Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BX8167

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
24-09-2012
Datum publicatie
25-09-2012
Zaaknummer
Awb 12 / 1342 en 12 / 1361
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eisers hebben verweerder verzocht handhavend op te treden tegen het evenement ‘Raceweekend september 2012’ op circuit ‘de Peel’. Verweerder heeft, nadat eisers een bezwaarschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dit verzoek en een verzoek om voorlopige voorziening hadden ingediend, het verzoek van eisers afgewezen. Het bezwaarschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit is door de voorzieningenrechter als beroepschrift beschouwd, dat moet worden geacht eveneens te zijn gericht tegen de weigering handhavend op te treden.

De meervoudige kamer van de rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 16 augustus 2012 geoordeeld dat het gebruik van het circuit voor het houden van races in strijd is met het vigerende bestemmingsplan en dat geen beroep gedaan kan worden op de legaliserende werking van de voor het circuit verleende bouwvergunning zolang aan de aan die vergunning verbonden voorwaarde dat een geluidscherm moet worden opgericht, geen uitvoering is gegeven. De rechtbank heeft eveneens geoordeeld dat er sprake is van een milieuvergunningplichtige inrichting zodat de race-activiteiten bij gebreke van een milieuvergunning ook in zoverre niet legaal zijn, en dat ook niet is gebleken dat in dat opzicht concreet zich op legalisatie bestaat.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken dat sinds de uitspraak van 16 augustus 2012 sprake is van veranderde omstandigheden.

Het betoog van verweerder dat er zicht op is dat op korte termijn een bestemmingsplan wordt vastgesteld, vormt geen bijzondere omstandigheid die kan leiden tot afwijking van de zogeheten beginselplicht tot handhaving. Een dergelijke bijzondere omstandigheid is ook niet gelegen in het belang dat de derde-partij heeft bij het doorgaan van ‘Raceweekend september 2012’. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de weigering van verweerder om handhavend op te treden niet in stand kan blijven en dat geen andere conclusie is toegelaten dan dat verweerder handhavend dient op te treden. Gelet op de korte termijn tot de races acht de voorzieningenrechter het aangewezen om zelf in de zaak te voorzien door ter voorkoming van voormelde overtredingen een last onder dwangsom op te leggen aan de derde-partij, erop gericht om het ‘Raceweekend september 2012’ af te gelasten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2013/13 met annotatie van C.A.H. van de Sanden
JOM 2012/992
JB 2012/252 met annotatie van A.M.M.M. Bots
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12 / 1342 en 12 / 1361

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2012 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eisers], te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. J. Rutteman)

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venray, verweerder

(gemachtigden: L.A. Pronk en H.M. Gruijters)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende] te [woonplaats]

(gemachtigden: [gemachtigde 1 belanghebbende] en [gemachtigde 2 belanghebbende]).

Procesverloop

Bij schrijven van 7 september 2012 hebben eisers verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen een op 29 en 30 september 2012 gepland evenement genaamd ‘Raceweekend september 2012’ op de locatie aangeduid als het in aanleg zijnde circuit ‘de Peel’ (hierna: het circuit). Gezien de korte termijn waarop de overtreding plaats zou vinden hebben eisers verweerder verzocht binnen een week na 7 september 2012 een beslissing te nemen op dit verzoek.

Op 17 september 2012 hebben eisers een bezwaarschrift ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op het verzoek van 7 september 2012 om handhavend op te treden.

Eisers hebben eveneens op 17 september 2012 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van het evenement.

