Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BY5490

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
07-12-2012
Zaaknummer
04/850188-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Huiselijk geweld, poging doodslag door met bijl slaan op hoofd slapende partner. Dissociatieve toestand onvoldoende aannemelijk. Wel verminderde toerekening in verband met PTSS. Strafoplegging: gelet op uitdrukkelijke wens slachtoffer en in het belang van de kinderen vindt de strafoplegging plaats in het kader van behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector strafrecht

Parketnummer : 04/850188-12

Datum uitspraak: 5 december 2012

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende te [adres]

1.Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 november 2012.

2.De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

zij op of omstreeks 20 juni 2012 te Mariahoop, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet deze

[slachtoffer], meermalen, met een bijl, in elk geval met een hard voorwerp, op en/of tegen diens hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art. 287 j° 45 van het Wetboek van Strafrecht;

Althans indien ter zake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

zij op of omstreeks 20 juni 2012 te Mariahoop, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een verbrijzelde neus), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen met een bijl, in elk geval met een hard voorwerp, op en/of tegen diens hoofd te slaan;

art. 302 van het Wetboek van Strafrecht;

Althans indien ter zake al het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

zij op of omstreeks 20 juni 2012 te Mariahoop, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

toe te brengen, met dat opzet deze [slachtoffer], meermalen, met een bijl, in elk geval met een hard voorwerp op en/of tegen diens hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art. 302 j° 45 van het Wetboek van Strafrecht.

3.De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4.De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5.De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6.Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7.Bewijsoverwegingen

7.1.Standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 21 november 2012 gevorderd dat het primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, nu er geen sprake is van voorwaardelijk opzet. Ook dient verdachte te worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde, aangezien het letsel van het slachtoffer niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.2.Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

Samenvatting van de bewijsmiddelen en oordeel van de rechtbank

[slachtoffer] verklaart in het proces-verbaal van aangifte het volgende:

Ik woon samen met mijn vriendin, [verdachte] en mijn twee kinderen aan de [adres]. Wij zijn al 15 jaar samen. Op woensdag 20 juni 2012 werd ik plotseling wakker. Ik lag in het midden van het bed op mijn rechterzijde. Ik voelde plotseling harde klappen op mijn hoofd. Ik dacht dat ik aan het dromen was, hierop draaide ik me op mijn rug. Ik voelde meteen weer een klap. Op de slaapkamer was het donker, ik heb verduisterende gordijnen, ik kan mij niet herinneren of ik [verdachte] heb zien slaan. Ik beleefde dit allemaal in een soort roes. Ik voelde zeker tien tot vijftien harde klappen op mijn hoofd en gezicht. Ik weet nog dat ik rechtop ben gaan staan en uit bed ben gestapt. Ik kan mij nog herinneren dat ik heb gezegd: "Hou op, stop hiermee anders sla ik terug!". Ik weet wel nog dat ik ineens een hard voorwerp in mijn rechterhand vast had. Ik zag op mijn zwarte T-shirt en groene boxershort dat dit onder het bloed zat. Ik besefte vervolgens dat de vloer glad van mijn bloed was en dat ik met het harde voorwerp op mijn hoofd en gezicht was geslagen. Ik besefte vervolgens dat [verdachte] recht voor mij stond. Ik heb vervolgens aan [verdachte] gevraagd: "Waar ben jij mee bezig?". Ik hoorde dat zij zei: "Ik wilde jou en mijzelf ombrengen." Ik zag en hoorde vervolgens mijn twee kinderen. Zij stonden aan de deur van onze slaapkamer. Ik liep vervolgens de slaapkamer uit en zag dat het harde voorwerp in een gele/beige plastic zak zat. Ik keek in deze zak en zag dat het mijn kloofbijl betrof.

