Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BY1112

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
16-08-2012
Datum publicatie
24-10-2012
Zaaknummer
AWB 12/557, 12/558
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers hebben een verzoek om nadeelcompensatie ingediend naar aanleiding van de vestiging van een coffeeshop in de directe nabijheid van hun woningen. Verweerder heeft een bedrag ter zake van nadeelcompensatie toegekend en daarbij het normaal maatschappelijk risico bepaald aan de hand van het forfait van 2% dat is geregeld in artikel 6.2, tweede lid, sub b, van de Wet ruimtelijke ordening, dat gewoonlijk wordt gehanteerd bij de toekenning van planschade.

De rechtbank is van oordeel dat dit in beginsel niet onjuist of onredelijk is. Gelet op de door de eisers in deze zaak geschetste feiten en omstandigheden ziet de rechtbank echter aanleiding om te oordelen dat het toepassen van het 2% forfait in de voorliggende zaken niet redelijk is. De rechtbank voorziet in het kader van finale geschillenbeslechting zelf in de zaak en kent een hoger bedrag toe aan eisers ter zake van nadeelcompensatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12 / 557 en 12 / 558

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2012 in de zaak tussen

[eiser], te Venlo, eiser (hierna te noemen: [eiser])

(gemachtigde: mr. L.M.A. Schrieder),

en

[eiser], te Venlo, eiser (hierna te noemen: [eiser])

(gemachtigde: mr. L.M.A. Schrieder),

tegen

de Burgemeester van de gemeente Venlo, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.J.M. Michels),

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 2 december 2011 (de primaire besluiten) heeft verweerder wegens nadeelcompensatie aan [eiser] een bedrag van € 12.700,00 toegekend en aan

[eiser] een bedrag van € 12.000,00, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2010 tot de dag der uitbetaling.

Bij afzonderlijke besluiten van 16 maart 2012 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van [eiser] en [eiser] ongegrond verklaard.

[eiser] en [eiser] hebben tegen de bestreden besluiten elk afzonderlijk beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2012. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en de medegemachtigde [medegemachtigde]. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. [eiser] woont op h[straatnaam]s] te Venlo, [eiser] op het adres [adres] te Venlo. Op 16 juli 2004 heeft verweerder een tweetal exploitatievergunningen verleend voor de coffeeshops [naam] en [naam], gevestigd aan de [adres] te Venlo. [eiser] en [eiser] hebben ieder een verzoek om nadeelcompensatie gedaan bij verweerder ten bedrage van € 25.000,00. Dit bedrag is gebaseerd op taxatierapporten die zijn opgemaakt door Langhout & Wiarda in opdracht van [eiser] en [eiser]. Verweerder heeft een taxatierapport laten opstellen door Tog Nederland Zuid, waarin wordt geconcludeerd tot een waardevermindering van de woningen van zowel [eiser] als [eiser] van € 18.000,00. Rekening houdend met het als normaal maatschappelijk risico beschouwde deel van 2% van de waarde van het object direct vóór het verlenen van de exploitatievergunningen (in het geval van [eiser] € 265.000,00 en in het geval van [eiser] € 300.000,00) komt de getaxeerde waardevermindering bij [eiser] uit op € 12.700,00 en bij [eiser] op € 12.000,00. Deze bedragen zijn door verweerder aan respectievelijk [eiser] en [eiser] toegekend als nadeelcompensatie. In bezwaar heeft verweerder deze standpunten en bedragen gehandhaafd.

2. [eiser] en [eiser] hebben in beroep aangevoerd zich niet te kunnen verenigen met de hoogte van de aan hen toegekende nadeelcompensatie. Zij hebben daartoe betoogd dat verweerder ten onrechte de in hun opdracht opgestelde schaderapporten buiten beschouwing heeft gelaten en zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verschillen in de rapporten van Langhout & Wiarda en die van Tog Nederland Zuid zijn aan te merken als bij taxaties redelijkerwijs te accepteren marges, aldus [eiser] en [eiser]. Ter zitting hebben [eiser] en

[eiser] aangevoerd bekend te zijn met de lijn in de jurisprudentie dat wanneer het advies van de door verweerder ingeschakelde deskundige op voldoende zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en geen kennelijke onjuistheden bevat, dit als uitgangspunt genomen kan worden. Zij voeren aan dat ook de door Langhout & Wiarda opgemaakte rapporten aan dit criterium voldoen zodat vanuit die redenering die rapporten evengoed als uitgangspunt zouden kunnen dienen voor het bepalen van de nadeelcompensatie.

