Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2012:BX7525

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
13-09-2012
Datum publicatie
17-09-2012
Zaaknummer
82/200684-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Diergeneesmiddelenwet art. 2 + Diergeneesmiddelenbesluit art. 23, 24

- Cascaderegeling

- Overmacht, strafmaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector Strafrecht

Parketnummer:82.200684.11

Datum uitspraak:13 september 2012

Vonnis van de economische politierechter Roermond, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats],

wonende te [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 januari 2012 en 30 augustus 2012.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 november 2011.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op 26 januari 2011 te Panningen, in de gemeente Peel en Maas, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, drie- althans eenmaal, (telkens) een diergeneesmiddel dat niet was geregistreerd (voor pluimvee) heeft afgeleverd en/of bij dieren (pluimvee) heeft toegepast, immers heeft hij

- aan kalkoenbroederij [bedrijf 1] Excenel (opgelost in marek Diluent CA) afgeleverd ter behandeling van kalkoenkuikens en was het diergeneesmiddel Excenel niet geregistreerd voor het doeldier kalkoen en/of

- aan [bedrijf 2] (Helden) 2 flacons van Excenel 4 gram afgeleverd ter behandeling van 19.500 kalkoenen en was het diergeneesmiddel Excenel niet geregistreerd voor het doeldier kalkoen en/of

- aan [bedrijf 3] (Nederweert - Eind) 2 flacons van Excenel 4 gram afgeleverd ter behandeling van 15.000 kalkoenen en was het diergeneesmiddel Excenel niet geregistreerd voor het doeldier kalkoen.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De economische politierechter is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 30 augustus 2012 gevorderd dat het ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard. Uit de toepasselijke regelgeving met name artikel 23 Diergeneesmiddelenbesluit en de in dat artikel genoemde verordening (EG) nr. 2377/90 vloeit voort dat het middel ceftiofur (de werkzame stof in Excenel) niet is toegestaan voor het doeldier kalkoen, nu voor dit doeldier geen Maximum Residu Limiet (MRL) is bepaald.

De verdediging heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Zakelijk weergegeven is aangevoerd dat er sprake was van een diergeneeskundige noodzaak zoals bedoeld in artikel 22 van het Diergeneesmiddelenbesluit en dat de zogenaamde cascaderegeling van de artikelen 22 tot en met 24 van het Diergeneesmiddelenbesluit correct is toegepast. Immers in dit kader is toepassing van een toegelaten geneesmiddel voor een andere voedselproducerende diersoort toegestaan. Ceftiofur is toegestaan voor het doeldier rund en varken, zodat aan de voorwaarden voor toepassing is voldaan. In tegenstelling tot de officier is de verdediging van mening dat uit het systeem van de regelgeving geenszins de conclusie valt te trekken dat gebruik van ceftiofur enkel is toegestaan indien er een MRL is bepaald. Het gegeven dat er geen MRL is bepaald voor het doeldier kalkoen is te verklaren door de zogenaamde minor species problematiek: de kosten verbonden aan een registratie en een MRL bepaling zijn te hoog, gelet op het relatieve gering aantal doeldieren.

Overwegingen van de rechtbank

In artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet is bepaald dat het verboden is een diergeneesmiddel dat niet is geregistreerd, te bereiden, voorhanden of in voorraad te hebben, af te leveren of bij dieren toe te passen.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte opzettelijk een niet geregistreerd geneesmiddel heeft toegepast. In zoverre is het feit wettig en overtuigend bewezen voor wat betreft de aflevering aan de kalkoenbroederij [bedrijf 1] Het vrijspraakverweer wordt dan ook verworpen.

Een correcte toepassing van de zogenaamde cascaderegeling heeft tot gevolg dat de strafbaarheid aan de bewezenverklaarde handeling komt te ontvallen, hetgeen zou moeten leiden een ontslag van rechtsvervolging. In dit kader overweegt de economische politierechter als volgt.

In artikel 22, eerste lid, van het Diergeneesmiddelenbesluit is -voor zover in dezen van belang- bepaald dat, indien er in Nederland geen geregistreerd diergeneesmiddel beschikbaar is het de dierenarts bij diergeneeskundige noodzaak is toegestaan om, in afwijking van artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet, en met inachtneming van de artikelen 23 en 24 van het Diergeneesmiddelenbesluit, ofwel humane geneesmiddelen ofwel diergeneesmiddelen die zijn toegelaten in een lidstaat van de Europese Gemeenschap voor dezelfde diersoort of voor een andere voedselproducerende diersoort toe te passen.