[verdachte] verklaart op 20 juni 2012 het volgende :

Ik weet niet wat er vanmorgen is gebeurd. Ik heb [getuige 1] naar de auto gestuurd. Ik weet nog dat ik mijn haren wilde gaan kammen. Voor de rest weet ik niets meer van wat er in mijn hoofd is omgegaan. Ik kwam pas bij zinnen door het geschreeuw van [slachtoffer] en toen hij de bijl van mij afpakte.

[getuige 3] verklaart in het proces-verbaal verhoor getuige het volgende:

Op woensdag 20 juni 2012 werd ik gebeld door de huisarts van [slachtoffer]. Ik hoorde dat zij vroeg of ik meteen de kinderen wilde komen halen omdat er sprake was van een zorgwekkende situatie. Ik heb de auto gepakt en ben naar de woning van [slachtoffer] en [verdachte] gegaan. Ik zag dat [getuige 2] en [getuige 1], dit zijn de kleinkinderen, huilend de woning van [slachtoffer] en [verdachte] verlieten. [getuige 2] vertelde mij dat zij haar vader had horen schreeuwen. Haar vader had geroepen: "Wat ben je aan het doen, stop, stop." Ze had even gewacht en is toen vanaf haar slaapkamer een verdieping omlaag gekomen. Ze vertelde toen dat ze overal bloed had zien liggen. [getuige 2] heeft ook verteld dat ze gehoord had dat [verdachte] zei: "Eerst jij en dan ik." [getuige 1] heeft verteld dat hij ook op geschreeuw van [slachtoffer] was afgekomen. [getuige 1] vertelde dat hij boven in de woning was geweest en dat hij allemaal bloed had gezien. Ze hebben allebei verteld dat ze hun moeder/[verdachte] met een bijl in haar handen hadden zien staan.

Uit de medische informatie d.d. 10 september 2012, opgemaakt door [naam arts], forensisch geneeskundige van de GGD Limburg-Noord , blijkt dat [slachtoffer], wonende aan de [adres], op 20 juni 2012 in het Orbis Medisch Centrum in Sittard is onderzocht door chirurg [naam]. [naam] heeft bij [slachtoffer] letsel waargenomen dat bestond uit twee wonden op het behaarde hoofd, een zwelling van de neus, een neusbloeding en een oppervlakkige wond op het voorhoofd. Hij verklaart dat er gering uitwendig bloedverlies was en dat de neus niet gebroken was. Hij schat de duur van de genezing op twee tot drie weken.

De motivering van de bewezenverklaring

Voor bewezenverklaring van poging tot doodslag is vereist dat verdachte minimaal het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] dient te hebben gehad, hetgeen inhoudt dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat het meermalen met een bijl op het hoofd van [slachtoffer] slaan zijn dood tot gevolg zou hebben.

Vast staat dat er een plastic zak om de bijl zat toen verdachte op [slachtoffer] insloeg. Uit de foto's van de bijl en de plastic zak in het dossier blijkt dat de bloedsporen voornamelijk aan de kant van het ijzeren hakgedeelte en niet aan de kant van de steel van de bijl op de plastic zak zitten. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte de bijl bij de steel vast had en [slachtoffer] met het ijzeren hakgedeelte op het hoofd geslagen heeft.

Gelet op het geringe letsel van [slachtoffer] acht de rechtbank niet aannemelijk dat verdachte hem met de scherpe kant van het ijzeren hakgedeelte van de bijl heeft geslagen. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat de kans dat iemand die meermalen met de zij- of stompe kant van het ijzeren hakgedeelte van een bijl op het hoofd wordt geslagen, overlijdt, naar algemene ervaringsregelen en gelet op de aanwezigheid van vitale organen in en kwetsbare plekken op de schedel aanmerkelijk is te achten. Daarbij komt dat [slachtoffer] nog slapende in bed was, waardoor hij geheel weerloos was toen de eerste klap werd uitgedeeld. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door de combinatie van het gebruikte voorwerp en de plaats op het lichaam waar zij [slachtoffer] heeft geraakt die aanmerkelijk kans ook bewust heeft aanvaard. Ook de woorden van verdachte "eerst ik en dan jij", alsmede haar opmerking dat zij eerst [slachtoffer] en dan zichzelf wilde ombrengen, bevestigen dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] aanvaardde.

