Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BX8817

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
02-10-2012
Zaaknummer
AWB 11 / 1323
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekkings- en terugvorderingsbesluit (WWB) vernietigd omdat verweerder een verkeerd criterium aan het besluit ten grondslag heeft gelegd. Rechtbank voorziet zelf in de zaak en trekt het recht op bijstand in over de maanden waarin geen recht op bijstand bestond en vordert het juiste bedrag aan ten onrechte ontvangen uitkering van eisers terug, te betalen aan verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 / 1323

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2012 in de zaak tussen

[eisers], te Helden, eisers

(gemachtigde: mr. J.H.M. Verstraten),

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Peel en Maas, verweerder,

(gemachtigde S.R. Schippenheyn)

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder besluiten genomen op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb).

Bij besluit van 26 september 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2012. Eisers hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S.R. Schippenheyn. De rechtbank heeft ter zitting de behandeling van de zaak aangehouden teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen aanvullende informatie in te dienen. Bij het schrijven van 2 februari 2012 heeft verweerder deze informatie aan de rechtbank doen toekomen. Op 5 maart 2012 heeft de gemachtigde van eisers hierop gereageerd. Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt. De rechtbank heeft op 5 april 2012 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eisers ontvangen vanaf juni 1995 een uitkering ingevolge de Wwb. In verband met een vermoeden dat eisers zich zouden hebben bezig gehouden met de handel in auto’s is, in samenwerking met de Sociale Recherche van de gemeente Peel en Maas, een onderzoek uitgevoerd naar het recht van eisers op bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 15 juni 2011. Uit dit rapport valt af te leiden dat volgens gegevens van de Rijkdienst voor het Wegverkeer (RDW) in de periode januari 2007 tot en met 31 maart 2011 een groot aantal verschillende kentekens op naam van eisers zijn geregistreerd. Van deze kentekenregistratie hebben eisers geen melding bij verweerder gedaan. Bij besluit van 14 maart 2011 heeft verweerder eisers meegedeeld dat zij het door verweerder geconstateerde verzuim op grond van artikel 54, tweede lid, van de Wwb konden herstellen door informatie over de aan- en verkoop van de auto’s te verschaffen. Tevens is bij dit besluit de betaling van de uitkering van eisers opgeschort, met ingang van 14 maart 2011. Eisers hebben binnen de geboden hersteltermijn nadere inlichtingen aan verweerder doen toekomen. Bij besluit van 5 april 2011 heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat de door hen overgelegde inlichtingen onvoldoende zijn gebleken om het recht op uitkering over de voorliggende periode vast te stellen en dat de uitkering dientengevolge zal worden herzien.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder op basis van voornoemde onderzoeksresultaten het recht van eisers op algemene en bijzondere bijstand over de maanden januari tot en met december 2007, januari 2008, april tot en met juli 2008, oktober tot en met december 2008, februari tot en met augustus 2009, oktober 2009, februari tot en met december 2010 en januari tot en met maart 2011, ingetrokken en de als gevolg van de intrekking te veel ontvangen uitkeringsgelden ten bedrage van € 81.574,95 teruggevorderd, door middel van een inhouding op de uitkering van eisers met ingang van 1 juli 2011 van

€ 65,69 per maand. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd. Bij brief van 2 februari 2012 heeft verweerder zich hangende onderhavige procedure op standpunt gesteld dat het terug te vorderen bedrag moet worden herzien, in die zin dat verweerder ten onrechte het uitkeringsrecht over de maanden januari, maart en juni 2007 en juli 2009 heeft ingetrokken als gevolg waarvan ook het terugvorderingsbesluit moet worden aangepast. Het te vorderen bedrag dient volgens verweerder te worden vastgesteld op

€ 73.732,42.