Bij besluit van 18 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek om handhavend op te treden afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2012. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden voornoemd. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat het bezwaarschrift van eisers als beroepschrift tegen het -ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met een besluit gelijk te stellen- niet tijdig nemen van een besluit moet worden beschouwd. Immers kan, gelet op het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awb in zo’n geval geen bezwaar worden gemaakt, maar staat rechtstreeks beroep open. Ingevolge artikel 6:15 van de Awb had verweerder het bezwaarschrift zo spoedig mogelijk aan de rechtbank moeten doorzenden ter behandeling als beroepschrift. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat in de zich voordoende omstandigheden de door eisers aan verweerder gestelde termijn van een week om een besluit te nemen, is te beschouwen als een redelijke termijn in de zin van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb en dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 6:12, derde lid, van de Awb waarin een ingebrekestelling achterwege mag worden gelaten. Het beroep is derhalve ontvankelijk. Nu inmiddels op 18 september 2012 een besluit op het handhavingsverzoek van eisers is genomen, moet het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb geacht worden mede betrekking te hebben op dat besluit. In lijn daarmee dient het verzoek om voorlopige voorziening eveneens geacht te worden mede betrekking te hebben op het beroep tegen het besluit van 18 september 2012.

2. Het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is gedaan hangende beroep tegen het besluit van 18 september 2012. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de rechter is partijen gewezen in de kennisgeving van behandeling ter zitting. Na de kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter zitting is de rechter van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen de toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De rechter doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.

3. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van het circuit voor race-activiteiten in strijd is met het bestemmingsplan. Zij hebben zich hiertoe beroepen op de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Roermond van 16 augustus 2012 (LJN: BX5362). Dat verweerder hoger beroep heeft ingesteld tegen deze uitspraak doet er niet aan af dat tot er uitspraak is gedaan in hoger beroep, de uitspraak van de rechtbank het uitgangspunt dient te zijn, aldus eisers. Er is volgens hen geen sprake van incidenteel gebruik van het circuit. Eisers hebben voorts betoogd dat zich geen concreet zicht op legalisatie voordoet. Het moge zo zijn dat verweerder voornemens is het bestemmingsplan op 30 oktober 2012 ter vaststelling voor te leggen aan de gemeenteraad, maar de procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan heeft dusdanig lang geduurd dat dit voornemen van verweerder geen enkel garantie biedt dat ook daadwerkelijk op dusdanig korte termijn sprake is van vaststelling van het bestemmingsplan, aldus eisers. Bovendien zijn er volgens eisers nog steeds geen geluidschermen op het circuit gebouwd, zodat volgens hen ook niet is voldaan aan de voorwaarden zoals die aan de verleende omgevingsvergunning voor bouwen waren verbonden.

4. Verweerder heeft in de eerste plaats aangevoerd dat er sprake is van incidentele activiteiten. Dat betekent dat het gebruik van het circuit in deze vorm planologisch gezien niet relevant is. Er is sprake van een kortdurend en incidenteel evenement waarbij eventuele strijdigheden voor de duur van het evenement opzij gezet worden door de verleende evenementenvergunning. Bovendien is volgens verweerder sprake van concreet zich op legalisatie nu het bestemmingsplan op 30 oktober 2012 ter vaststelling wordt voorgelegd aan de gemeenteraad.

5. Met het oog op de voorlopige beoordeling van de hoofdzaak stelt de voorzieningenrechter vast dat eisers al een aantal keren vruchteloos rechtsmiddelen, waaronder enkele verzoeken om voorlopige voorziening, hebben aangewend tegen door verweerder verleende vergunningen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Venray (APV) voor eerdere soortgelijke evenementen op het in aanleg zijnde circuit. Deze evenementen worden al enkele jaren gedurende vier weekends per jaar gehouden en eisers hebben zich daar herhaaldelijk tegen verzet. De rechtbank heeft laatstelijk bij uitspraak van 1 maart 2012 (LJN: BV7738) het beroep van eisers betreffende een eerdere evenementenvergunning ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak is hoger beroep ingesteld. Naast het maken van bezwaar tegen de evenementenvergunning hebben eisers verweerder voorts gevraagd om handhavend op te treden tegen het voor 24 en 25 september 2011 voorgenomen evenement “Raceweekend september 2011” wegens het ontbreken van een omgevingvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In de uitspraak van 16 augustus 2012 (LJN: BX5362) heeft de rechtbank het beroep betreffende de weigering van verweerder om dat verzoek om handhaving te honoreren gegrond verklaard. Daartoe is in de eerste plaats overwogen dat het -meer dan incidenteel plaatsvindende- gebruik van het circuit voor het houden van races in strijd is met het bestemmingsplan Buitengebied 1985 en dat geen beroep gedaan kan worden op legaliserende werking van de voor het circuit verleende bouwvergunning zolang aan de, aan die vergunning verbonden, voorwaarde dat een geluidscherm moet worden opgericht geen uitvoering is gegeven. Ook het subsidiaire standpunt van verweerder dat er geen strijd is met het bestemmingsplan wegens het incidentele en kortdurende karakter van de race-activiteiten is door de rechtbank verworpen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat eisers terecht hebben betoogd dat sprake is van een milieuvergunningplichtige inrichting zodat de beoogde race-activiteiten bij gebreke van die vergunning ook in zoverre niet legaal zijn, terwijl ook niet is gebleken dat in dat opzicht concreet zicht op legalisatie aanwezig is.