In artikel 23, eerste lid, van het Diergeneesmiddelenbesluit staat dat een middel als bedoeld in artikel 22 dat wordt toegepast bij een voedselproducerend dier uitsluitend werkzame stoffen bevat die zijn opgenomen in bijlage I, II of III bij verordening (EG) nr. 2377/90.

De werkzame stof van Excenel, zijnde ceftiofur, staat vermeld op bijlage I. Met betrekking tot deze stof zijn enkel Maximum Residu Limieten bepaald voor varkens en runderen.

Met betrekking tot de uitleg van de cascaderegeling overweegt de economische politierechter als volgt. De strekking van de onderhavige wet- en regelgeving is tweeledig. Enerzijds dienen in het belang van het dierenwelzijn alleen diergeneesmiddelen te worden toegelaten die van goede kwaliteit zijn. Anderzijds is er in het geval van voedselproducerende dieren ook nog het belang van de volksgezondheid. Voorkomen dient immers te worden dat via de consumptie van dierlijke voedingsstoffen en de daarin achtergebleven (medicinale) stoffen de gezondheid van de mens op korte of op de langere termijn nadelig wordt beïnvloed. In het geval van voedselproducerende dieren dient een redelijke wetsuitleg dan ook altijd te geschieden tegen de achtergrond van het belang van de bescherming van de volksgezondheid, in casu met name het gevaar van de toenemende antibioticaresistentie.

Uit de tekst van de artikelen 22 en 23 van het Diergeneesmiddelenbesluit volgt voorts dat het bepaalde in artikel 22 niet los gezien kan worden van het bepaalde in artikel 23. Met andere woorden: men komt pas toe aan toepassing van artikel 22 indien aan de voorwaarden van artikel 23 is voldaan. Dit brengt met zich mee dat de economische politierechter met de officier van justitie van oordeel is dat het gebruik van de stof ceftiofur enkel is toegestaan in het geval er voor de desbetreffende diersoort een MRL is bepaald.

Nu de toepassing van ceftiofur, ook in het geval van een diergeneeskundige noodzaak, niet is toegestaan, is de vraag of er in dezen al dan niet sprake was van een diergeneeskundige noodzaak en verdachte derhalve terecht de cascaderegeling heeft menen toe te kunnen passen niet relevant.

Vrijspraakoverweging

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte ten behoeve van zijn eigen klanten [bedrijf 2] en [bedrijf 3] (beiden opfokbedrijven) die kampten met een verhoogde uitval, aan de kalkoenbroederij [bedrijf 1] Excenel heeft verstrekt opdat de voor [bedrijf 2] en [bedrijf 3] bestemde kalkoenkuikens reeds aldaar geïnjecteerd konden worden. Van enige aflevering dan wel toepassing van Excenel op de bedrijven van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] is niet gebleken. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Het genoemde geschrift is slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Het bewijs .

De verdachte verklaart ter terechtzitting van 19 januari 2012

Ik heb op 26 januari 2011 bewust gekozen voor de toepassing van het diergeneesmiddel Excenel bij kalkoenen. Als geen geregistreerd middel voor kalkoenen voorhanden is, kun je volgens de wetgeving gebruik maken de cascaderegeling. Dit vloeit mijn inziens voort uit artikel 45 van de Diergeneesmiddelenwet en de artikelen 22 en volgende van het Diergeneesmiddelenbesluit.

De schriftelijke verklaring van verdachte van 18 april 2011

Ik verklaar op 26 januari 2011 aan kalkoenbroederij [bedrijf 1] te Heythuysen voor injectie voor de kalkoenen van de bedrijven [bedrijf 2] en [bedrijf 3] Marek CA Diluent voor injectie voor de kalkoenen te hebben geleverd. Ik heb Excenel opgelost in de Marek Diluent Ca.

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] relateren op 27 januari 2011

Vanwege de onrust rondom antibioticaresistentie ten gevolge van overmatig antibiotica gebruik in de intensieve veehouderij, bevonden wij ons in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit op 27 januari 2011 bij de kalkoenbroederij [bedrijf 1] te Heythuysen. Doel van het onderzoek was het vaststellen of sprake is van het gebruik van antibiotica in kuikenbroederijen, met name ceftiofur en enrofloxacin en vaststellen of sprake is van distributie van diergeneesmiddelen door tussenkomst van de broederij.

