiseres gegrond dient te worden verklaard, dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd en dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand dienen te worden gelaten.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.092,50. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt 2,5 punt toegekend (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie op verweerders nadere motivering. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 1.092,50 (wegens kosten van rechtsbijstand) te betalen aan eiseres;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door of namens deze betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 volledig vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout (voorzitter), mr. P.J. Voncken, en mr. B.J. Zippelius, leden, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2012.

w.g. J.N. Buddeke,

griffier

w.g. mr. T.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 20 december 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.