[eiser] en [eiser] hebben daarnaast betoogd dat het feit dat op het pand aan de [adres] te Venlo een horecabestemming is blijven rusten nadat er eerder een wegrestaurant in gevestigd was, niet maakt dat de vestiging van de coffeeshops een normale maatschappelijke ontwikkeling betreft. [eiser] en [eiser] zijn in 2004 plots geconfronteerd met de komst van de coffeeshops. Gelet op de onvoorzienbaarheid en de aard van de inrichting dient er geen maatschappelijk risico te worden toegepast, aldus [eiser] en [eiser]. De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juni 2009 (LJN: BI8464) in de zaak van de eveneens in de buurt wonende familie [naam] gaat niet op, nu eiser daarbij geen partij was en in deze zaak de concrete feiten en omstandigheden van dit geval beoordeeld moeten worden. Daarbij is van belang dat de percelen van [eiser] en van Buuren veel dichterbij de coffeeshops zijn gelegen dan het perceel van de familie [naam], zo betogen [eiser] en [eiser].

Voor het toepassen van het forfait van 2% dat wordt gehanteerd bij planschadezaken is noch in de wet, noch in jurisprudentie steun te vinden. Normaliter wordt bij nadeelcompensatie een percentage van 15% van de inkomensderving gehanteerd als normaal maatschappelijk risico. Het toepassen van de 2% zonder wettelijke basis is onevenredig, nu de feitelijke korting bijna 30% bedraagt, namelijk van € 18.000,00 naar respectievelijk € 12.700,00 en

€ 12.000,00. Voor zover het forfait al in nadeelcompensatiezaken toegepast zou moeten worden geldt dat volgens [eiser] en [eiser] in elk geval niet in deze zaken nu het forfait van 2% pas is ingevoerd met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in juli 2008 terwijl in deze zaken het nadeel al vanaf 2004 is ontstaan.

[eiser] heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de stelling van verweerder, dat hij eerder overlast ondervond van het voorheen in het pand gevestigde wegrestaurant, de werkelijkheid miskent. [eiser] wordt nu geconfronteerd met drugsgebruikers, die een geheel andere houding en gedrag hebben dan vrachtwagenchauffeurs. De verkeersintensiteit betreft nu bovendien 3.000 à 4.000 auto’s per dag die langs het keuken- en woonkamerraam van zijn woning rijden, aldus [eiser].

[eiser] heeft aangevoerd dat het feit dat zijn perceel aan een doodlopend stuk van de [straatnaam] is gelegen niet wil zeggen dat hij daardoor minder overlast ervaart door de toegenomen verkeersintensiteit. Dit stuk weg wordt door bezoekers van de coffeeshops gebruikt door hier onder andere met auto’s te ‘scheuren’. Daarnaast heeft [eiser] erop gewezen dat zijn perceel direct naast het perceel van de coffeeshops is gelegen. De door hem ervaren overlast bestaat onder meer uit directe geluid- en geurhinder. Bovendien wordt zijn perceel betreden vanaf het perceel waarop de coffeeshops zijn gelegen en vanaf de bosrand, door bezoekers van de coffeeshops die de toegangscontrole willen omzeilen.

3. Verweerder heeft de verzoeken om nadeelcompensatie voorgelegd aan een onafhankelijke deskundige, Tog Nederland Zuid. Volgens verweerder is het advies van Tog Nederland Zuid op voldoende zorgvuldige wijze tot stand gekomen en bevat het geen kennelijke onjuistheden. [eiser] en [eiser] hebben op het conceptadvies gereageerd, en daarmee is bij de verdere besluitvorming rekening gehouden. In beide adviezen is geconcludeerd tot een waardevermindering van € 18.000,00 (in het geval van [eiser] van

€ 265.000,00 naar € 247.000,00 en in het geval van [eiser] van € 300.000,00 naar

€ 282.000,00) ter zake van toegenomen verkeersintensiteit, overlast van bezoekers die zich ophouden in de buurt van de coffeeshops en daarmee een inbreuk maken op de privacy van [eiser] en [eiser]. Er is rekening mee gehouden dat voorheen in het pand een wegrestaurant was gevestigd als gevolg waarvan zwaar verkeer gebruik maakte van de omliggende wegen, waarbij bovendien sprake was van ruimere openingstijden dan de coffeeshops nu.