In een hal van de broederij bevond zich een injecteerapparaat waarmee alle kalkoenkuikens werden geïnjecteerd. Bij dit apparaat stond een gebruiksklare vloeistof die via een slang aan het apparaat was verbonden. Volgens opgaaf van de bedrijfsleider bestond deze vloeistof uit TRT NCD/Marek in een zoutoplossing. Ik verbalisant [verbalisant 1] heb een monster in tweevoud genomen van voornoemde vloeistof. Het relaasnummer van dit monster was 0485/270111/CO02. Het monster was verpakt in secubags, voorzien van uniek nummer, monster 0164988 en contramonsters 0164987 en daarna door verbalisant [verbalisant 2] naar het Rikilt-instituut voor voedselveiligheid te Wageningen gebracht om te worden onderzocht op ceftiofur en enrofloxacin.

Het analyserapport van het Rikilt-instituut te Wageningen d.d. 12 april 2011

Het analyserapport toont aan dat het monster met kenmerk 0164988 de stof ceftiofur bevat.

Een geschrift met het opschrift Productinformatie

De productinformatie, afkomstig van internet d.d. 29.6.2011, bevat de volgende gegevens:

Registratienummer : REG NL 9915

Registratienaam : EXCENEL

Farmaceutische vorm : Poeder voor oplossing voor injectie

Werkzame stof(fen) : Substantie : ceftiofurnatrium

: Concentratie : 50 mg/ml

Bewijsoverwegingen van de rechtbank.

De economische politierechter acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 januari 2011 in Nederland opzettelijk, een diergeneesmiddel dat niet was geregistreerd (voor pluimvee) heeft afgeleverd en bij dieren (pluimvee) heeft toegepast, immers heeft hij

- aan kalkoenbroederij [bedrijf 1] Excenel (opgelost in marek Diluent CA) afgeleverd ter behandeling van kalkoenkuikens en was het diergeneesmiddel Excenel niet geregistreerd voor het doeldier kalkoen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de economische politierechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie.

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2, van de Diergeneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 6 juncto artikel 1 van de Wet op de economische delicten.

De strafbaarheid en straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 30 augustus 2012 gevorderd dat verdachte ter zake het ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 3.000,00 subsidiair 40 dagen hechtenis.

Verdachte heeft het diergeneesmiddel Excenel voor kalkoenen afgeleverd en toegepast. Excenel betreft een niet een geregistreerd diergeneesmiddel voor pluimvee. Excenel bevat de stof ceftiofur. Voor ceftiofur is geen MRL voor kalkoenen bepaald. Met name in het belang van de voedselveiligheid is hierdoor de toepassing van Excenel bij kalkoenen verboden en is het niet aan verdachte als individuele dierenarts om een eigen afweging te maken. Aangezien de officier van justitie de overtuiging heeft dat verdachte goede bedoelingen heeft gehad bij de toepassing van Excenel en haar niet is gebleken van een economisch motief, heeft zij hiermee rekening gehouden in de strafmaat.

De standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte op grond van overmacht in de zin van noodtoestand, dient te worden te ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is het volgende aangevoerd.

Kalkoenbroederij [bedrijf 1] heeft in de periode najaar 2010 tot eind januari 2011 diverse koppels eendagskuikens geleverd waar in de eerste levensweek een hogere uitval werd geconstateerd. Nadat was geconstateerd dat de uitval was veroorzaakt door een zeer agressieve E.coli bacterie, de zogenaamde dooierrestontsteking, bestond een diergeneeskundige reden om de nieuwe kuikens in een zo vroeg mogelijk stadium hiervoor te behandelen. Een dergelijke (mogelijke preventieve) behandeling wordt tevens ondersteund door het Productschap Pluimvee & Eieren en de Vakgroep Gezondheidszorg Pluimvee. De kalkoenkuikens dienden tevens te worden behandeld voor TRT (Turkey Rhino Tracheitis), een veel voorkomende ziekte onder kalkoenen. Om de dooierrestontsteking bij kalkoenkuikens zo effectief en adequaat mogelijk te bestrijden in combinatie met een behandeling met het TRT vaccin, heeft verdachte gekozen voor toepassing van een Excenel injectie. Het enige voor kalkoen geregistreerde geneesmiddel voor de behandeling van kalkoenkuikens per injectie, Terramycin LA, blijkt niet adequaat en effectief te zijn tegen dooierrestontsteking. Tevens blijkt dat middel niet gecombineerd te kunnen worden met een TRT vaccin. Voorts is een behandeling door middel van injectie veel doeltreffender dan de andere wijzen van toediening in de kalkoenindustrie door middel van sprayen of door toevoeging aan het drinkwater. Daarbij heeft deze werkwijze als extra bijkomend voordeel dat de dieren niet onnodig verzwakt raken, daardoor gevoeliger worden voor andere ziektes waarvoor zij behandeling (door middel van antibiotica) behoeven, zodat uiteindelijk het totale antibioticagebruik veel minder is en juist daardoor het belang van de volksgezondheid beter wordt gediend. Bij kalkoenen is sprake van een minor species. Dat wil zeggen dat vanwege het feit dat de kalkoenindustrie in Nederland een kleine sector betreft, weinig geregistreerde diergeneesmiddelen voor aandoeningen bij kalkoenen beschikbaar zijn. Doordat de markt zo klein is, is het voor een producent immers niet rendabel om een geregistreerd middel op de markt te brengen. Daarnaast is alleen van Excenel injectie bekend dat het gecombineerd kan worden met een virus vaccin (zoals TRT). Om onaanvaardbaar lijden bij de dieren te voorkomen, was dan ook sprake van een diergeneeskundige noodzaak om de kalkoenkuikens dusdanig te behandelen. Verdachte had geen andere keuze dan een niet voor kalkoenen geregistreerd middel te gebruiken en heeft duidelijk de afweging gemaakt, welk middel voor de volksgezondheid het minst belastend was.

