Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BY6618

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
AWB 12/989 en 12/1028
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:1987, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rb. stelt voorop dat onder algemeen verbindend voorschrift moet worden verstaan een naar buiten werkende regeling die is vastgesteld door een overheidsorgaan dat de bevoegdheid daartoe ontleent aan de Grondwet of een wet in formele zin.

Art. 2.27 van de Wabo houdt in dat in bij wet of bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van gevallen kan worden bepaald dat een omgevingsvergunning niet kan worden verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daar geen bedenkingen tegen heeft. In art. 6.5, van het Bor, zijnde een algemene maatregel van bestuur, is bepaald dat, behoudens een daarin aangeduide uitzondering, voor een omgevingsvergunning voor buitenplanse afwijking een verklaring van geen bezwaar van de gemeenteraad nodig is. In het derde lid van art. 6.5 van het Bor is vervolgens geregeld dat de gemeenteraad categorieën van gevallen kan aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist. In dit wettelijk stelsel vormt art. 6.5, eerste lid, van het Bor een toepassing van art. 2.27 van de Wabo en maakt art. 6.5, derde lid, van het Bor daarop een uitzondering. Naar het oordeel van de rb. is art. 6.5, derde lid, van het Bor aldus, anders dan eisers betogen, te herleiden tot de in art. 2.27 van de Wabo opgenomen regelgevende bevoegdheid.

Wat betreft het, door eisers aan de orde gestelde, element van het begrip algemeen verbindend voorschrift dat het moet gaan om een regeling met externe werking, verwijst de rb. naar de uitspraak van de ABRS van 28-06-2006 (LJN: AX9458) waarin is geoordeeld dat de vaststelling van de lijst van gevallen door Gedeputeerde Staten op grond van art. 19, tweede lid, van de WRO een algemeen verbindend voorschrift is. Wat betreft het aspect van externe werking en herhaalde toepasbaarheid is er geen verschil tussen de bevoegdheid van art. 19, tweede lid, van de WRO en die van art. 6.5, derde lid, van het Bor.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.27, geldigheid: 2012-12-13
Besluit omgevingsrecht 6.5, geldigheid: 2012-12-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5116

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12 / 989 en 12/1028

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 december 2012 in de zaken tussen

[eiser 1], [eiseres][eiser 2], te Reuver, eisers,

en

de raad van de gemeente Beesel, verweerder

(gemachtigde: mr. J.L.S. van der Velden),

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2010 heeft de raad van de gemeente Beesel (hierna: de raad) categorieën van gevallen aangewezen waarin een verklaring van geen bedenkingen voor bepaalde omgevingsvergunningen ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) niet is vereist. Dat besluit (hierna: het aanwijzingsbesluit) is op 1 februari 2012 bekendgemaakt door publicatie in een huis-aan-huisblad en het gemeenteblad.

Bij besluit van 18 juni 2012 heeft de raad het bezwaar van eisers tegen het aanwijzingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 19 juni 2012 heeft verweerder naar aanleiding van een op 4 mei 2012 ontvangen ingebrekestelling wegens gesteld niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen het aanwijzingsbesluit geweigerd om eisers een dwangsom toe te kennen.

Eisers hebben tegen de besluiten van 18 juni 2012 en 19 juni 2012 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend betreffende het beroep tegen het besluit van 18 juni 2012.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2012, gevoegd met de zaken met de nummers 11/1765, 11/1809 en 12/406. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en worden afzonderlijke uitspraken gedaan. Van eisers zijn verschenen [eiser 1] en [eiser 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt allereerst vast dat, gelet op artikel 4:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), er geen sprake is van een afzonderlijk beroep tegen het besluit omtrent de dwangsom. Het beroep tegen het besluit van 18 juni 2012 heeft van rechtswege mede betrekking op het besluit van 19 juni 2012.

2. De raad heeft bij het aanwijzingsbesluit bepaald in welke gevallen voor zogeheten buitenplanse afwijking van een bestemmingsplan geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist. De raad heeft dat besluit gebaseerd op artikel 2.27 van de Wabo en artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Eisers hebben zich in het kader van het beroep tegen het besluit waarbij omgevingsvergunning voor buitenplanse afwijking ten behoeve van een horecaterras (bij deze rechtbank bekend onder zaaksnummer [nummer procedure]) is verleend, erop beroepen dat het aanwijzingsbesluit niet was bekendgemaakt en derhalve niet in werking was getreden zodat het in dat geding bestreden besluit niet aan de wettelijke vereisten voldeed. Naar aanleiding daarvan is het aanwijzingsbesluit alsnog op 1 februari 2012 door publicatie bekendgemaakt.