3. Eisers kunnen zich met het bestreden besluit niet verenigen. In beroep hebben eisers - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Eisers betwisten dat er sprake was van handel in auto’s. De auto’s werden aangeschaft omwille van hobbymatige activiteiten, te weten het racen met oude auto’s (wrakkenraces). Na verloop van tijd werden de auto’s ingeruild, doorverkocht of naar de sloop gebracht. Het betroffen afgeschreven auto’s die geen economische waarde vertegenwoordigden. Er was geen sprake van enig winstoogmerk en eisers hebben met deze activiteiten ook geen inkomsten genoten. Gelet hierop dient de inlichtingenplicht dan ook niet op eisers van toepassing te worden geacht. Uit de alsnog door eisers verstrekte inlichtingen (aan- verkoopnota’s) kan deze gang van zaken worden afgeleid. Daarnaast bieden deze inlichtingen volgens eisers voldoende grond om het recht op uitkering alsnog vast te stellen. Er was dan ook geen aanleiding voor verweerder om tot de gehele intrekking van de bijstandsuitkering over te gaan, aldus eisers. Verder dient volgens vaste jurisprudentie het recht op bijstand per kalendermaand te worden vastgesteld. Verweerder heeft dit nagelaten. Tenslotte biedt de huidige inkomenssituatie van eisers een dringende reden om van terugvordering af te zien.

4. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

5. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geding is dat in de periode van januari 2007 tot en met maart 2011 een groot aantal kentekens op naam van eisers was geregistreerd. Ook is niet in geschil dat eisers hiervan geen melding hebben gemaakt bij verweerder. De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor verweerders standpunt dat eisers zich in de van belang zijnde periode hebben bezig gehouden met activiteiten op het gebied van de handel in auto’s. De rechtbank heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen dat uit RDW gegevens kan worden afgeleid dat in de voorliggende periode een groot aantal kentekens, doorgaans gedurende een korte periode, op naam van eisers hebben gestaan en er in deze periode transacties hebben plaatsgevonden. Bij gebrek aan tegenbewijs dient naar vaste jurisprudentie te worden aangenomen dat eisers in de maanden dat kentekens niet langer op naam van eisers waren geregistreerd over die maanden inkomsten hebben verworven met de overdracht van de betreffende auto’s (zie onder meer de uitspraak van 30 januari 2007, LJN: AZ8196). De door eisers aangevoerde omstandigheid dat de auto’s slechts een geringe waarde vertegenwoordigden zoals volgens eisers uit de naderhand door hen verstrekte inlichtingen kan worden afgeleid, doet aan het voorgaande niet af. Immers is uit die stukken af te leiden dat eisers betalingen hebben ontvangen voor de overdracht van een aantal auto’s. Daarmee staat vast dat er sprake is geweest van transacties en daarmee van op geld waardeerbare activiteiten. Verder is het hobbymatige karakter van de onderhavige activiteiten naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele wijze door eisers aannemelijk gemaakt. Het had eisers dan ook redelijkerwijs duidelijk moeten zijn geweest dat hun activiteiten van invloed konden zijn op het recht op uitkering. Door daarvan geen mededeling te doen hebben eisers verweerder de mogelijkheid ontnomen dit te onderzoeken. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat eisers de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wwb op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.

6. De rechtbank is voorts van oordeel dat als gevolg van de vastgestelde schending van de inlichtingenplicht niet meer is vast te stellen of en zo ja eisers gedurende de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden,verkeerden in bijstandsbehoevende omstandigheden. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eisers geen deugdelijke boekhouding of een administratie van hun activiteiten en de daaruit ontvangen inkomsten hebben bijgehouden, zodat de omvang van die activiteiten en de hoogte van de inkomsten niet kan worden bepaald. De door eisers naderhand overgelegde aan- en verkoopnota’s heeft de rechtbank in dit opzicht als onvoldoende beoordeeld. Immers, deze nota’s hebben slechts betrekking op een gering deel van de in aanmerking te nemen geregistreerde auto’s. Bovendien betreffen het nota’s die (ten dele) naderhand door eisers zijn opgemaakt en kan hieruit in een aantal gevallen niet worden afgeleid of het aan- of verkoopnota’s betreft. Eisers hebben slechts gesteld dat de stukken dienen ter onderbouwing van hun stelling dat de activiteiten een hobbymatig karakter hadden en de auto’s bovendien een geringe waarde vertegenwoordigden, waarbij zij hebben nagelaten om concreet aan te geven uit welke stukken blijkt welk deel van de besluitvorming onjuist zou zijn geweest. Het lag op de weg van eisers om het beroep op in dit verband nader te onderbouwen. Dat hebben zij nagelaten.