6. Verweerder heeft wederom betoogd dat sprake is van incidenteel gebruik en daarbij onder meer gewezen op een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 juni 2012 (LJN: BW8792). In die zaak heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch geoordeeld dat niet is voldaan aan het criterium van ‘pleegt te worden verricht’ en daartoe onder meer overwogen dat de omvang, indeling en duur van het betreffende evenement in de voorafgaande jaren veel is gewijzigd. In het geval van circuit ‘de Peel’ geldt dat al enige jaren een viertal race-evenementen per jaar wordt georganiseerd, telkens op dezelfde feestdagen en vaste weekenden. De rechter acht het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch berechte geval dan ook niet vergelijkbaar met het voorliggende en ziet daarin geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 16 augustus 2012. De rechter houdt het er ook thans voor dat er geen sprake is van incidentele activiteiten waaraan het bestemmingsplan niet in de weg zou staan en ook dat er sprake is van een milieuvergunningplichtige inrichting.

7. Het betoog van verweerder dat de verleende evenementenvergunning betekent dat aan derde-partij niet kan worden tegengeworpen dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan of dat een milieuvergunning ontbreekt, wordt door de voorzieningenrechter verworpen. Immers heeft verweerder zelf zich herhaaldelijk en consequent op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan en de milieuwetgeving niet tot het toetsingskader voor de evenementenvergunning behoren. In de eerdergenoemde uitspraken van 1 maart 2012 en 16 augustus 2012 heeft de rechtbank die benadering eveneens gevolgd. Dit betekent eveneens dat het ook voor derde-partij kenbaar was dat strijdigheden met het bestemmingsplan en de milieuwetgeving niet door de evenementenvergunning worden gedekt.

8. Het is de rechter niet gebleken dat zich sinds de uitspraak van 16 augustus 2012 ten aanzien van het milieu-aspect nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan die nu wel maken dat sprake is van concreet zich op legalisatie. Met name is niet gesteld of is anderszins aannemelijk geworden dat in de door de rechtbank doorslaggevend geachte omstandigheid dat gedeputeerde staten nog geen verklaring van geen bedenkingen wil afgeven, verandering is gekomen. De rechter verwerpt derhalve het betoog van verweerder.

9. Verweerder heeft voorts betoogd, mocht zich al strijd met het bestemmingsplan voordoen, er in dat opzicht concreet zicht op legalisatie aanwezig is, nu het ontwerpbestemmingsplan Circuit de Peel op 30 oktober a.s. ter goedkeuring aan de gemeenteraad wordt voorgelegd. Eisers hebben daarentegen betoogd dat dit niet als concreet zicht op legalisatie kan worden aangemerkt nu de bestemmingsplanprocedure een dermate lange periode heeft bestreken dat het maar de vraag is of de geplande datum ook daadwerkelijk wordt gehaald als vaststellingsdatum. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de Afdeling, 25 augustus 2010, LJN: BN 4948 en 6 juni 2012, LJN: BW7609) volgt dat voor het aannemen van concreet zicht op legalisatie door aanpassing van het bestemmingsplan ten minste vereist dat een ontwerpbestemmingsplan dat het gebruik legaliseert ter inzage is gelegd. Op zichzelf kan daarom het voorleggen van het ontwerpbestemmingsplan aan de gemeenteraad als concreet zicht op legalisatie worden voor het gebruik van de desbetreffende gronden als circuit, worden aangemerkt, zodat dit betoog van eisers niet kan slagen. Daarmee is echter nog niet de vraag beantwoord of door vaststelling van het bestemmingsplan ook het gebruik van het circuit in zijn huidige vorm voor races legaliseert.