Overwegingen van de rechtbank

Met betrekking tot het beroep op een noodtoestand overweegt de economische politierechter als volgt. Bij de beoordeling of sprake is van een noodtoestand, moet worden vooropgesteld dat uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval kunnen meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen – in het algemeen gesproken – dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren.

Verdachte heeft uitvoerig aangevoerd waaruit voor hem de diergeneeskundige noodzaak bestond, maar heeft onvoldoende gesteld om van een noodtoestand zoals hierboven bedoeld te kunnen spreken. In dit kader stelt de economische politierechter voorop dat enkel een grotere uitval dan normaal als zodanig geen noodtoestand vormt.

Uit de toelichting van verdachte op zijn beslissing een niet geregistreerd diergeneesmiddel toe te passen concludeert de rechtbank dat deze mede zijn ingegeven zijn door efficiency redenen. Naast een beter gezondheidsresultaat voor de dieren zijn er een aantal praktische voordelen verbonden aan Excenel. Namelijk toediening van Excenel is te combineren met gelijktijdige toediening van het TRT vaccin. Injectie met Excenel kan bij eendagskuiken machinaal geschieden, gelijktijdig met het snavelkappen en de toediening van de TRT vaccin. Het beroep op een noodtoestand wordt dan ook verworpen.

In het kader van de bepaling van de strafmaat overweegt de politierechter het volgende.

Verdachte heeft gemotiveerd aangevoerd dat zijn handelen juist voortkwam uit het streven om tijdens de gehele levensduur van de kalkoen zo weinig mogelijk antibiotica toe te dienen. Dit in het belang van zowel het welzijn van het dier, als in een streven de toenemende antibioticaresistentie tegen te gaan en daarmede het belang van de volksgezondheid zoveel mogelijk te dienen. Dit streven is lovenswaardig. Voorts is de redenering van verdachte inzichtelijk, daar waar hij stelt dat gelet op de minimale dosis Exenel die wordt toegepast bij eendagskuikens, de desbetreffende kalkoenen vervolgens een grote groei doormaken en met 105 dagen slachtrijp zijn, er dus geen dan nog nauwelijks resten van ceftiofur in het kalkoenvlees te traceren zijn en dat in elk geval ruim gebleven wordt binnen de bij varkens en runderen toegestane normen. (MRL bij varkens en runderen is 1000 µg per kilo en een wachttijd van 28 dagen.) Anderzijds zijn er niet voor niets allerlei voorschriften verbonden aan de toelating van medicijnen, waaronder het nodige onderzoek, teneinde de mogelijke (onvoorziene) gevolgen te onderzoeken alvorens tot algemene toepassing over te gaan. Het is aan de wetgever voorbehouden om hiervoor regelingen te treffen. Gelet echter op de goede bedoelingen van verdachte zal de economische politierechter onder toepassing van artikel 9a aan verdachte geen straf opleggen.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9a, 91

Wet op de economische delicten art. 1, 2, 6,

Diergeneesmiddelenwet art. 2

Diergeneesmiddelenbesluit art. 22, 23

Beslissing

De economische politierechter;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor schuldig zonder oplegging van straf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J.A.G. van Baal, economische politierechter, in tegenwoordigheid van

J.M.M. Versteegh-Janssen, griffier, en is uitgesproken op 13 september 2012.