Verdachte heeft mitsdien gehandeld met het voor poging tot doodslag vereiste opzet in de zin van voorwaardelijk opzet.

7.3.Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 20 juni 2012 te Mariahoop, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet deze [slachtoffer], meermalen, met een bijl, op en/of tegen diens hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

8.1.De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

8.2.Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

poging tot doodslag.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De strafbaarheid van verdachte

Door de psychiater J.R. Nijdam is omtrent de geestvermogens van verdachte op 20 september 2012 een rapport uitgebracht. De deskundige komt in zijn rapportage tot de conclusie dat er bij verdachte ten tijde van het gepleegde feit sprake was van een posttraumatische stresstoornis (PTSS) en een daarmee samenhangende dissociatieve stoornis, die in ernstige mate de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde hebben beïnvloed, waardoor verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Ter terechtzitting heeft de deskundige desgevraagd verklaard dat aan zijn onderzoek ook de conclusie zou kunnen worden verbonden dat verdachte op dat moment geheel ontoerekeningsvatbaar was.

De conclusie van de deskundige dat er, als gevolg van een eerdere gewelddadige relatie en onder invloed van langdurig opgekropte spanningen, ten tijde van het gepleegde feit bij verdachte een dissociatieve bewustzijnsverandering is opgetreden, stoelt in belangrijke mate op de aanname dat verdachte ook in het verleden in stressvolle periodes black-outs en wegrakingen heeft laten zien. Hierin past ook het gegeven dat verdachte tot op het moment van de bevalling niet wist dat zij zwanger was. Voorts geeft de deskundige aan dat het handelen van verdachte dermate onlogisch is, en zij een zeer oprechte indruk maakt, dat een dissociatieve stoornis de meest voor de hand liggende verklaring is om het verder ongerijmde optreden van verdachte te duiden.

Volgens de deskundige is de meest waarschijnlijke hypothese dat de grote spanningen en de angst voor de confrontatie met [slachtoffer] ten aanzien van de mislukte schuldhulpverlening bij verdachte tot een dissociatieve reactie hebben geleid. Hij kan echter desgevraagd ter terechtzitting niet uitsluiten dat het feit dat verdachte niet meer weet dat zij [slachtoffer] met een bijl op het hoofd heeft geslagen ook veroorzaakt kan zijn doordat verdachte niet kon accepteren wat zij haar partner had aangedaan en de herinnering aan het gepleegde feit naderhand heeft verdrongen.

De rechtbank overweegt dat met de enkele verklaring van verdachte onvoldoende vastgesteld kan worden dat bij verdachte in het verleden eveneens sprake is geweest van black-outs en wegrakingen. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat haar partner, [slachtoffer], wist dat het verschijnsel van black-outs de reden was waarom zij destijds was afgekeurd voor haar werk als laborante en dat zij ook na haar afkeuring nog last heeft gehad van black-outs en wegrakingen, terwijl [slachtoffer] bij de politie heeft verklaard dat verdachte nog nooit eerder black-outs had gehad.

Gelet op het bovenstaande kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte zich ten tijde van het begaan van het feit daadwerkelijk in een dissociatieve toestand bevond en derhalve op dat moment volledig ontoerekeningsvatbaar, dan wel sterk verminderd toerekeningsvatbaar was.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting echter wel voldoende aanwijzingen dat verdachte ten tijde van het feit onder grote spanning leefde, veroorzaakt door een posttraumatisch stresssyndroom als gevolg van een eerdere onveilige relatie, grote schulden, de gezondheidsklachten van zowel verdachte als [slachtoffer] en de misbruikproblematiek van haar stiefdochter die ze als een eigen kind beschouwt. Op basis hiervan houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met een verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Gelet op het vorenoverwogene stelt de rechtbank vast dat verdachte strafbaar is, nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

10.De straffen en/of maatregelen

10.1.De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 258 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die haar zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland. Hoewel het gaat om een ernstig feit, houdt de officier van justitie rekening met het advies van de deskundige dat verdachte ten tijde van het gepleegde feit sterk verminderd toerekeningsvatbaar was. Daarnaast houdt de officier van justitie rekening met het recidiverisico, dat door de reclassering als laag-gemiddeld wordt geclassificeerd en het feit dat verdachte bijzonder actief meewerkt aan haar behandeling.