10. Aan de eerder, op basis van het nadien vernietigde bestemmingsplan, verleende bouwvergunning is de voorwaarde verbonden dat een geluidscherm diende te worden opgericht. De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 16 augustus 2012 van doorslaggevend belang geacht dat de oprichting van dit geluidscherm nog niet is gerealiseerd. Ter zitting is door de derde-partij verklaard dat het betreffende geluidscherm tot op heden nog niet is opgericht, dat dit ook niet zal gebeuren vóór de septemberraces 2012 en dat er ook geen tijdelijke geluidwerende maatregelen worden genomen. Het voorgaande heeft volgens derde-partij te maken met het feit dat hij in een vergaand stadium van onderhandelingen is met eisers over de exacte vormgeving en uitvoering van het op te richten geluidscherm dat kwalitatief hoogstaander zal zijn dan als voorwaarde in de bouwvergunning is bepaald. In afwachting van de uitkomst van de onderhandelingen wordt gewacht met de plaatsing van het geluidscherm, aldus derde-partij.

11. Het ontwerpbestemmingsplan circuit ‘de Peel’ dat volgens verweerder concreet zicht op legalisatie brengt, kent voorts de voorwaarden dat de in lid 6.1 van het ontwerpbestemmingsplan genoemde functies slechts toelaatbaar zijn indien de geluidwerende voorzieningen als bedoeld in artikel 6.1 sub i (in het ontwerpbestemmingsplan staat vermeld: sub j, de rechter gaat ervan uit dat dit een kennelijke verschrijving is nu de geluidwerende voorzieningen in sub i worden genoemd) gerealiseerd zijn en de omgevingsvergunning voor milieu is verleend.

In het voorgaande heeft de rechter reeds geoordeeld dat ten aanzien van de milieuvergunning geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Ten aanzien van de geluidwerende voorzieningen leidt de rechter uit de voorhanden zijnde gegevens af dat hiermee gedoeld wordt op dezelfde voorzieningen als die waarover voorwaarden in de eerder afgegeven bouwvergunning zijn opgenomen. Derde-partij heeft verklaard geluidwerende voorzieningen te zullen treffen na afronding van de onderhandelingen met eisers. De rechter concludeert uit het voorgaande dat legalisatie van gebruik van het circuit voor races door vaststelling van het bestemmingsplan pas het beoogde effect heeft als tot oprichting van de minimaal vereiste geluidwerende voorzieningen is overgegaan. Het voorgaande brengt de rechter tot het oordeel dat in dit geval het feit dat er zicht op is dat op korte termijn een bestemmingsplan wordt vastgesteld geen bijzondere omstandigheid vormt die kan leiden tot afwijking van de zogeheten beginselplicht tot handhaving.

12. Naar aanleiding van het betoog van verweerder dat het, in verband met de hoge kosten, redelijk is dat door de houder van een evenementenvergunning met het plaatsen van geluidsschermen wordt gewacht totdat het nieuwe bestemmingsplan van kracht is, overweegt de rechter nog dat het derde-partij op zichzelf vrijstaat (nog) af te zien van de bouw van het geluidscherm, zij het dat dit tot gevolg heeft dat totdat wel aan die voorwaarde is voldaan, de verstrekte bouwvergunning geen legaliserende werking heeft. Bovendien zou derde-partij er, in afwachting van de uitkomst van de onderhandelingen en daarmee in afwachting van de aanleg van het geluidscherm, ook voor hebben kunnen kiezen af te zien van het houden van de septemberraces in 2012.