3. Eisers hebben naar aanleiding van genoemde publicatie bij brief van 22 februari 2012 tegen het aanwijzingsbesluit bezwaar gemaakt -kort samengevat- op de grond dat dit onbevoegd is genomen en ook om andere redenen onrechtmatig is.

4. Bij het bestreden besluit van 18 juni 2012 heeft de raad zich, in navolging van het advies van de commissie voor bezwaarschriften, op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit kennelijk niet-ontvankelijk is, zodat van het horen van eisers kon worden afgezien. Dat standpunt berust op de motivering dat het aanwijzingsbesluit een algemeen verbindend voorschrift is, waartegen ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb geen beroep, en derhalve ingevolge artikel 7:1 van de Awb ook geen bezwaar mogelijk is.

5. Bij het besluit van 19 juni 2012 heeft de raad het standpunt ingenomen dat sprake is van een van de wettelijke uitzonderingen waarin bij overschrijding van de termijn om een besluit te nemen geen dwangsom verschuldigd is, namelijk het in artikel 4:17, zesde lid aanhef en onder c, van de Awb opgenomen geval dat de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk is.

6. De rechtbank moet beoordelen of de raad terecht heeft beslist dat het bezwaar van eisers kennelijk niet-ontvankelijk is en in bijzonder of de raad daarbij terecht het standpunt heeft ingenomen dat een aanwijzingsbesluit als het voorliggende een algemeen verbindend voorschrift is. De rechtbank stelt daartoe voorop dat onder algemeen verbindend voorschrift moet worden verstaan een naar buiten werkende regeling die is vastgesteld door een overheidsorgaan dat de bevoegdheid daartoe ontleent aan de Grondwet of een wet in formele zin.

7. Artikel 2.27 van de Wabo houdt in dat in bij wet of bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van gevallen kan worden bepaald dat een omgevingsvergunning niet kan worden verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daar geen bedenkingen tegen heeft. In artikel 6.5, van het Bor, zijnde een algemene maatregel van bestuur, is bepaald dat, behoudens een daarin aangeduide uitzondering, voor een omgevingsvergunning voor buitenplanse afwijking een verklaring van geen bezwaar van de gemeenteraad nodig is. In het derde lid van artikel 6.5 van het Bor is vervolgens geregeld dat de gemeenteraad categorieën van gevallen kan aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist. In dit wettelijk stelsel vormt artikel 6.5, eerste lid, van het Bor een toepassing van artikel 2.27 van de Wabo en maakt artikel 6.5, derde lid, van het Bor daarop een uitzondering. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 6.5, derde lid, van het Bor aldus, anders dan eisers betogen, te herleiden tot de in artikel 2.27 van de Wabo opgenomen regelgevende bevoegdheid.

8. Wat betreft het, door eisers aan de orde gestelde, element van het begrip algemeen verbindend voorschrift dat het moet gaan om een regeling met externe werking, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Afdeling van 28 juni 2006 (LJN: AX9458) waarin is geoordeeld dat de vaststelling van de lijst van gevallen door Gedeputeerde Staten op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een algemeen verbindend voorschrift is. Wat betreft het aspect van externe werking en herhaalde toepasbaarheid is er geen verschil tussen de bevoegdheid van artikel 19, tweede lid, van de WRO en die van artikel 6.5, derde lid, van het Bor.

9. Op grond van het voorgaande is de rechtbank tevens van oordeel dat het door de raad in het besluit van 18 juni ingenomen standpunt berust op een eenvoudige en zuiver juridische grondslag, zodat dit een evident karakter heeft. Dat betekent dat niet alleen bij besluit van 18 juni 2012 het bezwaar van eisers terecht kennelijk niet-ontvankelijk is geacht, maar ook dat bij besluit van 19 juni 2012 terecht is geweigerd om een dwangsom aan eisers toe te kennen.

10. Het beroep is derhalve ongegrond. Er zijn geen termen om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout (voorzitter), en mr. A.W.P. Letschert en mr. P.J. Voncken, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2012.

w.g. mr. W.A.M. Bocken,

griffier

w.g. mr. T.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 13 december 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.