10.2.Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde straf primair aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu de deskundige ter terechtzitting heeft aangegeven dat je de conclusies in zijn rapportage ook zo kunt duiden dat verdachte ten tijde van het gepleegde feit geheel ontoerekeningsvatbaar was. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest passend is, nu verdachte een blanco strafblad heeft, zich inspant haar psychische en schuldenproblematiek aan te pakken en verdachte, het slachtoffer en ook de kinderen erbij gebaat zijn dat verdachte stapsgewijs weer deel gaat uitmaken van het gezinsleven.

10.3.De overwegingen van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het ernstige feit van poging tot doodslag. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen echter de navolgende bijzondere omstandigheden dat bij de strafoplegging afgeweken wordt van de straf die voor een soortgelijk feit doorgaans wordt opgelegd.

De rechtbank houdt rekening met het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 oktober 2012, waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit verminderd toerekeningsvatbaar was. Ook is ter terechtzitting gebleken dat verdachte haar problemen erkent en zeer actief (mee)werkt aan de oplossing daarvan. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis verblijft verdachte bij een vriend en heeft zij samen met [slachtoffer] en de reclassering een plan opgesteld voor langzame gewenning aan en terugkeer in het gezin. Zij is begonnen met het aanpakken van de schulden en werkt goed mee met de reclassering. Na een intakegesprek op 26 oktober 2012 zet zij zich actief in voor een snelle start van de behandeling bij het RIAGG.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat strafoplegging geen enkel strafdoel meer dient. Verdachte ziet de noodzaak van behandeling voor haar psychische problemen in en werkt daaraan vrijwillig en actief mee. De reclassering acht de kans op recidive en onttrekking aan behandeling klein. Voorts acht de rechtbank de houding van [slachtoffer] in dezen van groot belang. Reeds tijdens het voorarrest van verdachte heeft hij meermalen aangegeven dat het gezin en met name de kinderen ernstig lijden onder de afwezigheid van hun (stief)moeder. Ter zitting heeft [slachtoffer] de verklaring van verdachte bevestigd dat zij nu veel meer dan in het verleden samen open het gesprek kunnen aangaan. Hij hoopt dat het gezin met hulp van zowel de geestelijke hulpverlening als de meer praktische schuldhulpverlening snel weer samen kan gaan wonen en een normaal gezin kan vormen. Sinds verdachte niet meer in voorarrest zit gaat het gelukkig met de kinderen al vele malen beter. Dit wordt bevestigd door het feit dat de Raad voor de Kinderbescherming een kinderbeschermingsmaatregel niet noodzakelijk acht.

Gelet op het vorenoverwogene zal de rechtbank verdachte dan ook – conform de eis van de officier van justitie – veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 258 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die haar zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland.

10.4.Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een goudkleurige Lotus bijl, dient te worden onttrokken aan het verkeer. Genoemd voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer aangezien met behulp van dat voorwerp het feit is begaan.

11.Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht artikel 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36b, 36c, 45, 287.

12.Beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 258 dagen niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die haar zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Roermond, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, met opdracht aan de Reclassering aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

draagt de verdachte op daartoe binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis contact op te nemen met de Reclassering Nederland, arrondissement Roermond, om verdere afspraken te maken;

verklaart onttrokken aan het verkeer:

een Lotus bijl, goudkleurig.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, P.M.S. Dijks en M.I.J. Hegeman, rechters, van wie mr. Van Baal voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.C. Alink als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 5 december 2012.

Mr. M.I.J. Hegeman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.