13. De rechter onderkent dat de derde-partij een groot financieel belang heeft bij het doorgaan van de races op 29 en 30 september 2012 en ook dat er problemen zijn verbonden aan het afgelasten van de races kort voordien. De rechter ziet ook daarin echter geen grond om af te wijken van de beginselplicht tot handhaving. Immers blijkt uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat niet licht bijzondere omstandigheden om af te wijken van die beginselplicht aanwezig kunnen worden geacht. Te minder is daarvoor aanleiding nu reeds in de uitspraken van de voorzieningenrechter van

16 juni 2011 (zaaknr. 11/725) en 12 augustus 2011 (zaaknr. 11/905) is gewezen op het belang van vroegtijdiger besluitvorming en op de mogelijkheid voor verweerder en derde-partij om aan het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 16 augustus 2012 consequenties te verbinden voor de races eind september.

14. De rechter is op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat de weigering van verweerder om handhavend op te treden niet in stand kan blijven. De rechter is voorts van oordeel dat deze overwegingen geen andere conclusie toelaten dan dat verweerder handhavend dient op te treden tegen het de voorgenomen races op het circuit. Nu nog net voldoende tijd resteert om de deelnemers en potentiële toeschouwers op de hoogte te stellen van afgelasting van de races, acht de rechter het voorts aangewezen om niet te volstaan met een opdracht aan verweerder om een handhavingsbesluit te nemen, maar aanstonds gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 8:72, vierde lid., aanhef en onder c, van de Awb om zelf in de zaak te voorzien door ter voorkoming van voormelde overtredingen een last onder dwangsom aan derde-partij op te leggen.

15. Bij het opleggen van een last onder dwangsom dient de rechter de bepalingen van de Awb omtrent voorbereiding van besluiten (afdeling 4.1.2) en handhaving (hoofdstuk 5) in aanmerking te nemen. De rechter acht dusdanige spoed aanwezig dat, na het onderzoek ter zitting, van nader horen van derde-partij dient te worden afgezien (artikel 4:11 van de Awb) en is van oordeel dat zich de in artikel 5:7 van de Awb bedoelde situatie van klaarblijkelijke dreiging van overtredingen voordoet zodat onmiddellijk een herstelsanctie kan worden opgelegd. Deze zal inhouden dat derde-partij de last wordt opgelegd het “Raceweekend september 2012” af te gelasten, daartoe de nodige maatregelen te nemen waaronder het vooraf informatie geven aan potentiële deelnemers en toeschouwers. Gelet op de door derde-partij verstrekte informatie over de door hem gedane investeringen, het verwachte aantal toeschouwers van 6000 tot 8000 en de entreeprijs van € 15,-, acht de rechter een dwangsom van € 100.000,- in redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom (artikel 5:32b van de Awb).

16. Nu de rechter uitspraak doet in de hoofdzaak als voormeld dient het verzoek om voorlopige voorziening te worden afgewezen.

17. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 september 2012;

- legt aan [belanghebbende] de last op om het “Raceweekend september 2012” af te gelasten, daartoe de nodige maatregelen te nemen waaronder vooraf informatie geven aan potentiële deelnemers en toeschouwers, bij overtreding waarvan aan verweerder een dwangsom wordt verbeurd van € 100.000,--;

- bepaalt dat deze uitspraak in plaats komt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep bij de rechtbank, aan de zijde van eisers begroot op € 874,-- (wegens kosten van rechtsbijstand) te betalen aan eisers;

- bepaalt dat verweerder aan eisers de door hen betaalde griffierechten ten bedrage van twee maal € 310,-- volledig vergoedt;

- wijst af het verzoek om voorlopige voorziening.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.L.M. Verstegen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

24 september 2012.

w.g. mr. G.L.M. Verstegen,

griffier w.g. mr. T.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 24 september 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor zover deze het beroep in de hoofdzaak betreft binnen zes weken beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.