De afwijkingen in vastgestelde waarden tussen de rapporten van Langhout & Wiarda en Tog Nederland Zuid vallen binnen de bij taxaties redelijkerwijs te accepteren marges. Er is gesteld noch gebleken dat Tog Nederland Zuid is uitgegaan van een onjuiste beschrijving van het object of onjuiste grondslagen.

Op het perceel aan de [adres] te Venlo is een horecabestemming blijven rusten zodat het verlenen van een nieuwe exploitatievergunning is aan te merken als een maatschappelijke ontwikkeling waarmee rekening gehouden had kunnen worden, ook al bestond geen zicht op omvang van de ontwikkeling, het moment waarop deze zich zou concretiseren en de omvang van de eventuele nadelen, aldus verweerder. Bij de vraag wat valt onder het normaal maatschappelijk risico heeft Tog Nederland Zuid aansluiting gezocht bij het toepasselijke forfait van 2% bij planschade zoals bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, sub b, van de Wro. Verweeder heeft voorts gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2009 in de zaak van [naam], waarin is bepaald dat ‘voor [naam], die behoort tot een beperkte groep van omwonenden van de coffeeshops, noch de vestiging ervan in zijn omgeving, noch het daardoor ontstane nadeel in deze omvang redelijkerwijs was te verwachten. Dit nadeel valt voor een deel buiten zijn normaal maatschappelijk risico en komt voor dit deel voor vergoeding in aanmerking.’ Deze overweging dient ook op deze zaken te worden toegepast, aldus verweerder.

4. Tussen partijen is in geschil welke taxatierapporten als uitgangspunt zouden moeten dienen bij de beoordeling van deze beroepen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (1 augustus 2012, LJN: BX3290) volgt dat als uit een advies van een door een bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, dat bestuursorgaan in beginsel van dat advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht. Hieronder vallen naar het oordeel van de rechtbank in dit geval hoe dan ook niet de verschillen in de getaxeerde waardes van de woningen voor en na het verlenen van de exploitatievergunningen en ook overigens is niet gebleken van onjuistheden of onvolledigheden. Dit maakt dat verweerder zich inderdaad heeft mogen baseren op de rapportages van Tog Nederland Zuid. [eiser] en [eiser] kan worden nagegeven dat ook bij de in hun opdracht door Langhout & Wiarda uitgevoerde taxaties niet is gebleken van onjuistheden of onvolledigheden en dat deze rapporten in die zin even goed als grondslag zouden kunnen dienen voor het bepalen van de hoogte van de nadeelcompensatie. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om in deze zaak af te wijken van de al sinds lange tijd bestendige jurisprudentie op dit gebied van de Afdeling. Zulks te minder nu in de rapporten zoals opgemaakt door Tog Nederland Zuid uitgebreider is ingaan op de voor deze gevallen specifieke aspecten dan in de rapporten van Langhout & Wiarda is gedaan. De rechtbank zal de rapporten van Tog Nederland Zuid als uitgangspunt nemen bij de beoordeling van deze beroepen waar het de bepaling van de waardevermindering betreft.

5. De verzoeken om nadeelcompensatie van [eiser] en [eiser] betreffen verzoeken om een zelfstandig schadebesluit op grond van het zogenaamde égalitébeginsel. Dit beginsel houdt in dat onevenredig nadelige, buiten het normaal maatschappelijke risico vallende, en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende, gevolgen van een rechtmatige overheidshandeling niet ten laste van die beperkte groep behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap dienen te worden verdeeld.

Bij het normaal maatschappelijk risico gaat het onder meer om algemene maatschappelijke ontwikkelingen en nadelen waarmee degenen die daardoor worden geraakt rekening moeten houden, ook al bestaat geen zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze zich zal concretiseren en de omvang van de nadelen die daaruit eventueel zullen voortvloeien. Hoe groot het normaal maatschappelijk risico is, moet worden bepaald met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval, waaronder de aard van het gestelde schadeveroorzakende besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 27 april 2011, LJN: BQ2657).