7. Het voorgaande betekent dat verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb de bijstand van eisers in te trekken over de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder evenwel ook de uitkering ingetrokken over een aantal maanden waarin geen beëindiging van de kentekenregistratie heeft plaatsgevonden. Bij brief van 2 februari 2012 heeft verweerder gesteld dat hij de uitkering over een aantal maanden ten onrechte heeft ingetrokken en teruggevorderd aangezien hij het verkeerde criterium had gebruikt. Bij deze brief heeft verweerder een aangepast overzicht gevoegd van de maanden waarin een transactie heeft plaatsgevonden en de bijbehorende berekening van het terug te vorderen bedrag aan ten onrechte ontvangen uitkering. Omdat verweerder bij de intrekking en de daarop gebaseerde terugvordering een verkeerd criterium heeft gehanteerd, kan het bestreden besluit in zoverre geen stand houden. Het beroep is dan ook gegrond.

8. Eisers hebben tegen het invorderingsbesluit geen gronden aangevoerd. Dit betekent dat het besluit van verweerder om de vordering te innen door middel van een maandelijkse inhouding op de uitkering ad € 65,69 niet wordt aangetast.

9. Volgens artikel 8:72, vierde lid, van de Awb kan de rechter, indien hij het beroep gegrond verklaart, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van deze uitspraak, dan wel kan hij bepalen zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan (zelf in de zaak voorzien). De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

10. De rechtbank stelt vast dat in de maanden februari april, mei, juli tot en met december 2007, januari 2008, april tot en met juli 2008, oktober tot en met december 2008, februari tot en met juni en augustus 2009, oktober 2009, februari tot en met december 2010 en januari tot en met maart 2011 transacties hebben plaatsgevonden omdat in die maanden kentekenregistraties zijn beëindigd. Ten aanzien van die maanden hebben eisers hun inlichtingenverplichting geschonden en is het recht op bijstand over die maanden niet vast te stellen omdat eiseres hebben nagelaten een boekhouding bij te houden van alle transacties. De rechtbank zal dan ook het recht op bijstand over genoemde maanden intrekken. Nu eisers het bedrag aan ontvangen uitkering over die maanden, zijnde € 73.732,42 niet hebben betwist, voorziet de rechtbank zelf in de zaak door dit bedrag van eisers terug te vorderen. Duidelijkheidshalve overweegt de rechtbank nogmaals dat het besluit van verweerder om dit bedrag door middel van een maandelijkse inhouding op de uitkering van € 65,69 in stand blijft.

11. De rechtbank ziet, gezien de gegrondverklaring van het beroep, aanleiding om verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,00.Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1. Aangezien aan de gemachtigde van eiser een toevoeging is verstrekt, zal het bedrag van de proceskosten aan de griffier worden vergoed.

12. Tevens ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerders gemeente aan eisers het door hen betaalde griffierecht zal vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover het intrekkingsbesluit en het terugvorderingsbesluit betreft;

- trekt het recht op een bijstanduitkering in over de maanden februari april, mei, juli tot en met december 2007, januari 2008, april tot en met juli 2008, oktober tot en met december 2008, februari tot en met juni en augustus 2009, oktober 2009, februari tot en met december 2010 en januari tot en met maart 2011;

- vordert van eisers een bedrag van € 73.732,42, te betalen aan verweerder;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41,00 aan eisers te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrage van € 874,00, te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.W. Gubbels-Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2012.

w.g. mr. P.C.W. Gubbels-Willems,

griffier w.g. mr. B.J. Zippelius,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 25 september 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.