6. [eiser] en [eiser] hebben schade geleden welke voor vergoeding in aanmerking komt. In de rapporten van Tog Nederland Zuid is in zowel de situatie van [eiser] als in die van [eiser] geconcludeerd tot een waardevermindering van

€ 18.000,00. [eiser] en [eiser] behoren beiden tot de beperkte groep van benadeelden die de gevolgen ervaren van de exploitatievergunningen die door verweerder zijn verleend. De vraag die partijen verdeeld houdt en waar de rechtbank zich voor gesteld ziet is de vraag of, en zo ja, welk deel van de waardevermindering buiten het normaal maatschappelijk risico van respectievelijk [eiser] en [eiser] valt. Zoals partijen hebben aangevoerd is dat noch in de wet, noch in jurisprudentie bepaald.

Verweerder heeft aansluiting gezocht bij het planschaderecht, waarbij op grond van artikel 6.2, eerste lid van de Wro is bepaald dat binnen het normaal maatschappelijk risico vallende schade voor rekening van de aanvrager blijft. Het tweede lid, aanhef en onder b van dit artikel bepaalt dat van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager blijft een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak, onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade. Volgens verweerder is een normaal maatschappelijk risico van 2% reëel met verwijzing naar de genoemde bepaling en de eerder genoemde uitspraak van 17 juni 2009 van de Afdeling.

7. De Afdeling heeft in die uitspraak geoordeeld dat voor de eisers in die zaak, wonend op een afstand van 100 meter van de coffeeshops en behorend tot een beperkte groep van omwonenden van de coffeeshops, noch de vestiging ervan in zijn omgeving, noch het daardoor ontstane nadeel in deze omvang redelijkerwijs te verwachten was. Dit nadeel valt buiten het normaal maatschappelijk risico en komt voor dit deel voor vergoeding in aanmerking. De Afdeling heeft vervolgens zelf in de zaak voorzien, waarbij het forfait van 2% niet is toegepast en de nadeelcompensatie vastgesteld op een bedrag van € 10.000,00.

8. De rechtbank is van oordeel dat in beginsel het toepassen van het forfait van 2% bij nadeelcompensatie niet onjuist of onredelijk is. Dat het forfait van 2% pas per 1 juli 2008 (met de inwerkingtreding van de Wro) is ingevoerd wil niet zeggen dat dat in deze zaak niet analoog zou kunnen worden toegepast. Bovendien is afwijking van dit forfait in planschadezaken mogelijk, mits die afwijking gemotiveerd wordt. Verweerder heeft gewezen op een uitspraak van deze rechtbank van 13 juni 2012 (LJN: BW8707) in een zaak van een andere omwonende van de coffeeshops [naam] en [naam] te Venlo. In die zaak was door verweerder geconcludeerd dat de uiteindelijk geleden schade van € 5.000,00 binnen het normaal maatschappelijk risico valt en dat daartoe aansluiting was gezocht bij het forfaitair bedrag dat in het kader van planschadevergoeding op grond van artikel 6:2 van de Wro wordt gehanteerd. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat er van de zijde van eiser niets is aangevoerd dat de rechtbank aanleiding geeft om aan de juistheid en redelijkheid van de conclusie van verweerder te twijfelen.

Met deze overweging is echter niet geoordeeld, zoals verweerder ter zake van deze beroepen heeft betoogd, dat het toepassen van het forfait van 2% in alle gevallen juist en redelijk is.

9. In de door [eiser] en [eiser] geschetste feiten en omstandigheden, die door verweerder niet zijn tegengesproken en waar de rechtbank hierna in de overwegingen 11 en 12 nader op zal ingaan, ziet zij aanleiding om te oordelen dat het toepassen van het 2% forfait in deze zaken niet redelijk is. In zoverre slagen de beroepsgronden en komen de bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking.

10. In het kader van finale geschillenbeslechting zal de rechtbank toepassing geven aan artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zelf in de zaak voorzien door een bedrag aan nadeelcompensatie vast te stellen.

11. [eiser] heeft verklaard dat hij in het verleden veel overlast heeft ondervonden als gevolg van het wegrestaurant en in het bijzonder de zware vrachtauto’s die langs zijn huis reden van en naar het parkeerterrein. De overlast die hij nu ondervindt als gevolg van de coffeeshops bestaat voornamelijk uit de aanzienlijk toegenomen verkeersintensiteit. Het is een af- en aanrijden van auto’s waarop hij vanuit zijn woning direct zicht heeft. Daarnaast houden bezoekers van de coffeeshops zich in de directe omgeving van zijn woning hinderlijk op. Uit het adviesrapport van Tog Nederland Zuid volgt dat de woning van [eiser] schuin tegenover de coffeeshops is gelegen op een afstand van ongeveer 40 meter. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat de overlast en het daardoor ontstane nadeel in de omvang zoals die door [eiser] is geschetst en niet door verweerder is weersproken, gelet op de korte afstand tot de coffeeshops en het directe zicht daarop vanuit de woning, niet te verwachten was en bovendien een indringender vorm van overlast inhoudt dan de eerdere overlast door het wegrestaurant. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om het door verweerder toegepaste forfait van 2% te matigen tot 1%. De waarde van de woning van [eiser] onmiddellijk voor het ontstaan van de schade bedroeg volgens het rapport van Tog Nederland Zuid € 265.000,00. Wanneer 1% van dit bedrag in mindering wordt gebracht op de vastgestelde waardevermindering van € 18.000,00, betreft het aan [eiser] ter zake van nadeelcompensatie toe te wijzen bedrag € 15.350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2010 tot de dag der uitbetaling.

12. Ten aanzien van het perceel van [eiser] geldt dat dit direct grenst aan het perceel waarop de coffeeshops zijn gelegen. De woning is gelegen aan een doodlopend gedeelte van de [straatnaam]. [eiser] heeft aangevoerd dat hij ook overlast ervaart door de toegenomen verkeersintensiteit maar dat andere vormen van overlast voor hem een directer nadeel opleveren. Door de ligging van zijn woning direct naast het perceel van de coffeeshops is onder meer sprake van directe geur- en geluidoverlast door de bezoekers. Bovendien waait verpakkingsmateriaal vanaf het terrein van de coffeeshops en vanuit de afvalcontainers op zijn perceel, aldus [eiser]. Het doodlopende stuk van de [straatnaam] waaraan [eiser] woont wordt daarnaast door veel bezoekers gebruikt als ‘hangplek’. De meest ingrijpende vorm van overlast ervaart [eiser] echter doordat bezoekers via zijn perceel toegang tot het perceel van de coffeeshops proberen te verkrijgen om op deze wijze de toegangscontrole te omzeilen. Na invoering van de zogenaamde wietpas is deze vorm van overlast toegenomen.

De rechtbank is van oordeel dat deze door [eiser] geschetste en door verweerder niet tegengesproken vormen en mate van overlast, niet zijn te scharen onder algemene maatschappelijke ontwikkelingen en nadelen waarmee [eiser] rekening (had) moet(en) houden. De rechtbank zal daarom het normaal maatschappelijk risico in het geval van

[eiser] op 0% stellen. Dit houdt in dat het aan nadeelcompensatie uit te keren bedrag

€ 18.000,00 betreft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2010 tot de dag der uitbetaling.

13. Tot slot overweegt de rechtbank dat haar oordeel in dezen geen betrekking kan hebben op de eerst ter zitting door [eiser] en [eiser] gestelde materiële schade welke onder meer zou zijn geleden door de plaatsing van hekwerken en/of barricade rondom de woningen.

14. Gelet op het voorgaande zijn termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die [eiser] en [eiser] redelijkerwijs hebben moeten maken in bezwaar en in beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen in bezwaar (indienen bezwaarschrift en verschijnen bij de hoorzitting) worden twee punten toegekend per eiser. Voor zover het betreft de proceshandelingen in beroep (indienen beroepschrift en verschijnen ter zitting) worden eveneens twee punten toegekend per eiser. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- herroept de primaire besluiten, voor zover deze betreffen de vaststelling van de hoogte van de toe te kennen nadeelcompensatie;

- kent aan [eiser] ter zake van nadeelcompensatie toe een bedrag van

€ 15.350,00 (zegge: vijftienduizend driehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2010 tot aan de dag van uitbetaling, te betalen door verweerder aan [eiser];

- kent aan [eiser] ter zake van nadeelcompensatie toe een bedrag van

€ 18.000,00 (zegge: achttienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2010 tot aan de dag van uitbetaling, te betalen door verweerder aan [eiser];

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- draagt verweerder op het door [eiser] en [eiser] elk afzonderlijk betaalde griffierecht van € 156,00 aan ieder van hen te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 3.496,00, waarvan € 1.748,00 te betalen aan [eiser] en € 1.748,00 te betalen aan

[eiser].

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van

J.B.J.C.L. Caelers - Sijbers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

9 oktober 2012.

w.g. J.B.J.C.L. Caelers - Sijbers,

griffier w.g. mr. T.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 9 oktober 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.